Bijbel in een jaar

Dag 12 - 2026 - Genesis 33-36, Psalm 120

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap Season 2026 Episode 14

Vandaag lezen we Genesis 33-36 en Psalm 120 uit de NBV21.

🌟 Laat een review achter in jouw podcastapp!
📖 Lees mee via de app en houd je persoonlijke voortgang bij
🔎Ontdek nog meer manieren om mee te doen
📷Volg ons op Instagram
💡Schrijf je in voor tweewekelijkse Bijbelse inspiratie
❤️Lees meer over het Bijbelgenootschap

Je luistert naar het Bijbel in een jaar podcast van het NBG.
Dit is dag 12.
Vandaag lezen we Genesis 33-36 en Psalm 120.   

Genesis 33-36.
Plotseling zag Jakob dat Esau eraan kwam met zijn vierhonderd mannen. Jakob stuurde alle kinderen naar hun eigen moeder. Hij zette de slavinnen met hun kinderen vooraan. Daarachter zette hij Lea met haar kinderen. Helemaal achteraan zette hij Rachel met Jozef. Zo gingen ze Esau tegemoet. Jakob liep voorop, terwijl hij zeven keer een diepe buiging maakte.
Maar Esau rende hem tegemoet. Hij omhelsde Jakob en kuste hem. En ze huilden allebei.
Toen keek Esau om zich heen. Hij zag de vrouwen en de kinderen, en hij vroeg: ‘Wie zijn dat?’ ‘Dat zijn de kinderen die God mij gegeven heeft,’ zei Jakob.
De slavinnen kwamen met hun kinderen dichterbij. Ze maakten een diepe buiging. Ook Lea en haar kinderen kwamen dichterbij en bogen diep. En ten slotte kwamen Jozef en Rachel, en ook zij maakten een buiging.
Daarna vroeg Esau: ‘Wat is de bedoeling van al die groepen dieren die ik onderweg tegenkwam?’ Jakob zei heel beleefd: ‘Dat is een geschenk voor jou, Esau. Daarmee wilde ik je in een vriendelijke stemming brengen.’ Esau zei: ‘Ik heb genoeg, broer. Houd jij alles maar.’
Maar Jakob zei: ‘Nee, neem het alsjeblieft aan! Ik was bang om je te zien, net als iemand die met eigen ogen God ziet. Maar je hebt me hartelijk ontvangen. Neem toch de dieren aan die ik je gestuurd heb. God is goed voor mij geweest. Ik heb alles wat ik nodig heb.’
Jakob bleef dat maar herhalen. Ten slotte nam Esau het geschenk aan.
Esau zei: ‘Laten we verdergaan. Mijn mannen en ik reizen met je mee.’ Maar Jakob zei: ‘Esau, je weet dat kinderen niet zo sterk zijn. En ik heb ook kalfjes en andere jonge dieren bij me. Als die te snel moeten lopen, gaan ze na één dag al dood. Ga jij maar alvast verder. Ik kom rustig achter je aan. Dan kan ik rekening houden met de kinderen en de dieren. En dan zien we elkaar in Seïr.’
Esau zei: ‘Laat dan in ieder geval een paar van mijn mannen met je meegaan.’ ‘Dat is niet nodig,’ zei Jakob. ‘Het is genoeg dat je zo vriendelijk tegen me bent.’
Toen ging Esau nog dezelfde dag terug naar Seïr. Jakob ging niet verder dan Sukkot. Daar bouwde hij een huis voor zichzelf, en hutten voor zijn dieren.
Daarna ging Jakobs reis uit Paddan-Aram weer verder. Hij kwam bij Sichem, een stad in Kanaän. Op een stuk land dicht bij de stad zette hij zijn tenten op. Dat stuk land was van de zonen van Chamor. Chamor was de man die de stad Sichem gebouwd had. Jakob kocht het stuk land voor 100 zilverstukken. Hij bouwde daar een altaar. Dat noemde hij ‘God is de God van Israël’.

Op een dag ging Dina, de dochter van Lea en Jakob, naar meisjes die in de buurt woonden. Onderweg werd ze gezien door Sichem. Dat was een zoon van Chamor, de Chiwwiet die de baas was over dat gebied. Sichem greep Dina en verkrachtte haar.
Maar Sichem vond Dina heel aardig en hij werd verliefd op haar. Hij deed zijn best om indruk op haar te maken. En hij zei tegen zijn vader: ‘Zorg ervoor dat ik met dat meisje kan trouwen.’
Jakob hoorde dat Dina verkracht was. Maar hij deed niets. Want al zijn zonen waren op dat moment op het veld bij de schapen. Maar toen ook zij hoorden wat er gebeurd was, kwamen ze direct naar huis. Ze waren beledigd en woedend, omdat Sichem hun zus verkracht had. Zoiets verschrikkelijks was bij hun volk absoluut verboden.
Intussen was Chamor, de vader van Sichem, bij Jakob en zijn zonen gekomen om over Dina te praten. Hij zei: ‘Mijn zoon Sichem houdt echt van Dina. Willen jullie haar als vrouw aan hem geven? Laten we één volk worden. Dan kunnen jullie meisjes met onze mannen trouwen, en onze meisjes met jullie mannen. Jullie kunnen dan in dit land blijven. Jullie kunnen gaan wonen waar je wilt. Jullie kunnen rondtrekken met de dieren en land kopen.’
Sichem zelf zei tegen Jakob en tegen de broers van Dina: ‘Zeg maar wat jullie voor Dina willen hebben. Ook als jullie veel geld willen en veel geschenken, dan zal ik die geven. Als jullie mij dit meisje maar als vrouw geven.’
Maar de zonen van Jakob bedachten een plan waarmee ze Sichem en zijn familie konden bedriegen. Want Sichem had hun zus verkracht. Ze zeiden tegen Chamor en Sichem: ‘We kunnen onze zus niet geven aan een man die niet besneden is. Dat zou een schande voor ons zijn. We kunnen het alleen goedvinden als jullie net zo worden als wij. Daarom moeten alle mannen bij jullie besneden worden. Dan kunnen onze meisjes met jullie mannen trouwen. Dan blijven we bij jullie wonen en kunnen jullie en wij één volk worden. Maar als jullie dat niet doen, dan nemen we Dina mee en gaan we hier weg.’
Chamor en Sichem vonden dat een goed voorstel.
Sichem hield zo veel van Dina dat hij het plan meteen wilde uitvoeren. Iedereen luisterde altijd naar Sichem. Dus Chamor en Sichem gingen naar de mannen van hun stad en zeiden: ‘Deze mensen hebben goede bedoelingen. Laat ze maar hier wonen en rondtrekken met hun dieren. Er is land genoeg. Hun meisjes kunnen dan met onze mannen trouwen, en onze meisjes met hun mannen. Zij willen wel samen met ons één volk worden. Maar alleen als alle mannen bij ons besneden worden, net zoals zij.
Stel je voor! Al hun dieren, al hun bezit, dat wordt dan ook allemaal van ons! Laten we doen wat zij willen.’
Iedereen die het hoorde, vond het een goed idee. Toen werden alle mannen van de stad Sichem besneden.
Twee dagen later hadden de mannen in Sichem nog heel veel pijn van de besnijdenis. Toen pakten Simeon en Levi, twee broers van Dina, hun zwaard, en gingen de stad in. Niemand hield hen tegen. Ze doodden alle mannen in de stad, ook Chamor en Sichem. Daarna haalden ze Dina uit het huis van Sichem en gingen ze weg.
Ook de andere zonen van Jakob gingen de stad in. Ze waren woedend omdat hun zus verkracht was. Ze roofden de hele stad leeg. Alle bezittingen namen ze mee, alles wat in de huizen te vinden was. Ook alle schapen en geiten, koeien en ezels en alles wat op het veld te vinden was, namen ze mee. En alle vrouwen en kinderen namen ze gevangen.
Toen zei Jakob tegen Simeon en Levi: ‘Wat een ellende! Door jullie zullen de Kanaänieten en de Perizzieten die hier wonen, slecht over mij gaan denken. En wij zijn maar met weinig. Dus als zij ons aanvallen, zullen ze ons allemaal vermoorden!’
Maar zijn zonen zeiden: ‘Dan hadden ze onze zus maar niet als een hoer moeten behandelen!’

God zei tegen Jakob: ‘Ga naar de stad Betel. Blijf daar en bouw daar een altaar voor mij. Ik ben de God die daar met je gesproken heeft, toen je vluchtte voor je broer Esau.’
Toen riep Jakob zijn familie en alle andere mensen die bij hem hoorden. Hij zei: ‘Jullie moeten alle godenbeeldjes wegdoen die jullie bij je hebben. Daarna moeten jullie je wassen en schone kleren aantrekken. We gaan naar Betel. Daar ga ik een altaar bouwen voor God. Want hij heeft voor mij gezorgd toen ik grote problemen had. Hij heeft me geholpen, overal waar ik kwam.’
De mensen gaven al hun godenbeeldjes aan Jakob. Ook hun sieraden gaven ze aan hem. Jakob begroef alles onder de eikenboom bij Sichem.
Daarna gingen Jakob en al zijn mensen weg. En niemand durfde hen aan te vallen. Want de inwoners van alle steden in de buurt waren bang voor hen. Daar had God voor gezorgd.
Jakob kwam met al zijn mensen aan in de stad Luz, in Kanaän. Die stad wordt ook Betel genoemd. Jakob bouwde er een altaar. En hij noemde het altaar ‘God is in Betel’. Want daar had hij God gezien, toen hij vluchtte voor zijn broer Esau.
In Betel stierf Debora. Zij had voor Jakobs moeder Rebekka gezorgd toen Rebekka nog een kind was. Debora werd begraven onder een eikenboom bij Betel. Die boom wordt de Eik van Verdriet genoemd.
Toen Jakob onderweg was uit Paddan-Aram, kwam God nog een keer bij hem. God zegende hem en zei: ‘Tot nu toe heette je Jakob. Maar voortaan heet je Israël. Ik ben de machtige God. Zorg dat je veel nakomelingen krijgt. Er zal een volk van je afstammen, veel volken zelfs, en ook koningen. Het land dat ik aan Abraham en Isaak gegeven heb, geef ik nu aan jou. Het is voor jou en je nakomelingen.’
Toen God dat gezegd had, ging hij weer weg bij Jakob. Jakob zette op die plaats een steen rechtop. Hij goot er wat olie en wijn overheen. Zo werd het een heilige steen. Jakob noemde die plaats Betel. Daar had God met hem gesproken.
Jakob en zijn mensen bleven niet in Betel, maar ze reisden verder. Toen ze dicht bij de stad Efrat waren, moest Rachel bevallen. Het was een moeilijke bevalling en Rachel had veel pijn. De vroedvrouw zei tegen haar: ‘Stil maar, Rachel, je hebt weer een zoon gekregen.’
Rachel voelde dat ze ging sterven. Ze noemde haar zoon Ben-Oni. Maar Jakob noemde hem Benjamin.
Toen stierf Rachel. Ze werd begraven langs de weg naar Efrat, de stad die tegenwoordig Betlehem heet. Jakob zette een steen op Rachels graf. Die steen staat daar nog steeds.
Toen reisde Jakob weer verder. Hij zette zijn tenten op bij de plaats Migdal-Eder. Daar sliep Ruben een keer met Bilha, één van de vrouwen van zijn vader. Jakob hoorde dat zijn zoon dat gedaan had.
Jakob had twaalf zonen.
De zonen van Lea waren Ruben, de oudste zoon van Jakob, en verder Simeon, Levi, Juda, Issachar en Zebulon. De zonen van Rachel waren Jozef en Benjamin.
De zonen van Bilha, de slavin van Rachel, waren Dan en Naftali. De zonen van Zilpa, de slavin van Lea, waren Gad en Aser.
Dat waren de zonen die Jakob in Paddan-Aram gekregen had.
Aan het eind van zijn reis kwam Jakob bij zijn vader Isaak. Die woonde in Mamre, bij Kirjat-Arba. Die plaats heet tegenwoordig Hebron. Abraham had daar ook gewoond.
Isaak werd 180 jaar. Toen stierf hij. Hij had een lang en goed leven gehad. Hij werd begraven door zijn zonen Esau en Jakob.

Nu volgen de namen van de zonen van Esau, die ook wel Edom genoemd werd. Esaus vrouwen kwamen uit Kanaän. Zijn vrouw Ada was een dochter van de Hethiet Elon. Zijn vrouw Oholibama was een dochter van Ana, en ze was een kleindochter van de Chiwwiet Sibon. Zijn vrouw Basemat was een dochter van Ismaël, en ze was een zus van Nebajot.
De zoon van Ada heette Elifaz. De zoon van Basemat heette Reüel. En de zonen van Oholibama heetten Jeüs, Jalam en Korach.
Dat zijn de zonen van Esau die in Kanaän geboren werden.
Esau ging weg uit Kanaän. Hij nam zijn vrouwen en kinderen mee. En ook alle mensen die bij hem hoorden, en al zijn vee en al zijn bezittingen. Hij ging naar een ander land, weg van zijn broer Jakob. Ze konden niet bij elkaar blijven wonen. Want ze hadden samen zo veel vee, dat er niet genoeg land was voor alle dieren.
Esau ging in Seïr wonen, in de bergen.
Nu volgen de namen van de nakomelingen van Esau uit de Seïr-bergen. Het volk van de Edomieten stamt van Esau af.
De oudste zoon van Esau en Ada heette Elifaz. De zoon van Esau en Basemat heette Reüel.
De zonen van Elifaz heetten Teman, Omar, Sefo, Gatam, Kenaz en Amalek. Amalek was een zoon van Timna, de bijvrouw van Elifaz. Die zonen waren dus allemaal nakomelingen van Esau en Ada. Ze waren allemaal leider van een stam in Edom.
De zonen van Reüel heetten Nachat, Zerach, Samma en Mizza. Zij waren dus nakomelingen van Esau en Basemat. Ook zij waren allemaal leider van een stam in Edom.
Esau had ook nog drie zonen van zijn vrouw Oholibama, die de dochter was van Ana, en de kleindochter van Sibon. Die zonen heetten Jeüs, Jalam en Korach. Ook zij waren alle drie leider van een stam in Edom.
De oudste bewoners van Edom stamden af van Seïr. Dat was een Choriet. De zonen van Seïr waren Lotan, Sobal, Sibon, Ana, Dison, Eser en Disan. Zij waren allemaal leider van een Choritische stam in Seïr.
De zonen van Lotan waren Chori en Hemam. De zus van Lotan was Timna. De zonen van Sobal waren Alwan, Manachat, Ebal, Sefo en Onam.
De zonen van Sibon waren Ajja en Ana. Ana heeft in de woestijn de bronnen met warm water ontdekt. Dat gebeurde toen hij met de ezels van zijn vader in de woestijn was.
De zoon van Ana was Dison. De dochter van Ana was Oholibama. De zonen van Dison waren Chemdan, Esban, Jitran en Keran. De zonen van Eser waren Bilhan, Zaäwan en Akan. De zonen van Disan waren Us en Aran.
In Edom hadden ze eerder koningen dan in Israël. Nu volgen de koningen die na elkaar in Edom regeerden.
Bela was een zoon van Beor. Zijn paleis was in Dinhaba. Na hem was Jobab, de zoon van Zerach, koning. Hij kwam uit Bosra. Daarna was Chusam, uit het land van de Temanieten, koning. Daarna Hadad, de zoon van Bedad. Zijn paleis was in Awit. Hij versloeg de Midjanieten in Moab.
Daarna was Samla, uit Masreka, koning. Daarna Saül, uit Rechobot aan de Eufraat. Daarna Baäl-Chanan, de zoon van Achbor. En ten slotte was Hadar koning. Hij was getrouwd met Mehetabel, de dochter van Matred en de kleindochter van Me-Zahab. Hadars paleis was in Paü.
De families die afstamden van Esau, werden genoemd naar hun leiders. De namen van de families waren: Timna, Alwa, Jetet, Oholibama, Ela, Pinon, Kenaz, Teman, Mibsar, Magdiël en Iram. Dat zijn de namen van de Edomitische stammen. De gebieden waar zij woonden, werden ook zo genoemd.
Esau is de voorvader van de Edomieten.

---

Dit is de Bijbel in een Jaar podcast dag 12.
Een podcast van het NBG.
Morgen staat er een nieuwe aflevering voor je klaar.

Podcasts we love

Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.

Dagvers - Dé dagelijkse Bijbelpodcast Artwork

Dagvers - Dé dagelijkse Bijbelpodcast

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap