Bijbel in een jaar
Bijbel in een jaar
Dag 354 - 1 Johannes 5 en Hooglied 5 tot en met 8
Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.
Vandaag lezen we 1 Johannes 5 en Hooglied 5 tot en met 8 uit de NBV21
🌟 Laat een review achter in jouw podcastapp!
📖 Lees mee via de app en houd je persoonlijke voortgang bij
🔎Ontdek nog meer manieren om mee te doen
📷Volg ons op Instagram
💡Schrijf je in voor tweewekelijkse Bijbelse inspiratie
❤️Lees meer over het Bijbelgenootschap
Je luistert naar het Bijbel in een jaar podcast van het NBG.
Dit is dag 354.
Vandaag lezen we 1 Johannes 5 en Hooglied 5 tot en met 8.
--
Iedereen die gelooft dat Jezus de hemelse Christus is, is een kind van God. En iedereen die God liefheeft, heeft ook de kinderen van God lief. Hoe weten we dat we Gods kinderen liefhebben? Doordat we God liefhebben en ons aan zijn regels houden. Want God liefhebben, betekent dat je je houdt aan zijn regels.
Het is voor ons niet moeilijk om ons aan Gods regels te houden. Want iedereen die een kind van God is, kan het kwaad van deze wereld overwinnen. We overwinnen het kwaad door ons geloof in Jezus Christus. Alleen mensen die geloven dat Jezus de Zoon van God is, kunnen het kwaad van deze wereld overwinnen.
Gods Zoon, Jezus Christus, is als mens op aarde gekomen. Het water waarmee hij gedoopt werd, is daarvan een bewijs. Maar het is niet het enige bewijs. Ook het bloed dat vloeide toen hij aan het kruis hing, is een bewijs. En de heilige Geest maakt ons duidelijk dat het waar is. Want de heilige Geest maakt de waarheid over Jezus bekend.
Er zijn dus drie getuigen van de waarheid over Jezus: de heilige Geest, het water van de doop en het bloed aan het kruis. En die drie getuigen vertellen allemaal hetzelfde over Jezus.
Als mensen spreken als getuigen, gaan we ervan uit dat ze de waarheid spreken. Dat geldt nog sterker als God zelf de getuige is. Wat God gezegd heeft over zijn Zoon, is dus de waarheid. Als we geloven in Gods Zoon, bewaren we Gods woorden in ons hart. Maar als we niet in de Zoon geloven, dan doen we alsof God een leugenaar is. Want dan geloven we niet wat God zelf gezegd heeft.
Dit is wat God gezegd heeft: God wil ons het eeuwige leven geven, en we krijgen dat eeuwige leven door zijn Zoon. Iedereen die verbonden blijft met de Zoon, krijgt het eeuwige leven. Maar wie niet verbonden blijft met de Zoon, krijgt het eeuwige leven niet.
Deze brief heb ik geschreven om jullie te laten weten dat jullie het eeuwige leven hebben. Want jullie geloven in de Zoon van God.
Als we bidden, mogen we vol vertrouwen zijn. Want God luistert naar ons als wij hem iets vragen dat past bij zijn wil.
We weten dus dat God naar ons luistert als we hem iets vragen. We hebben God gevraagd om ons het eeuwige leven te geven. En we kunnen er dus zeker van zijn dat hij ons dat gegeven heeft.
Als je ziet dat een andere gelovige zondigt, moet je voor hem bidden. Zo zorg je ervoor dat hij het eeuwige leven niet verliest. Dat geldt zolang het om een gewone zonde gaat. Maar niet als het om een zonde gaat waardoor iemand in de macht van de dood komt. Voor zo iemand hoef je niet te bidden. Want alle verkeerde daden zijn zonden, maar je komt niet door elke zonde in de macht van de dood.
Wij weten dat kinderen van God niet zondigen. Want een kind van God kan zichzelf tegen de zonde beschermen. Daardoor heeft de duivel geen macht over hem.
Wij weten dat we bij God horen, maar dat de hele wereld in de macht van de duivel is.
Wij weten dat Gods Zoon naar de wereld gekomen is. Hij heeft ons de ware God van dichtbij leren kennen. Wij zijn verbonden met de ware God omdat we verbonden zijn met zijn Zoon, Jezus Christus. Hij is de ware God, alleen bij hem is het eeuwige leven. Pas dus goed op, lieve vrienden, voor alle afgoden!
---
Ik ben al in je tuin,
mijn meisje, mijn bruid.
Ik pluk er geurige kruiden en planten,
ik eet er zoete honing
en drink er melk en wijn.
Laten we samen eten en drinken,
laten we genieten van de liefde!
Ik slaap, maar ik ben klaarwakker.
In mijn droom hoor ik hem.
Mijn liefste klopt op de deur.
‘Doe open,’ roept hij, ‘meisje van me, vriendin,
mijn duifje, niemand is zo mooi als jij!
Mijn hoofd is nog nat van de dauw,
mijn haren zijn vochtig van de nacht.’
Maar ik heb mijn hemd al uit,
moet ik het soms weer aandoen?
Ik heb mijn voeten al gewassen,
moet ik ze weer vuil maken?
Mijn liefste steekt zijn hand door de deur,
mijn hart klopt snel, ik verlang naar hem!
Ik spring op om open te doen.
Met vochtige handen open ik de deur,
geurige olie valt van mijn vingers.
Ik doe de deur open voor mijn liefste,
maar hij is weg, hij is verdwenen!
Ik weet niet wat ik moet doen.
Ik zoek hem, maar ik vind hem niet.
Ik roep hem, maar hij antwoordt niet.
De bewakers vinden mij,
de bewakers van de stad.
Ze slaan me, ze doen me pijn,
ze trekken de sluier van mijn hoofd.
Beloof me dit, meisjes van Jeruzalem:
Als jullie mijn liefste vinden,
weet je wat je dan zeggen moet?
Dat ik ziek ben van liefde!
Waarom moeten we jou dat beloven,
mooiste van alle vrouwen?
Waarom vraag je dat aan ons?
Wat maakt jouw liefste zo bijzonder?
Mijn vriend is stralend en schitterend,
hij is mooier dan alle andere jongens.
Zijn hoofd glanst, het lijkt wel van goud.
Zijn zwarte haren hebben mooie krullen.
Zijn ogen zijn zo zacht als de ogen van een duif,
een duif die bij een rivier zit,
of die zich wast in melk.
De wangen van mijn vriend ruiken heerlijk,
ze ruiken als een tuin vol kruiden.
Zijn lippen lijken op geurige lelies,
ze zijn vochtig van zoete olie.
Zijn armen zijn stevig.
Ze lijken wel van goud,
met prachtige edelstenen.
Zijn borst is zo sterk als ivoor,
met edelstenen versierd.
Zijn benen lijken op sterke zuilen
met voetstukken van goud.
Zijn lijf is lang en hij is groot,
zo groot als een boom op de Libanon-bergen.
Zijn mond is zoet,
ik vind alles aan hem mooi!
Zo is mijn liefste, zo is mijn vriend,
meisjes van Jeruzalem.
---
Mooiste van alle vrouwen,
waar is je liefste heen?
Waar is hij naartoe gegaan?
Kom, we gaan hem samen zoeken.
Mijn liefste is naar zijn tuin gegaan,
een tuin vol kruiden.
Daar wil hij graag zijn, om lelies te plukken.
Ik ben van mijn liefste,
en hij is van mij.
Hij wandelt tussen de bloeiende lelies.
Je bent zo mooi, vriendin van me,
je bent zo mooi als de stad Tirsa,
zo prachtig als de stad Jeruzalem.
Je bent zo sterk als de sterkste steden.
Kijk me niet zo aan,
je ogen maken me onzeker.
Je donkere haar hangt mooi over je schouders,
je zwarte krullen lijken op een kudde geiten
die van de berg af komt.
Je tanden zijn mooi wit,
zo wit als schapen
die net gewassen zijn, vlak voor het scheren.
De schapen komen twee aan twee,
er ontbreekt er niet één.
Ik zie je mond lachen, door je sluier heen.
Je mond lijkt op een rode vrucht.
Ook al zijn er zestig koninginnen,
ook al zijn er tachtig andere vrouwen
en ontelbaar veel meisjes,
er is er maar één zoals zij, mijn duifje.
Zij is de allermooiste!
Toen ze geboren werd,
maakte ze haar moeder zo gelukkig!
Alle meisjes vinden haar prachtig.
Alle vrouwen van de koning bewonderen haar.
Wie is die vrouw,
die licht geeft als de zon in de ochtend,
die zo helder is als de volle maan,
die zo stralend is als de zon?
Die zo bijzonder is,
en mooier dan alle andere vrouwen?
Ik ben naar de tuin gegaan,
de tuin met de notenbomen.
Ik wilde zien wat er groeit bij de rivier.
Ik wilde zien of de druivenplanten al blad krijgen
en of de bomen al bloeien.
Maar toen gebeurde er iets vreemds.
Het leek net alsof ik meegenomen werd in een wagen,
een wagen van de koning, en ik was de prins!
---
Dans, meisje uit Jeruzalem, dans!
We willen zien hoe mooi je danst.
Waarom willen jullie naar mij kijken,
als ik dans en ronddraai?
Wat zijn je voeten mooi, prinses,
je voeten in je sandalen.
Je heupen draaien mooi rond,
het lijkt wel het werk van een kunstenaar!
Je navel lijkt op een ronde schaal
die gevuld is met kruidige wijn.
Je buik lijkt op een zacht hoopje tarwe,
met lelies eromheen.
Je borsten lijken wel twee kalfjes,
of twee jonge herten.
Je hals lijkt op een toren van ivoor.
Je ogen lijken op de vijvers van de stad Chesbon,
de vijvers bij de poort van Bat-Rabbim.
Je neus lijkt op een toren op de Libanon-bergen,
waar je uitkijkt over de stad Damascus.
Je hoofd is zo hoog als de berg Karmel.
Om je hoofd krullen je glanzende haren,
die mij gevangen houden.
Wat ben je mooi,
wat ben je knap.
Je bent lief, zo lief!
Je bent zo slank als een palmboom,
je borsten lijken op druiventrossen.
Ik wil wel in die palmboom klimmen,
en me vasthouden aan zijn takken.
Ik wil je kussen en je liefde proeven met mijn lippen.
Want je adem is zo zoet als een appel,
je tong smaakt naar zoete wijn,
je borsten lijken op druiventrossen.
Ik ben van mijn liefste,
hij verlangt naar mij!
Kom, mijn liefste, laten we naar buiten gaan,
laten we slapen tussen de bloemen.
Laten we vroeg naar de wijngaard gaan.
Laten we kijken of de takken al groen worden
en de bloemen al bloeien.
Daar in de wijngaard zal ik je liefhebben.
Je ruikt de geur al van de liefdesbessen.
Boven de poorten hangen allerlei vruchten,
vers geplukt of goed gedroogd.
Ik heb ze voor jou bewaard!
---
Was je mijn kleine broertje maar,
dronk je nog maar aan de borst van mijn moeder!
Als ik je dan tegenkwam, ergens buiten,
dan zou ik je kussen,
en niemand zou dat verkeerd vinden.
Dan zou ik je veilig thuisbrengen,
zoals mijn moeder mij dat leerde.
Ik zou je kruidige wijn laten drinken
en het sap van een zoete vrucht.
Mijn hoofd ligt op zijn linkerarm,
met zijn rechterhand streelt hij me.
Beloof me, meisjes van Jeruzalem,
dat je ons alleen laat zijn in de liefde!
We willen met rust gelaten worden.
Wie is die vrouw die daar uit de woestijn komt,
aan de arm van haar liefste?
Onder de appelboom kuste ik je wakker.
Daar kreeg je moeder weeën,
daar werd jij geboren.
Vergeet mij niet,
draag mijn liefde als een ketting op je borst,
als een armband om je arm.
De liefde is zo sterk als de dood,
niemand houdt de liefde tegen.
De liefde lijkt op een vuur,
een vuur dat hevig brandt.
Geen zee of rivier kan dat vuur ooit blussen,
want de liefde houdt nooit op.
Zelfs de rijkste man kan de liefde niet kopen.
Al geeft hij al zijn geld,
hij wordt alleen maar uitgelachen.
Wij hebben een heel jong zusje,
een zusje dat nog geen borsten heeft.
Hoe kunnen we haar beschermen,
nu ze de leeftijd heeft om te trouwen?
Als ze een muur was,
dan bouwden we daar torens op.
Als ze een deur was,
dan maakten we op die deur een stevig slot.
Maar ik ben al een muur,
en mijn borsten zijn de torens.
Voor mijn vriend ben ik een veilige stad.
Salomo had een wijngaard in Baäl-Hamon.
Hij verkocht die wijngaard aan bewakers.
Daarvoor moesten ze veel geld betalen,
wel 1000 zilverstukken.
Maar ik verkoop mijn wijngaard niet,
nog voor geen 1000 zilverstukken.
Jij mag je geld houden, Salomo,
en de bewakers krijgen 200 zilverstukken.
Jij, mijn liefste, in je tuin,
mijn vrienden willen je stem graag horen,
maar ik wil je stem alleen voor mij!
Ga nu vlug weg, mijn liefste,
zo snel als een jong hert.
Spring over de bergen vol kruiden.
---
Dit is de Bijbel in een Jaar podcast dag 354.
Een podcast van het NBG.
Morgen staat er een nieuwe aflevering voor je klaar.
Podcasts we love
Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.