Bijbel in een jaar
Bijbel in een jaar
Dag 366 - Openbaring 20 tot en met 22
Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.
Gefeliciteerd je hebt het gehaald!
Vandaag lezen we Openbaring 20 tot en met 22 uit de NBV21.
🌟 Laat een review achter in jouw podcastapp!
📖 Lees mee via de app en houd je persoonlijke voortgang bij
🔎Ontdek nog meer manieren om mee te doen
📷Volg ons op Instagram
💡Schrijf je in voor tweewekelijkse Bijbelse inspiratie
❤️Lees meer over het Bijbelgenootschap
Je luistert naar het Bijbel in een jaar podcast van het NBG.
Dit is dag 366.
Vandaag lezen we Openbaring 20 tot en met 22.
Daarna zag ik uit de hemel een engel naar beneden komen. Hij had de sleutel van de hel in zijn hand, en een grote ketting. Hij greep de draak, de slang uit de oude tijd, die de mensen ook duivel of Satan noemen. En met de ketting bond hij hem voor duizend jaar vast. Hij gooide hem in de hel. En de put die in de hel uitkwam, deed hij dicht en op slot.
Zo kan de duivel duizend jaar lang de mensen op aarde niet verleiden. Maar daarna moet hij voor korte tijd vrijgelaten worden.
Ik zag ook tronen. Daarop zaten de zielen van de christenen die onthoofd waren omdat ze over God en Jezus gesproken hadden. Zij hadden het beest en zijn beeld niet vereerd. En zij hadden het teken van het beest niet op hun voorhoofd of hand gedragen. Ze waren weer levend geworden. Samen met Christus heersten ze als koningen en rechters, duizend jaar lang.
Dat is de eerste opstanding. Gelukkig en heilig zijn de mensen die de eerste opstanding meemaken! Want zij zullen geen tweede keer sterven, en niet voor eeuwig lijden in het vuur. In plaats daarvan zullen ze priesters zijn van God en van Christus. Duizend jaar lang zullen ze samen met Christus als koningen heersen.
Pas na die duizend jaar worden de andere doden weer levend.
Wanneer de duizend jaar voorbij zijn, zal God de duivel vrijlaten uit zijn gevangenis. De duivel zal dan naar de vier hoeken van de aarde gaan. Hij zal de volken die daar wonen, verleiden om oorlog te voeren tegen God. Die volken worden ook wel Gog en Magog genoemd. Ze zijn met net zo veel mensen als er zand is bij de zee. Van alle kanten zullen ze bij elkaar komen voor de strijd. Ze zullen het kamp van Gods volk en de stad die hij liefheeft, omsingelen. Maar het zal vuur regenen uit de hemel, en dat zal hen vernietigen.
Dan zal de duivel die hen verleidde, in de zee van vuur en giftig gas gegooid worden. En daar zal hij samen met het beest en de valse profeet voor eeuwig lijden.
Daarna zag ik een grote witte troon, en op die troon zat God. De aarde en de hemel vluchtten voor hem weg. Ze verdwenen voor altijd.
Voor de troon van God stonden alle mensen die gestorven waren, belangrijke en onbelangrijke mensen. Ze waren teruggehaald uit het land van de dood. Ook de zee had de mensen teruggegeven die verdronken waren.
Er werden boeken opengedaan waarin de goede en slechte daden van mensen opgeschreven stonden. En alle doden werden beoordeeld op hun daden.
Ook het boek van het leven werd geopend. Iedereen die niet met zijn naam in dat boek stond, werd in de zee van vuur gegooid. Die vuurzee wordt ‘de tweede dood’ genoemd. Ook de dood en het land van de dood verdwenen daarin.
Toen zag ik een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. De hemel en de aarde van vroeger waren verdwenen, en ook de zee was er niet meer.
Ik zag uit de hemel een heilige stad naar beneden komen, het nieuwe Jeruzalem. Die stad kwam bij God vandaan. Ze leek op een bruid die zich mooi gemaakt heeft voor haar bruidegom.
Uit de richting van de troon hoorde ik een luide stem, die zei: ‘Nu is God zelf op aarde. Vanaf nu zal hij bij de mensen wonen. De mensen zullen zijn volk zijn, en hij zal hun God zijn. Hij zal al hun tranen drogen. Niemand zal meer sterven, en er zal geen verdriet en geen pijn meer zijn. Want alles van vroeger is verdwenen.’
God, die op zijn troon zat, zei: ‘Ik maak alles nieuw.’
Hij zei tegen mij: ‘Schrijf op wat ik zeg. Want mijn woorden zijn betrouwbaar en waar.’
Toen zei hij: ‘Alles is nu voorbij. Ik ben het begin en het einde. Mensen die dorst hebben, geef ik te drinken. Ik geef ze water dat eeuwig leven geeft. Mensen die het kwaad overwinnen, zullen het eeuwige leven krijgen. Want zij zullen mijn kinderen zijn, en ik zal hun God zijn.
Maar mensen die ontrouw aan mij zijn en niet moedig volhouden, die sterven een tweede keer. Die zullen eeuwig moeten lijden in de zee van vuur en giftig gas. Net als alle leugenaars en moordenaars, net als mensen die verboden seks hebben, mensen die aan toverkunst doen, en mensen die andere goden vereren.’
Toen kwam er een engel naar me toe. Het was één van de zeven engelen die de schalen droegen met de zeven laatste straffen van God. Hij zei: ‘Kom! Ik zal je de bruid laten zien, de vrouw van het lam.’
In een droom bracht de engel mij naar de top van een heel hoge berg. Daar liet hij mij de heilige stad Jeruzalem zien. De stad kwam vanuit de hemel naar beneden. Ze kwam bij God vandaan, en straalde met Gods licht, als een prachtige groene edelsteen.
Rondom de stad was een grote, hoge muur met twaalf poorten. Bij elke poort stond een engel. Op de poorten waren namen geschreven, de namen van de twaalf stammen van Israël.
De stad had aan elke kant drie poorten: drie aan de oostkant, drie aan de zuidkant, drie aan de noordkant en drie aan de westkant. En de muur rondom de stad was gebouwd op twaalf grote blokken steen. Daarop stonden de namen geschreven van de twaalf apostelen van het lam.
De engel die met mij sprak, had een gouden meetstok om de stad, de poorten en de muur op te meten. Eerst werd de stad opgemeten. De stad was vierkant, even lang als breed: 2400 kilometer lang en 2400 kilometer breed, en ook 2400 kilometer hoog. Daarna werd de muur opgemeten. Die was 66 meter hoog. Voor het meten gebruikte de engel de maten die mensen ook gebruiken.
De stad was helemaal van goud gemaakt, zo zuiver en glanzend als glas. De muur eromheen was van groene edelstenen, en gebouwd op twaalf grote blokken steen. Die blokken waren allemaal versierd met verschillende edelstenen, elk blok met een andere soort.
De poorten in de muur waren gemaakt van twaalf grote parels, elke poort was gemaakt van één parel. En de straten waren van zuiver, glanzend goud.
Ik zag geen tempel in de stad. Want daar is geen tempel nodig. De Heer, de machtige God, is zelf in de stad, samen met het lam. De stad heeft ook het licht van de zon en de maan niet nodig. Want over de stad schijnt een stralend licht, het licht van God en van het lam. De volken op aarde zullen leven in dat licht. En de koningen van de wereld zullen geschenken naar de stad brengen.
De poorten van de stad zullen altijd openstaan, want het wordt nooit meer nacht. Door de poorten zullen kostbare schatten van alle volken worden binnengebracht. Maar mensen of dingen die slecht zijn, mogen de stad niet in. Mensen die leugens vertellen, en mensen die verkeerd leven, mogen niet naar binnen. Er mogen alleen mensen naar binnen die met hun naam in het boek van het leven staan, in het boek van het lam.
De engel liet me ook een rivier zien met water dat eeuwig leven geeft. Het water was zo helder als kristal. Het stroomde uit de troon van God en van het lam, dwars door de stad. Aan beide kanten van de rivier stond een boom die eeuwig leven geeft. Die bomen gaven elk jaar twaalf keer vruchten, elke maand een keer. En hun bladeren konden mensen genezen.
De stad zal veilig zijn, God zal de stad nooit straffen. De troon van God en het lam zal er staan, en God zal er vereerd worden door zijn dienaren. Zij zullen hem zien, en op hun voorhoofd zal zijn naam geschreven staan.
Er zal geen nacht meer zijn. De dienaren van God zullen het licht van een lamp of van de zon niet meer nodig hebben. Want God, de Heer, zal hun licht zijn. Ze zullen samen met God voor altijd en eeuwig regeren.
Toen zei Jezus Christus tegen mij: ‘Alles wat je gehoord hebt, is betrouwbaar en waar. God, de Heer, bepaalt wat zijn profeten vertellen. En hij heeft zijn engel gestuurd om aan zijn dienaren te laten zien wat er binnenkort gaat gebeuren. Want het duurt niet lang meer voordat ik kom.’
Gelukkig zijn dus de mensen die doen wat er in dit boek staat!
Ik, Johannes, heb alles wat er in dit boek staat, zelf gehoord en gezien. Een engel heeft het aan mij laten zien. Toen hij me alles had laten zien, knielde ik om hem te eren. Maar hij zei: ‘Doe dat niet! Kniel alleen voor God. Want ik ben maar een dienaar, net zoals jij en de andere christenen die profeten zijn. En net zoals alle mensen die doen wat er in dit boek staat.’
Hij zei ook: ‘Houd de inhoud van dit boek niet geheim. Want het duurt niet lang meer voordat alles wat erin staat, gaat gebeuren!
Iedereen die verkeerde dingen doet, zal nog meer verkeerde dingen doen. Iedereen die slecht is, wordt nog slechter. Maar iedereen die goede dingen doet, zal nog meer goede dingen doen. En iedereen die heilig is, zal nog heiliger worden.’
Jezus zegt: ‘Luister, ik kom snel! En ik zal aan iedereen geven wat hij verdient. Ik ben het begin en het einde. Ik ben de eerste en de laatste.
Gelukkig zijn de mensen die ervoor kiezen om mij trouw te blijven. Want zij mogen eten van de boom die eeuwig leven geeft. En zij mogen in hun witte kleren de stad binnengaan. Maar slechte mensen moeten buiten blijven. Dat zijn de mensen die verboden seks hebben, moordenaars, leugenaars, mensen die aan toverkunst doen, en mensen die andere goden vereren. Al die mensen komen de stad niet in.’
Jezus zegt: ‘Ik heb mijn engel naar je toe gestuurd om deze dingen aan de christenen bekend te maken. Ik ben de nakomeling van David. Ik ben de stralende morgenster!’
De heilige Geest en de bruid zeggen tegen Jezus: ‘Kom!’ Ook iedereen die dit hoort, moet roepen: ‘Kom!’
Iedereen die dorst heeft, mag komen. Iedereen die wil, mag zomaar komen drinken van het water dat eeuwig leven geeft.
Tegen iedereen die hoort wat er in dit boek over de toekomst staat, zeg ik: Voeg niets toe aan dit boek. Als je dat toch doet, zal God je straffen zoals in dit boek beschreven staat. Haal ook niets weg uit dit boek. Als je dat toch doet, krijg je niet de beloning die in dit boek beschreven staat. Je mag dan de heilige stad niet in, en je mag ook niet eten van de boom die eeuwig leven geeft.
Jezus Christus heeft de plannen van God bekendgemaakt. Hij zegt: ‘Ik zal snel komen!’
Ja, kom, Heer Jezus!
Ik wens jullie toe dat de Heer Jezus Christus goed voor jullie is.
---
Dit is de Bijbel in een Jaar podcast dag 366.
Een podcast van het NBG.
Morgen staat er een nieuwe aflevering voor je klaar.
Podcasts we love
Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.