Bijbel in een jaar

Dag 11 - 2026 - Genesis 30-32, Psalm 56

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap Season 2026 Episode 13

Vandaag lezen we Genesis 30-32 en Psalm 56 uit de NBV21.

🌟 Laat een review achter in jouw podcastapp!
📖 Lees mee via de app en houd je persoonlijke voortgang bij
🔎Ontdek nog meer manieren om mee te doen
📷Volg ons op Instagram
💡Schrijf je in voor tweewekelijkse Bijbelse inspiratie
❤️Lees meer over het Bijbelgenootschap

Je luister naar het Bijbel in een jaar podcast van het NBG.
Dit is dag 11.
Vandaag lezen we Genesis 30-32, Psalm 56.

Genesis 30
Omdat Rachel geen kinderen kreeg, werd ze jaloers op Lea. Ze zei tegen Jakob: ‘Geef me toch kinderen! Anders ga ik dood!’ Jakob werd boos op Rachel. Hij zei: ‘Ik ben God toch niet? Hij heeft ervoor gezorgd dat je geen kinderen krijgt.’
Toen zei Rachel: ‘Ik geef je mijn slavin Bilha. Slaap met haar. Dan kan zij een kind voor mij krijgen.’ Ze stuurde Bilha naar Jakob. Bilha werd Jakobs vrouw, en hij sliep met haar. Bilha werd zwanger en kreeg een zoon. Rachel zei: ‘God heeft naar me geluisterd en mij gelijk gegeven. Hij heeft me een zoon gegeven.’ Ze noemde het kind Dan.
Bilha, de slavin van Rachel, werd opnieuw zwanger en kreeg weer een zoon van Jakob. Rachel zei: ‘Mijn zus en ik hebben hard gevochten om liefde. En ik heb gewonnen.’ Ze noemde het kind Naftali.
Lea merkte dat zij geen kinderen meer kreeg. Daarom stuurde ze haar slavin Zilpa naar Jakob, en Zilpa werd zijn vrouw. Zij kreeg voor Lea een zoon van Jakob. Lea zei: ‘Wat een geluk heb ik!’ Ze noemde het kind Gad.
Zilpa kreeg nog een zoon van Jakob. Toen zei Lea: ‘Nu ben ik gelukkig! Alle vrouwen zullen vinden dat ik gelukkig ben.’ Ze noemde het kind Aser.
Het was de tijd dat het koren van het land gehaald werd. Ruben was op het land en hij vond daar liefdesbessen. Die bracht hij bij zijn moeder, bij Lea.
Rachel zei tegen Lea: ‘Geef mij er ook een paar!’ Maar Lea zei: ‘Je hebt mijn man afgepakt. Dat is al erg genoeg! Wil je nu ook nog de liefdesbessen van mijn zoon hebben?’ Rachel zei: ‘Als ik er een paar krijg, mag jij vannacht nog eens met Jakob slapen.’
Toen Jakob thuiskwam van het land, ging Lea naar hem toe. Ze zei: ‘Je slaapt vannacht bij mij! Ik heb je gekocht met de liefdesbessen van mijn zoon.’ Dus sliep Jakob die nacht met Lea.
God zorgde ervoor dat Lea opnieuw zwanger werd. Lea kreeg voor de vijfde keer een zoon van Jakob. Ze zei: ‘God beloont mij, omdat ik Zilpa als vrouw aan Jakob gegeven heb.’ Ze noemde het kind Issachar.
Lea werd nog een keer zwanger en kreeg een zesde zoon. Ze zei: ‘God heeft mij een mooi geschenk gegeven. Nu zal mijn man mij de belangrijkste vinden. Want ik heb hem zes zonen gegeven.’ Ze noemde het kind Zebulon.
Daarna kreeg Lea een dochter. Die noemde ze Dina.
Maar God dacht ook aan Rachel. Hij zorgde ervoor dat ze zelf kinderen kreeg. Rachel werd zwanger en kreeg een zoon. Ze zei: ‘God heeft ervoor gezorgd dat ik me niet meer hoef te schamen.’ Ze noemde het kind Jozef, en ze zei: ‘Ik hoop dat God me nog een zoon geeft.’
Na de geboorte van Jozef zei Jakob tegen Laban: ‘Ik wil graag teruggaan naar het land waar ik vandaan kom. U weet hoe hard ik voor u gewerkt heb. Ik heb mijn vrouwen met werken verdiend. Geef me nu mijn vrouwen en mijn kinderen mee. Dan ga ik.’ Maar Laban zei: ‘Blijf alsjeblieft hier. Want de Heer heeft mij heel rijk gemaakt, en dat komt doordat jij hier bent. Dat heb ik wel begrepen. Zeg maar wat je wilt verdienen. Ik zal het je betalen.’
Jakob zei: ‘U weet hoe hard ik voor u gewerkt heb. En hoe goed ik voor uw dieren gezorgd heb. Voordat ik kwam, had u nog maar weinig dieren. Maar nu hebt u een enorme kudde. De Heer heeft u dus heel rijk gemaakt nadat ik bij u gekomen ben. Maar nu wordt het tijd dat ik voor mezelf ga werken.’
Laban zei: ‘Zeg maar wat ik je moet geven.’
‘U hoeft me niets te geven,’ zei Jakob. ‘Maar ik stel het volgende voor. Ik zal voor uw schapen en geiten blijven zorgen. Maar ik zal vandaag alle bijzondere dieren uit de kudde halen: alle schapen die zwart zijn en alle geiten die gevlekt zijn. Die zijn voor mij, dat is mijn loon. Ik zal het eerlijk doen. Kom dat later maar controleren. Als u dan een wit schaap ziet of een geit die niet gevlekt is, dan ben ik een dief.’
‘Goed,’ zei Laban. ‘Zo doen we het.’
Maar nog diezelfde dag ging Laban zelf naar de kudde. Hij haalde alle zwarte schapen weg, en alle gevlekte geiten. Die dieren gaf hij aan zijn zonen mee. Hij stuurde zijn zonen met de dieren een eind verderop, wel drie dagen lopen.
Jakob moest voor de andere dieren zorgen.
Toen haalde Jakob takken van bomen met wit hout. Hij haalde stukken van de schors van die takken af. Zo werden het gestreepte takken. Die takken zette hij in de drinkbakken van de geiten. Als de dieren kwamen drinken, gingen ze paren. En de geiten die bij de takken paarden, kregen gestreepte en gevlekte jongen.
De schapen zette Jakob apart. Hij zette ze bij het paren met hun kop naar de zwarte en gevlekte dieren van Laban. Zo kreeg hij allemaal zwarte en gevlekte dieren. Dat werd zijn eigen kudde. Hij hield zijn kudde apart van Labans dieren.
Het werd een sterke kudde. Want telkens als er sterke dieren gingen paren, legde Jakob de gestreepte takken in de drinkbakken. Maar bij zwakke dieren deed hij dat niet. Zo kreeg Laban een kudde zwakke dieren, en Jakob een kudde sterke dieren.
Jakob werd steeds rijker. Hij had heel veel schapen en geiten. Maar ook veel kamelen en ezels, en veel slaven en slavinnen.

Genesis 31
Op een keer hoorde Jakob dat er over hem gepraat werd. De zonen van Laban zeiden tegen elkaar: ‘Jakob is wel heel rijk. Maar alles wat hij heeft, komt van onze vader.’
Jakob merkte ook dat Laban niet meer zo vriendelijk tegen hem was als vroeger. Toen zei de Heer tegen Jakob: ‘Ga nu terug naar je familie in het land waar je geboren bent. Ik zal bij je zijn.’
Jakob liet Rachel en Lea roepen. Ze kwamen naar het veld, waar hij bij de dieren was. Jakob zei: ‘Ik merk dat jullie vader niet meer zo vriendelijk tegen me is als vroeger. Gelukkig word ik geholpen door de God van mijn vader. Jullie weten dat ik heel hard voor jullie vader gewerkt heb. Toch heeft jullie vader mij bedrogen. Steeds beloofde hij mij iets als loon voor mijn werk. En steeds gaf hij iets anders dan hij beloofd had. Dat is wel tien keer gebeurd. Maar toch bleef het goed met mij gaan. Daar zorgde God voor.
Jullie vader zei dat ik de gevlekte dieren zou krijgen. Toen werden er alleen maar gevlekte dieren geboren. Later zei hij weer dat alle gestreepte dieren voor mij waren. Toen werden er alleen maar gestreepte dieren geboren. Zo heeft God alle dieren van jullie vader aan mij gegeven.’
Jakob zei verder: ‘Op een keer kreeg ik een droom. Dat was in de tijd dat de dieren gingen paren. In mijn droom waren de bokken die met de geiten gingen paren, allemaal gevlekt of gestreept. Een engel van God riep toen: ‘Jakob!’ Ik zei: ‘Ja, ik luister.’ En toen zei hij: ‘Je ziet wel dat alle bokken gestreept of gevlekt zijn. Daar heb ik voor gezorgd. Want ik weet hoe Laban je behandelt.
Ik ben de God van Betel. Daar heb je toen een steen rechtop gezet. Je hebt olie over de steen gegoten. En je hebt daar beloofd om mij te danken. Nu moet je teruggaan naar het land waar je geboren bent.’’
Toen zeiden Rachel en Lea tegen Jakob: ‘Wij willen niet thuis bij onze vader blijven. We hoeven niets meer van hem te verwachten. Hij heeft ons als vreemden behandeld. Hij heeft ons verkocht en al ons geld opgemaakt. Want alle bezittingen van onze vader waren ook van ons en van onze kinderen. En God heeft alles aan jou gegeven. Doe dus wat God tegen je gezegd heeft.’
Toen maakte Jakob zich klaar om op reis te gaan. Hij zette zijn kinderen en zijn vrouwen op de kamelen. Hij verzamelde al zijn dieren en alles wat hij verder in Paddan-Aram verdiend had. Toen ging hij op weg naar zijn vader Isaak in Kanaän.
Laban was niet thuis. Hij was naar de kudde om de schapen te scheren. Toen nam Rachel in het geheim de godenbeeldjes van haar vader mee. En Jakob ging in het geheim weg, zonder iets tegen Laban te zeggen. Hij vluchtte met alles wat hij had. Hij stak de rivier de Eufraat over en vluchtte naar het bergland van Gilead.
Twee dagen later hoorde Laban dat Jakob gevlucht was. Hij ging Jakob achterna, en een deel van zijn familie ging met hem mee. Na een week kwamen ze in het bergland van Gilead. Ze waren daar dicht bij Jakob. Toen zei God in een droom tegen Laban: ‘Denk erom dat je Jakob geen kwaad doet!’
Laban haalde Jakob in. Jakob had zijn tenten opgezet in het bergland van Gilead, en Laban en zijn familie deden dat ook. Laban zei tegen Jakob: ‘Wat heb je gedaan? Je bent niet eerlijk geweest. Je hebt mijn dochters meegenomen alsof het gevangenen zijn. Waarom ben je stiekem gevlucht? Waarom heb je dingen van me gestolen? Waarom heb je me niets verteld? Ik had afscheid van je willen nemen. Dan hadden we muziek gemaakt en gezongen. Nu heb ik niet eens mijn dochters en kleinkinderen kunnen kussen. Wat is dat allemaal onverstandig van je!’
Laban ging verder: ‘Ik zou je nu makkelijk kwaad kunnen doen. Maar de God van je vader heeft vannacht tegen mij gezegd: ‘Denk erom dat je Jakob geen kwaad doet!’ Ik begrijp wel dat je heel erg naar je familie verlangt. Maar waarom heb je mijn godenbeeldjes gestolen?’
Jakob antwoordde: ‘Ik was bang. Ik dacht dat u uw dochters niet met mij mee zou laten gaan. Maar die godenbeeldjes heb ik niet meegenomen! Als u die bij iemand vindt, zal die persoon sterven! Ga maar zoeken of ik iets van u heb. En neem dat mee.’ Jakob wist niet dat Rachel de beeldjes gestolen had.
Laban zocht in de tent van Jakob, in de tent van Lea en in de tent van de slavinnen. Maar hij vond de beeldjes niet. Toen ging hij naar Rachels tent. Rachel had de beeldjes verstopt onder het zadel van een kameel. Daarna was ze op het zadel gaan zitten. Laban zocht overal in haar tent. Maar hij vond de beeldjes niet. Rachel zei: ‘Neem me niet kwalijk dat ik blijf zitten. Ik ben ongesteld.’ Laban zocht en zocht. Maar hij vond de beeldjes nergens.
Toen werd Jakob kwaad. Hij begon boos tegen Laban te praten: ‘Wat heb ik eigenlijk verkeerd gedaan? U achtervolgt me of ik een misdadiger ben. U hebt tussen al mijn spullen gezocht naar dingen die van u zijn. En hebt u iets gevonden? Leg het hier maar neer, laat het maar zien. En laat onze familie maar zeggen wie van ons gelijk heeft.
Ik ben twintig jaar bij u geweest. De schapen en de geiten kregen al die tijd gezonde jongen. Ik heb nooit het vlees van een dier uit uw kudde opgegeten. Als er een schaap door een leeuw gedood was, heb ik het zelf betaald. Ook als er overdag of ’s nachts een dier gestolen was, heb ik het u betaald.
Ik heb het niet makkelijk gehad. Overdag had ik last van de warmte, en ’s nachts van de kou. Vaak kon ik niet slapen. Twintig jaar heb ik bij u gewerkt. Veertien jaar om uw dochters te krijgen. En nog eens zes jaar om schapen en geiten te verdienen. U hebt mijn loon wel tien keer veranderd. Al die tijd hielp de God van Abraham mij, de God voor wie mijn vader Isaak zo veel eerbied heeft. Anders had u mij nog met lege handen weggestuurd. Maar God zag hoe moeilijk ik het had en hoe hard ik werkte. Hij heeft mij vannacht gelijk gegeven. Daarom heeft hij gezegd dat u mij geen kwaad mag doen.’
Laban zei: ‘Dit zijn mijn dochters, mijn kleinkinderen, mijn schapen en geiten. Alles wat je hier ziet, is van mij. Natuurlijk doe ik mijn dochters en kleinkinderen geen kwaad! Kom, laten we afspreken dat we geen ruzie meer maken. En laten we iets zoeken dat ons herinnert aan onze afspraak.’
Toen pakte Jakob een grote steen en zette die rechtop. Jakob zei tegen zijn familie: ‘Haal nog meer stenen!’ Dat deden ze. Ze stapelden de stenen op elkaar. En bij die stenen gingen ze met elkaar eten.
Laban noemde die berg stenen in zijn taal Jegar-Sahaduta. Jakob noemde hem Gal-Ed. Maar hij wordt ook Mispa genoemd. Laban zei: ‘Deze berg stenen herinnert ons aan de afspraak tussen jou en mij. De Heer zal op ons letten als we niet bij elkaar zijn. God ziet het als jij mijn dochters niet goed behandelt. Of als je andere vrouwen neemt, van wie je meer houdt dan van mijn dochters.
Stel je voor dat we met slechte bedoelingen naar elkaar toe gaan. Dan stoppen we bij deze grote steen en bij deze berg stenen. Want dan herinneren we ons deze afspraak. Als we nog eens ruzie hebben, laten we God beslissen. De God van Abraham en van Nachor en van hun voorouders zal beoordelen wie van ons gelijk heeft.’
Jakob zei: ‘Dat spreken we af. Zo zeker als God leeft! De God voor wie Isaak zo veel eerbied heeft.’ Toen bracht Jakob daar in de bergen een offer aan God. Hij hield een feestmaal met zijn familie. En ze bleven daar nog een nacht slapen.

Genesis 32
De volgende ochtend stond Laban vroeg op. Hij kuste zijn dochters en zijn kleinkinderen, en wenste hun veel geluk. Daarna ging hij terug naar huis.
Jakob en zijn mensen gingen weer verder. Onderweg stond er opeens een groep engelen voor hem. Jakob riep: ‘Dat is een leger van God!’ De plek waar hij de engelen gezien had, noemde hij Machanaïm.
Daarna stuurde Jakob een paar mannen vooruit, naar zijn broer Esau. Die woonde in Seïr, in Edom. Jakob zei tegen zijn mannen: ‘Ga naar Esau, en wees heel beleefd tegen hem. Zeg hem dat ik een tijd bij Laban gewoond heb en nu naar hem toe kom. Vertel hem dat ik veel koeien heb, en ezels, schapen en geiten, en ook veel slaven en slavinnen. Ik wil weten of hij vriendelijk tegen me zal zijn.’
Toen de mannen weer bij Jakob terugkwamen, zeiden ze: ‘We zijn bij uw broer Esau geweest. Hij komt hiernaartoe, en hij heeft vierhonderd mannen bij zich.’
Jakob schrok. Hij werd heel bang. Hij verdeelde zijn mensen in twee groepen. Ook de schapen, geiten, koeien en kamelen verdeelde hij in twee groepen. Want hij dacht: Als Esau de ene groep aanvalt en doodt, dan kan de andere groep nog vluchten.
Toen bad hij: ‘Heer, God van mijn grootvader Abraham, God van mijn vader Isaak. Ik moest teruggaan naar mijn familie en naar het land waar ik geboren ben. Dat hebt u zelf tegen mij gezegd. En u hebt gezegd dat u goed voor me zou zorgen.
Ook al ben ik het niet waard, toch bent u steeds goed voor me geweest. U hebt altijd trouw voor me gezorgd. Want op de heenreis, toen ik de Jordaan overstak, had ik alleen maar een stok. En nu heb ik zelfs twee grote groepen mensen en dieren.
Help mij nu ook. Red mij van Esau! Ik ben bang dat hij mij aanvalt. En dat hij iedereen doodt, ook de vrouwen en de kinderen. Maar u hebt toch beloofd dat u voor me zou zorgen? En dat ik heel veel nakomelingen zou krijgen, net zo veel als er zand is bij de zee?’ Die nacht bleef Jakob in Machanaïm slapen.
De volgende dag zette Jakob een deel van zijn dieren apart: tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd schapen en twintig rammen, dertig kamelen met hun jongen, veertig koeien en tien stieren, en ten slotte nog tien ezels en twintig ezelinnen. Die dieren wilde Jakob aan Esau geven.
Bij elke groep dieren zette hij iemand als bewaker. En hij zei tegen de bewakers: ‘Jullie moeten voor mij uit gaan. Maar elke groep moet afstand houden van de groep ervoor.’
Tegen de man bij de eerste groep zei Jakob: ‘Je zult mijn broer Esau tegenkomen. Hij zal vragen bij wie je hoort, waar je naartoe gaat en van wie die dieren zijn. Dan moet je heel beleefd zeggen dat je bij mij hoort. Vertel hem dat hij deze dieren van mij krijgt. En dat ik er zelf ook aan kom.’
Tegen de mannen bij de tweede en de derde groep zei Jakob hetzelfde. En ook tegen de mannen bij de andere groepen dieren zei hij: ‘Jullie moeten hetzelfde zeggen als je Esau tegenkomt. En ook jullie moeten heel beleefd zeggen dat ik zelf achter jullie aan kom.’
Jakob dacht: Ik hoop dat Esau niet meer boos is, als ik hem zo veel dieren geef. Dan durf ik hem wel te ontmoeten. Want dan is hij misschien vriendelijk tegen me.
De mannen met de geschenken gingen vooruit. Jakob zelf bleef die nacht nog op de plek waar hij was.
Het was nog nacht toen Jakob opstond. Hij riep zijn twee vrouwen, zijn twee slavinnen en zijn elf kinderen. Hij ging met ze naar de rivier de Jabbok, naar een ondiep gedeelte. Daar bracht hij ze naar de overkant. Daarna bracht hij ook al zijn bezittingen naar de overkant.
Jakob bleef alleen achter. Opeens was er iemand die met hem begon te vechten. Ze vochten totdat het ochtend werd. Toen de onbekende man merkte dat hij niet van Jakob kon winnen, raakte hij Jakobs heup aan. De heup schoot uit de kom.
De onbekende zei: ‘Laat me gaan. Het begint al dag te worden.’ Maar Jakob zei: ‘Ik laat u niet gaan. Eerst moet u mij zegenen.’
De ander vroeg: ‘Hoe heet je?’ Jakob zei: ‘Ik heet Jakob.’ De ander zei: ‘Voortaan heet je niet meer Jakob, maar Israël. Je hebt gevochten met God en met mensen. En je hebt gewonnen.’
Toen zei Jakob: ‘Vertel nu hoe u heet.’ Maar de ander zei: ‘Waarom vraag je hoe ik heet?’ Daarna zegende hij Jakob.
Jakob noemde die plaats Peniël. Hij zei: ‘Hier heb ik God gezien, met mijn eigen ogen. En toch ben ik blijven leven.’ Toen kwam de zon op. Jakob stak de rivier over bij Peniël. Hij liep moeilijk, omdat zijn heup pijn deed.
De Israëlieten eten nog steeds geen vlees van de heup van een dier. Want dat is de plek waar Jakob geraakt was.

----


Dit is de Bijbel in een Jaar podcast dag 11.
Een podcast van het NBG.
Morgen staat er een nieuwe aflevering voor je klaar.

Podcasts we love

Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.

Dagvers - Dé dagelijkse Bijbelpodcast Artwork

Dagvers - Dé dagelijkse Bijbelpodcast

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap