Bijbel in een jaar
Bijbel in een jaar
Dag 347 - Zacharia 1 tot en met 3
Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.
Vandaag lezen we Zacharia 1 tot en met 3 uit de NBV21
🌟 Laat een review achter in jouw podcastapp!
📖 Lees mee via de app en houd je persoonlijke voortgang bij
🔎Ontdek nog meer manieren om mee te doen
📷Volg ons op Instagram
💡Schrijf je in voor tweewekelijkse Bijbelse inspiratie
❤️Lees meer over het Bijbelgenootschap
Je luistert naar het Bijbel in een jaar podcast van het NBG.
Dit is dag 347.
Vandaag lezen we Zacharia 1 tot en met 3.
---
Zacharia was een profeet. Hij was een zoon van Berechja en een kleinzoon van Iddo.
De Heer sprak tegen Zacharia in het tweede jaar dat Darius koning van Perzië was. Dat gebeurde in de achtste maand van dat jaar.
De Heer zei: ‘Ik ben woedend geweest op de voorouders van je volk, en ik heb ze gestraft. Maar nu moet jij namens mij tegen het volk zeggen: ‘Ik ben de machtige Heer. Jullie moeten weer gaan leven zoals ik het wil. Dan zal ik bij jullie terugkomen.
Jullie moeten het anders doen dan jullie voorouders! Ook naar hen heb ik profeten gestuurd. Die profeten zeiden tegen jullie voorouders dat ze beter moesten gaan leven. En dat ze weer moesten gaan doen wat ik wilde. Maar ze hebben niet geluisterd.
Die profeten leven niet meer, en ook jullie voorouders zijn allang gestorven. Maar voordat jullie voorouders stierven, heb ik hen gestraft. Want ze luisterden niet naar de profeten, en ze leefden niet volgens mijn wetten.’’
Toen de mensen hoorden wat Zacharia zei, gingen ze anders leven. Want ze begrepen dat de machtige Heer gedaan had wat hij gezegd had. Hij had hun voorouders gestraft voor hun slechte gedrag.
De Heer sprak nog een keer tegen de profeet Zacharia in het tweede jaar dat Darius koning was. Dat was op de 24ste dag van de elfde maand. Hier volgt het verslag van Zacharia over alles wat hij toen hoorde en zag.
Vannacht kreeg ik een droom. En in die droom zag ik een man op een lichtbruin paard. Het paard stond tussen groene struiken aan de rand van het water. Verderop zag ik nog meer paarden staan: lichtbruine, donkerbruine en witte.
Er was in mijn droom ook een engel die mij alles uitlegde. Ik vroeg hem: ‘Wat zijn dat voor paarden, en wie zijn de mannen die erop zitten?’ De engel antwoordde: ‘Dat zul je nu horen.’
Toen zei de man op het paard tussen de struiken: ‘Dit zijn de ruiters die de Heer op weg gestuurd heeft. Zij moesten overal op aarde rondkijken.’ En de ruiters zeiden tegen de man: ‘Wij zijn overal op aarde geweest. Er is nergens oorlog meer, overal is het rustig.’
Toen riep de engel: ‘Machtige Heer, u bent nu al zeventig jaar boos op Jeruzalem en de andere steden in Juda. Wanneer zult u weer laten zien dat u van ze houdt?’ De Heer stelde hem gerust met een vriendelijk antwoord.
Daarna kreeg ik een opdracht van de engel die alles uitlegde. Ik moest naar het volk toe gaan met een boodschap van de machtige Heer. Dit was zijn boodschap: ‘Ik houd veel van Jeruzalem en van de berg Sion, heel veel. Maar ik ben kwaad op de andere volken, heel kwaad. Want zij denken dat ze alles mogen. Ze zijn te hard geweest voor mijn volk. Harder dan mijn volk verdiende, en harder dan ik wilde.
Maar ik houd van mijn volk, en daarom kom ik terug naar Jeruzalem. Mijn tempel zal weer opgebouwd worden, en er komen weer nieuwe huizen in de stad.’
En dit moest ik ook nog zeggen namens de machtige Heer: ‘Het zal weer goed gaan in alle steden van Juda. De Heer zal de mensen op de berg Sion weer moed geven. En hij zal weer in Jeruzalem wonen.’
---
Mijn droom ging verder, en ik zag vier hoorns. Het waren hoorns van bokken. Ik vroeg aan de engel die alles uitlegde, wat dat betekende. En hij antwoordde: ‘Die hoorns zijn de machtige volken die het volk van Israël weggejaagd hebben uit Juda en Jeruzalem.’
Daarna zag ik vier mannen met hamers. Ik vroeg wat die kwamen doen, en de engel zei: ‘Die mannen komen de hoorns kapotslaan. Want de Heer zal de volken vernietigen die het volk van Israël weggejaagd hebben uit Juda. Ze hebben de Israëlieten onderdrukt en bang gemaakt, maar nu zullen ze zelf bang worden.’
Mijn droom ging verder, en ik zag een man met een stuk touw in zijn hand.
Ik vroeg aan die man waar hij heen ging, en hij zei: ‘Ik ga meten hoeveel land er nog bij Jeruzalem is. Want ik moet weten hoe groot de stad kan worden.’
Toen zag ik weer de engel die alles uitlegde. Er kwam een andere engel naar hem toe, die zei: ‘Ga snel naar die man met dat touw! En zeg tegen hem dat er geen muren om Jeruzalem heen mogen komen. Want dan wordt de stad te klein voor alle mensen en dieren die er komen wonen. De Heer zal zelf een muur om de stad zijn, een muur van vuur die de stad beschermt. Hij zal in de stad wonen, als een stralend licht. Dat heeft hij zelf gezegd.’
Daarna gaf de Heer mij een boodschap voor de Israëlieten die nog in Babylonië waren.
Dit was de boodschap van de Heer: ‘Ik heb jullie voorouders weggejaagd uit hun land, en jullie wonen zelf nog steeds in Babylonië. Maar nu moeten jullie daar weggaan! Kom terug naar Jeruzalem, want daar zullen jullie veilig zijn.
Ik zal jullie onderdrukkers straffen. Want wie jullie iets aandoet, doet mij iets aan. Ik zal hen straffen, en jullie zullen over hen heersen.’
De machtige Heer heeft mij zelf die boodschap gegeven. Als hij jullie onderdrukkers straft, zullen jullie begrijpen dat hij mij gestuurd heeft.
Ik kreeg nog een boodschap van de Heer: ‘Inwoners van Jeruzalem, wees blij en juich! Want ik, de Heer, kom weer terug naar jullie stad. En ik zal bij jullie blijven wonen. In die tijd zullen ook veel andere volken naar Jeruzalem komen om mij te vereren. En ook zij zullen bij mij horen.’
Als de machtige Heer terugkomt naar Jeruzalem, zullen jullie begrijpen dat hij mij naar jullie toe gestuurd heeft. Hij zal voor altijd in Juda wonen, in het heilige land. En Jeruzalem zal weer zijn stad zijn. De Heer zal uit de hemel komen, uit zijn heilige paleis. Als hij komt, moet iedereen stil zijn.
---
Daarna zag ik hogepriester Jozua staan. Tegenover hem stond een engel van de Heer, en naast hem stond Satan. Satan beschuldigde Jozua van slechte dingen. Maar de engel zei tegen Satan: ‘De Heer verbiedt je om te spreken! Want hij heeft Jozua zelf gered uit Babylonië. En hij heeft Jeruzalem uitgekozen als stad voor zijn tempel.’
Jozua had vuile kleren aan toen hij tegenover de engel stond. De engel gaf zijn dienaren opdracht om hem die kleren uit te trekken. En tegen Jozua zei hij: ‘Kijk, ik geef je schone, witte kleren. Dat is het teken dat de Heer al je schuld weggenomen heeft.’ Toen zei ik: ‘Jozua heeft ook een nieuwe tulband nodig.’
Daarna deden de dienaren Jozua schone, witte kleren aan, en ze zetten een nieuwe tulband op zijn hoofd. De engel van de Heer bleef erbij staan.
Toen zei de engel tegen Jozua: ‘Dit zegt de machtige Heer: ‘Als je leeft volgens mijn wetten en regels, dan mag je voor mijn tempel zorgen. En dan mag je mij dienen samen met mijn engelen.
Luister naar mij, hogepriester Jozua, samen met de andere priesters. Ik zal jullie een teken van de nieuwe toekomst geven: ik zal mijn dienaar sturen, een nieuwe koning uit de familie van David.
Ik zal ook een steen voor je neerleggen, Jozua, een steen waar zeven ogen op getekend staan. Ik, de machtige Heer, zal er zelf op schrijven. En ik zal in één dag de schuld van dit land wegnemen. Dan zal iedereen elkaar uitnodigen om samen in vrede te eten en te drinken.’’
---
Dit is de Bijbel in een Jaar podcast dag 247.
Een podcast van het NBG.
Morgen staat er een nieuwe aflevering voor je klaar.
Podcasts we love
Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.