Bijbel in een jaar
Bijbel in een jaar
Dag 266 - Jeremia 47 tot en met 49 en Obadja
Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.
Vandaag lezen we Jeremia 47 tot en met 49 en Obadja uit de NBV21. Lees mee via de Mijn Bijbel app: https://bit.ly/3STZcuU
🌟 Laat een review achter in jouw podcastapp!
📖 Lees mee via de app en houd je persoonlijke voortgang bij
🔎Ontdek nog meer manieren om mee te doen
📷Volg ons op Instagram
💡Schrijf je in voor tweewekelijkse Bijbelse inspiratie
❤️Lees meer over het Bijbelgenootschap
Dit is de Bijbel in een jaarpodcast van het NBG. Dit is dag 266. Vandaag lezen we Jeremia hoofdstuk 47 tot en met hoofdstuk 49 en het boek Obatja. Jeremia hoofdstuk 47 tot en met 49.
SPEAKER_00Profitie over de Filistijnen. De Heer richtte de volgende woorden tot de profeet Jeremia over de Filistijen voordat de farao gaza innam. Dit zegt de Heer: Kijk, het water zwelt aan uit het noorden. Het wordt een allesverwoestende stortvloed. Het overstroomt het land en al wat er leeft, elke stad en alle die daar wonen. Alle mensen jammeren, de bevolking schreeuwt het uit. Daar klinken de stampende hoeven van machtige paarden, daar klinkt het gedreun van de strijdwagens en het ratelen van hun wielen. Ouders letten niet meer op hun kinderen, ze staan verlamd van angst. Want de dag is aangebroken om alle Filistejen uit te roeien, om Tyres en om Sidon te boven van hun laatste bond genood. De Heer vernietigt alle Filistejen, het volk dat ooit van Kreta kwam. Gaza heeft zich kail geschoren, Askelon is tot zwijgen gebracht. Overlevenden van de vlakte, hoe lang nog kerven jullie lichaam? Hoe lang nog. Zwaart van de Heer blijf je razen. Kom tot rust, keer naar je schede terug. Wees stil, bedar. Maar hoe zou je kunnen rusten? De Heer heeft je naar Askeon in de kust gestuurd. Op zijn bevel ben je daarheen gegaan.
SPEAKER_01Profitie over Moab.
SPEAKER_00Dit zegt de Heer van de hemelse machten, de God van Israël over Moab. Wee, nebo, het wordt verwoest. Kirje taim wordt veroverd en met schande overladen. Mieschap staat te schande en is radeloos. Het is met Moabs roem gedaan. In Gespon wordt over zijn ondergang beslist, ze besluiten Moab uit te roeien tot de laatste man. Ook jij, mad men, zult worden vernietigd, het zwaard zal je achterhalen. Hoor, uit Goronaïm klinkt gejammer. Onheil treft het een grote rampspoed. Moab ligt in puin, de kinderen jammeren luid. Klacht op klacht klinkt op de weg omhoog naar Lichiet, noodkreten op de wegomlaag naar Goronaïm. Vlucht, inwoners van Moab, red het vegen lijf. Ziet te overleven als een struik in de woestijn. Jullie vertrouwen op je prestaties en rijkdom, daarom wordt het land veroverd. Kemels gaat in ballingschap, zijn priesters en de leiders volgen hem. De vijand plundert alle steden, geen stad ontgaat dat lot. De Jordaan verlei is reddeloos verloren, verniet wordt de hoogvlakte. De Heer heeft het gezegd. Geef Moab toch vleugels, dan kan het wegvluchten. Een steden worden een woestenij, geen mens kan er meer wonen. Vervloekt is wie de opdracht van de Heer halfslachtig uitvoert, vervloekt is wie zijn zwaart het bloed ontzegd. Moab had vanaf zijn jeugd geen zorgen. Het was als wijn die op zijn droesem rustten. Nooit werd het van het eene in het andere vat gegoten, nooit ging het in balningschap. Daarom is zijn smaak zo goed gebleven, is zijn geur zo onbedorven. Maar de dag zal komen, spreekt de Heer, dat ik wijnmeesters zal sturen die de wijn gaan overgieten, de vaten zullen legen, de kruiken zullen stuk slaan. Dan wordt Moab door chemos teleurgesteld, zoals Israël door Beltel werd teleurgesteld, die God waarin het zijn vertrouwen stelde. Mannen uit Moab, hoe durven jullie te beweren? Wij zijn eerste klas soldaten heldhaftig en strijdlustig. Moab zal zijn verwoesting niet ontlopen. De vijand voert een stormloop op de steden uit, de keurtroepen van Moab worden afgeslacht. Spreekt de koning wiens naam is Heer van de hemelse machten. De ondergang van Moab is nabij, onheil treft het nu zeer snel. Buurlanden klaag om Moab, alle die het zo bewonderden, hef dit klaaglied aan. Ach, nu is hij gebroken, die schitterende staf, die luistere rijke schepter. Kom van je verheven zetel af, vrouwen die bon, en je zult van dorst versmachten. Moabs vernietiger trekt tegen je op en zal je vestingen verwoesten. Ga bij de weg op de uitkijk staan, inwoners van Aroë, vraag de vluchtelingen: wat is er gebeurd? Moab is met schande overladen, het is radeloos. Barst uit in Gjammer, schreeuw het uit. Vertel het in het Arnondal, Moab is verwoest. Het vonnis is geveild over de hoogvlte, over Golon, Jahas en Mefaat, over Dibon, Nebo en Bet Tibataim, over Kirjathaim, Betchamul en Betmeon, over Keriot en Bosra, over elke andere stad van Moab, ver weg of dichtbij. Het is uit met Moabs machtsvertoon, gebroken is zijn machtige arm, spreekt de Heer. Voer het dronken, het heeft de Heer getart, het zal graaien in zijn eigen braksel, het wordt nu zelf bespot. Moab, heb je Israël niet altijd uitgelachen, gehoond als een betrapte dief? Wees je het niet spottend na? Ontvlucht de steden, inwoners van Moab, houd je schuil in grotten, nestel je als duiven in de rotswanden. Wij weten hoe hoogmoedig Moab is. Wat is het hoogartig? Wij kennen zijn trots, zijn eigen dunk, zijn zelfgenoegzaamheid, zijn grenzeloze eigen waan. Ik weet, spreekt de Heer, hoe verwaand het is. Maar Moabs grootspraak stoelt op niets, zijn daden stellen niets voor. Daarom zal ik jammeren om Moab, zal ik huilen om dat hele land. Ik zal treuren om de inwoners van Kier Geres en om jullie, wijnstokken van Sietma, zal ik pluider huilen dan om ja. Je ranken zijn zo groot ze rijken tot voorbij de dode zee. Ze reken zelfs tot aan het waterbekken van jaer. Maar je zomer vruchte in je wijnoogst vallen ten prooi aan plunderaars. Dan zal de vreugdezang verstommen in alle boomgaar van Moab. Er zal geen wijn meer in de Kuiper zijn. Ik maak een einde aan het treden van de druiven, aan de vreugdekreten van de druivetreders. Gespon jammert, men hoort het in Elale. Tot aan jaas klinkt zijn klage van Zoar tot aan Goronaim, tot aan Egad Celissia, want zelfs de beek van Nimrin wordt een dorre geul. Moab zal niet meer offeren op de hoogte, geen wier ook branden voor zijn goden, spreek de Heer. Moabs rijkdom zal vergaan. Daarom klaag mijn hart als een schalmei om Moab. Ja, zo klaagt het over de inwoners van Kirgeres. Ieder hoofd is kaal geschoren, elke baard wordt afgeknipt, alle handen zijn gekerfd, ieder hult zich in een rauw kleed. Op alle daken, alle pleinen wordt gerouwd, want ik verbrijzel Moab als een kruik die nergens meer toedient, spreek de Heer. Even klaaglied aan, ach, hoe licht Moab daar verbrijzelt, beschaamd wendt het zijn gezicht af. Het is een voorwerp van spot en verbijstering voor alle volken rondom. Dit zegt de Heer. De vijand doemt op als een gier, een gier die boven Moab cirkelt. De steden worden ingenomen, de vestingen veroverd. Moabs helde zideren en beven op die dag, zoals een vrouw in barensnood. Moab wordt vernietigd tot de laatste man, want het heeft de Heer getart. Verschikking, valkuil en vangnet, wacht jullie daar, inwoners van Moab, spreekt de Heer. Wie vlucht voor de verschrikking zal vallen in de kuil, wie uit de kuil weet te klimmen, raakt gevangen in het net. Want ik laat de dag komen, spreekt de Heer, dat ik met Moab zal afrekenen. Vluchtelingen blijven uitgeput onder Gesbons muren staan, want vuur verspreidt zich vanuit Gesbon, een vlam uit de stad van Sigon. Het verbrandt te slapen van Moab verteert de schedel van die snoevers. Wee jou, Moab, het volk van Chemos gaat ten onder, je zonen worden meegevoerd, je dochters buitgemaakt. Maar eens zal ik in Moabs lot een keer brengen, spreek de Heer.
SPEAKER_01Tot zover het vonnis over Moab. Profetie over Amon.
SPEAKER_00Dit zegt de Heer over de Amonieten. De God Milkom heeft Gat in bezit genomen, zijn volk woont nu in de steden van die stam. Heeft Israël dan geen eigen zone, heeft het zelf geen erfgenamen? Maar de dag zal komen, spreekt de Heer, dat ik Rabat Amon dreunen laat van krijgsgeschreeuw. Het valt in puinen wordt de woestenij. De dorpen gaan in vlammen op. Dan neemt Israël bezit van zijn bezetter, spreek de Heer. Barst uit in jammer geston, want i wordt verwoest. Schreeuw het uit, vrouwen van Rabba, weeklaag hul je in het zwart. Ren raadloos rond in de velden, want milkom gaat in ballingschap. Priesters en leiders volgen hem. Ammon, waarom poch je zo op je valleien, je velden die zo vruchtbaar zijn? Eigenzinnig volk van Ammon, jullie wanen je zo veilig met je voorraden dat jullie zeggen niemand kan ons aan. Ik breng verschrikking over jullie die je van alle kanten overvallen zal. Spreekt God de Heer van de hemelse machten. Jullie worden overal heen verdreven, niemand venigt jullie weer, maar eens zal ik in Amons lot een keer brengen, spreekt de Heer. Profitie over Edom. Dit zegt de Heer van de hemelse machten over Edom. Er is geen wijsheid meer in de man. Gaat men daar niet langer met verstand te werk, is elk inzicht daar verdwenen. Vlucht vlucht weg, inwoners van de dan, zoek een diep verborgen schuilplaats. Ik breng onheil over Eu's nageslacht. Het tijdstip is gekomen dat ik met hen afreken. Als er druiverplukkers komen, snijden ze niet alle trossen af. Als er dieven komen in de nacht, telen ze alleen wat hun van pas komt. Maar ik pluk het land van Ezu kaal, elke schuilplaats leg ik bloot. Niemand kan zich nog verbergen. Heel het nageslacht van Ezu wordt verdeld, niemand overleeft, geen broers, geen buren. Niemand zegt: vertrouw de wezen toe aan mij, ik zal voor ze zorgen. Laat de wedelijke op mij vertrouwen. Dit, zegt de Heer, zelfs zij, voor wie het oordeel om uit de beker te drinken niet gold, zullen eruit drinken. Denk jij dan je straf te ontlopen? Nee, je zult niet vrij uitgaan, drinken, zul je. Ik zweer bij mijzelf, spreekt de Heer, dat bosra een verschrikkelijke woesternij wordt, een plaats die wordt bespot en waarvan de naam als een vloek wordt gebruikt, en dat alle steden eromheen voor altijd in puin zullen liggen. De Heer heeft een bodem gestuurd naar alle volken, ook ik heb zijn boodschap gehoord sluit je aan een trek ten strijde tegen Edom. De Heer zegt over Edom: ik maak van jou een onbeduidend volk, veracht door iedereen. Door je hoogmoed heb je je laten verleiden, door je ongenaakbaarheid. Je woont daar hoog in de rotskloven, de hoogste bergtoppen houd je bezet. Maar al bouw je als een adelaar een hooggelegen nest, dan nog haal ik je neer, spreek de Heer. Dan zal Edom een verschrikkelijke plaats zijn. Ieder die er komt zal huiveren om het onheil dat het getroffen heeft, ieder stokte adem in de keel. Het wordt volkomen verwoest, zegt de Heer, zoals Sodom en Gomorra en de naburige steden werden verwoest. Niemand zal meer in Edom wonen, geen mens zal er nog verblijven. Zoals een leeuw vanuit het struikgewas bij de Jordaan, de kudde op hun weidegonden overvalt, zo val ik Edom binnen en jaag het volk uiteen. Welke held zou ik het laten beschermen? Wie is als ik, wie kan mij trotseren? Welke herder houdt tegen mij stand? Luister daarom naar het besluit van de Heer dat Hij over Edom heeft genomen, oor wat hij voor theman in gedachte heeft. Hij zweert dat zelfs de zwakste schapen worden weggesleurd. Op hun wijdegronde klinken kreten van verbijstering. De aarde beeft van Edoms val. Het gejammer klinkt tot aan de rode zee. De vijand doemt op als een gier, een gier die boven bosra cirkelt. Edoms helden zideren en beven op die dag zoals een vrouw in barensnood. Profetie over Damaskens. Over Damaskens. Hamat en Arpad zijn ontredderd. De bevolking heeft ramzalig nieuws gehoord. Zoals de zee wordt opgezweept, zo woelt de angst in hen. Rust is ver te zoeken. Damaskus heeft de moed verloren. Zij is op de vlucht geslagen, aangegrepen door paniek. Wanhoop en ween overweldigen haar als een vrouw in barensnood. Ach, hoe verlate licht Damaskes, die schitterende stad waarin ik vreugde vond. De soldaten zullen sterven op de pleine, elke krijgs held sneuveld op die dag. Spreek de Heer van de Hemelse machten. Ik zal de muren van Damask in vlammen doen opgaan vuur verteerd de burgde van Benhadad. Profitie over Kedar en de koninkrijke van Gazor. Dit zegt de Heer over Kedar en de koninkrijken van Gazor, die door koning Nebukadnesar van Babylonië werden veroverd. Vooruit trek op tegen Kedar, verdelg die stammen uit het oosten. Roof hun tenten, gij, de schapen, nem alles mee wat ze bezitten. Maak hun kamelen en tentdoeken buit, schreeuw en zij overal paniek. Inwoners van Gazor vlucht, zwerm uit naar alle kanten, zoek een diep verborgen schuilplaats, spreekt de Heer. Koning Nebikadnesar van Babylonië heeft tegen jullie kwaad in de zin, hij heeft zijn plannen tegen jullie klaar. Vooruit trek op tegen dat zorgeloze volk dat zich veilig waandt, spreek de Heer, dat poorter nog grendels heeft en leeft in afgelegen streken, hun kamelen worden buit gemaakt, heel hun veestapel geroofd. Ik zal die stammen met hun kaal geschoren slapen in elke windrichting verstrooien. Ik breng van alle kanten onheil, spreekt de Heer. Gazor wordt een oord voor jakhalze, het wordt voor altijd een woestenij. Niemand zal daar wonen, geen mens zal er nog verblijf. Profitie over Elam. De Heer richtet tot de profeet Jeremia de volgende woorden over Elam, in het begin van de regering van koning Sedequia van Juda. Dit zegt de Heer van de hemelse machten. Ik zal Elams bogen breken, het wapentuig waarop zijn macht berust. Ik laat vier stormen over Elam komen, uit alle vier de hoeken van de hemel. Ik zal dat volk in elke windrichting verstrooien, geen land waar men de ballingen niet ziet. Ik jag hun dodelijke angst aan voor de vijand, een vijand die hun naar het leven staat. In mijn brandende toorn breng ik onheil over hen, spreekt de Heer. Ik achter volg hen met het zwaard totdat ik hen vernietigd heb. Dan zal ik mijn troon in Elam vestigen en koning en leiders wegvragen, spreekt de Heer. Maar eens zal ik in Elamslot een keer brengen, spreek de Heer.
SPEAKER_01Obadja. Visioen van Obadja.
SPEAKER_02De Heer heeft een bode gestuurd naar alle volken. Ook wij hebben zijn boodschap gehoord: kom, laten we ten strijde trekken tegen Edom. Dit is wat God de Heer over dat volk zegt. Ik maak van jou een onbeduidend volk, vervoeid en veracht. Door je hoogmoed heb je je laten verleiden. Hoog woon je, hoog in de rots kloven. Daar heb je je huis gebouwd. En je denkt, wie haalt mij naar beneden? Maar al vlieg je zo hoog als een adelaar, al bouw je je nest in de sterren, dan nog haal ik je neer, spreekt de Heer. Komen er dieven, rovers in de nacht, ze stelen alleen wat hun van pas komt. Maar Edom, jij bent leeg geroofd. En komen er druivenplukkers, niet alle trossen snijden ze af. Maar Ezus volk is uitgeschud, zijn schaalplaatsen geplunderd. Bondgenoten verdreven je uit je eigen land. Vrienden hebben je verraden en verslagen. Tafelgenoten lokken je in de val. En jij blijft verbijsterd achter. De dag komt, spreekt de Heer, dat ik de wijzen in Edom zal doden. Zodat er in het bergland van Ezau niemand meer is met enig verstand. De helden van Teman zullen verlamd staan van schrik. In het bergland van Ezau wordt iedereen omgebracht, niemand blijft in leven. Je hebt je tegen het volk van Jacob gekeerd, geweld gebruikt tegen je eigen broeder. Daarom zul je met schande worden overdekt en voor altijd worden uitgeroeid. Op de dag dat je toekeek hoe andere volken de bezittingen van je broeder wegsleepten, hoe vreemdelingen de stadspoorten binnengingen en het lot wirpen over Jeruzalem, toen stond jij aan hun kant. Die dag had je je niet mogen verlustigen in de rampspoed die je broeder trof. Je had je niet mogen verheugen over de ondergang van het volk van Juda. En op die dag van angst had je hen niet mogen bespotten. Die dag had je de poorten van de stad niet binnen mogen gaan. Je had je op die dag van onheil niet mogen verlustigen in het kwaad dat mijn volk werd aangedaan. En op die dag van ongeluk had je je niet mogen vergrijpen aan hun bezittingen. Op die dag van angst had je de mensen die vluchten de weg niet mogen versperren om ze te doden en hen die ontkomen waren, niet mogen uitleveren. Maar de dag van de Heer is nabij voor alle volken. Dan zal met jou gedaan worden wat jij met hen gedaan hebt. Dan zullen je daden op je eigen hoofd neerkomen. Zoals jullie, volk van Jacob, op mijn heilige berg de beker van mijn woede moesten drinken, zo zal ieder volk die drinken. Ze zullen moeten drinken tot ze niet meer kunnen. En het zal zijn, alsof ze nooit hadden bestaan. Maar jullie vinden een toevlucht op de Sion. De Sion wordt weer een heilige plaats. Het volk van Jacob zal bezit nemen van zijn bezetters. Jacobs volk zal het vuur zijn. Jozefs volk de vlam. En het volk van Ezu de stoppels. De stoppels gaan in vlammen op. Het vuur zal ze verteren. En niemand van Ezows volk zal ontkomen. De Heer heeft gesproken. Het volk van Jacob zal vanuit de Negev het bergland van Ezuw in bezit nemen. En vanuit het Heuveland het gebied van de Filistijnen. Het zal de gebieden van Efraim en Samaria in bezit nemen. En vanuit Benjamin het gebied van Giliad. De ballingen uit Israël, een legermacht geworden, zullen het land van de Canaanieten veroveren tot dan Sarefat. En de ballingen uit Jeruzalem, nu nog in Sefarat, zullen de steden van de Negev in bezit nemen. Bevrijders zullen de Sion opgaan en regeren over het bergland van Ezal. En aan de Heer zal het koningschap toe behoren.
SPEAKER_03Dit is de Bijbel in een jaar podcast van het NBG. Morgen staat er weer een nieuwe aflevering voor je klaar.
Podcasts we love
Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.