Bijbel in een jaar

Dag 13 - 2026 - Genesis 37-39, Psalm 7

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap Season 2026 Episode 16

Vandaag lezen we Genesis 37-39 en Psalm 7 uit de NBV21.

🌟 Laat een review achter in jouw podcastapp!
📖 Lees mee via de app en houd je persoonlijke voortgang bij
🔎Ontdek nog meer manieren om mee te doen
📷Volg ons op Instagram
💡Schrijf je in voor tweewekelijkse Bijbelse inspiratie
❤️Lees meer over het Bijbelgenootschap

Je luistert naar het Bijbel in een jaar podcast van het NBG.
Dit is dag 13.
Vandaag lezen we Genesis 37-39 en Psalm 7.

Genesis 37 en 39.
Nu volgt het verhaal over Jakob en zijn familie. Jakob was gaan wonen in het land Kanaän, net als zijn vader. Zijn zoon Jozef was zeventien jaar. Hij hielp vaak zijn broers als ze op de schapen en de geiten pasten. Jozef was een zoon van Rachel, en zijn broers waren zonen van Jakobs vrouwen Bilha en Zilpa. Als er slechte dingen over de broers gezegd werden, vertelde Jozef dat steeds door aan hun vader.
Jozef was geboren toen Jakob al oud was. Daarom hield Jakob meer van hem dan van zijn andere zonen. Hij maakte voor hem een prachtige jas met allerlei mooie kleuren. De broers merkten wel dat hun vader het meest van Jozef hield. Daarom hadden ze een hekel aan Jozef. Ze praatten nooit met hem.
Op een keer had Jozef gedroomd. Hij vertelde de droom aan zijn broers. Toen kregen ze een nog grotere hekel aan hem. Want Jozef zei: ‘Moet je horen wat ik gedroomd heb. We waren op het land aan het werk. We bonden het gemaaide koren bij elkaar in bossen. Opeens ging mijn bos koren rechtop staan. Toen kwamen jullie bossen koren om mij heen staan en ze maakten een diepe buiging voor mijn bos koren.’
De broers zeiden tegen Jozef: ‘Denk jij soms dat je koning wordt? Dat je over ons kunt regeren?’ Toen hij over die droom vertelde, kregen ze een nog veel grotere hekel aan hem.
Later kreeg Jozef weer een droom. Hij vertelde ook die droom aan zijn broers: ‘Ik droomde dat de zon, de maan en elf sterren een diepe buiging voor mij maakten.’ Jozef vertelde die droom ook aan zijn vader. Maar die zei boos: ‘Wat is dat voor een droom! Je denkt toch niet dat je moeder, je broers en ik voor jou zullen buigen?’
Jozefs broers waren jaloers op hem. Zijn vader dacht nog vaak aan die dromen.
Op een keer waren de broers van Jozef met de schapen en de geiten naar de stad Sichem gegaan. Toen zei Jakob tegen Jozef: ‘Je broers zijn met de kudde naar Sichem. Ga eens naar hen toe en vraag hoe het met hen gaat. Kijk ook of het goed gaat met de dieren. En kom dat dan aan mij vertellen.’ Jozef zei: ‘Dat is goed.’
Jozef ging vanuit het dal bij Hebron naar Sichem. Daar kwam hij in het veld een man tegen, die vroeg: ‘Wie zoek je?’ ‘Ik zoek mijn broers,’ zei Jozef. ‘Hebt u ze misschien ergens gezien, met hun kudde?’ De man zei: ‘Ze zijn hier alweer weg. Ze zeiden dat ze naar de stad Dotan gingen.’
Toen ging Jozef ook naar Dotan, en daar vond hij zijn broers.
De broers zagen Jozef al in de verte aankomen. Voordat hij bij hen was, bedachten ze een plan om hem te doden. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Kijk, daar heb je die dromer! Kom, laten we hem vermoorden en in een put gooien. Dan zeggen we dat hij opgegeten is door een roofdier. Dan zullen we wel eens zien of zijn dromen uitkomen!’
Toen Ruben dat hoorde, zei hij: ‘Nee, laten we hem niet doodslaan. Een moord is niet nodig. Gooi hem in één van de putten hier in de woestijn, maar vermoord hem niet.’ Ruben was van plan om Jozef te redden en om hem terug te brengen naar zijn vader.
Toen Jozef bij zijn broers kwam, grepen ze hem vast. Ze trokken zijn mooie gekleurde jas uit en ze gooiden hem in een put. Het was een waterput, maar er stond geen water in. Daarna gingen ze zitten eten.
Opeens zagen de broers een groep mannen aankomen. Het waren handelaars. Ze kwamen uit Gilead en ze waren op weg naar Egypte. Ze hadden kamelen bij zich met dure kruiden en geurige olie.
Toen zei Juda tegen zijn broers: ‘We kunnen Jozef wel vermoorden en alle sporen laten verdwijnen, maar wat hebben we daaraan? We kunnen hem beter verkopen aan die handelaars. Dan hoeven we hem niet te doden. Hij is toch onze eigen broer.’
De broers waren het met Juda eens. En toen de handelaars met de kamelen voorbijkwamen, trokken de broers Jozef uit de put. Ze verkochten hem voor 20 zilverstukken. De handelaars namen Jozef mee naar Egypte.
Toen Ruben later weer bij de put kwam, zag hij dat Jozef er niet meer was. Van verdriet scheurde hij zijn kleren. Hij liep naar zijn broers en riep: ‘De jongen is weg! Wat nu? Wat moet ik doen?’
De broers pakten Jozefs gekleurde jas. Ze slachtten een bokje en haalden de jas door het bloed van het bokje. Daarna brachten ze de jas naar hun vader. Ze zeiden: ‘Kijk eens wat we gevonden hebben. Is dit niet de jas van Jozef?’
Jakob keek goed en riep toen: ‘Ja, het is de jas van Jozef! Hij is vast en zeker opgegeten door een roofdier. Hij is dood, Jozef is dood!’
Van verdriet scheurde Jakob zijn kleren. Hij deed rouwkleren aan en hij rouwde om zijn zoon, dagenlang. Al zijn zonen en dochters probeerden hem te troosten, maar Jakob wilde niet getroost worden. Hij zei: ‘Ik blijf verdrietig totdat ik Jozef terugzie in het land van de dood.’ Zo veel verdriet had Jakob om zijn zoon.
De handelaars brachten Jozef naar Egypte. Daar verkochten ze hem aan Potifar. Die had de leiding over de lijfwacht van de farao.

In die tijd ging Juda weg bij zijn broers. Hij ging in Adullam wonen, bij een vriend die Chira heette. In Adullam ontmoette Juda een meisje uit Kanaän. Zij was een dochter van Sua.
Juda trouwde met haar, en ze werd zwanger. Ze kreeg een zoon, die Er genoemd werd. Toen ze weer een zoon kreeg, noemde ze hem Onan. En de derde zoon noemde ze Sela. Juda was in Kezib toen Sela geboren werd.
Juda had voor Er, zijn oudste zoon, een vrouw uitgekozen. Ze heette Tamar. Maar Er deed niet wat de Heer wilde. Daarom liet de Heer hem sterven.
Toen zei Juda tegen Onan, zijn tweede zoon: ‘Nu moet jij met de vrouw van je broer trouwen en zorgen dat ze kinderen krijgt.’ Onan wist dat een kind van hem en Tamar niet zijn eigen kind zou zijn. Het zou gelden als een kind van Er. Maar dat wilde Onan niet. Daarom deed hij het volgende. Telkens als hij met Tamar sliep, liet hij zijn zaad op de grond terechtkomen.
De Heer vond het slecht wat Onan deed. Daarom liet hij ook Onan sterven.
Toen zei Juda tegen Tamar: ‘Je moet nu maar bij je vader gaan wonen, totdat Sela volwassen is.’ Hij dacht: Ik wil niet dat mijn zoon Sela ook sterft, net als zijn broers.
Toen ging Tamar weer bij haar vader wonen.
Na een tijd stierf de vrouw van Juda. Toen de rouwtijd voorbij was, ging Juda met zijn vriend Chira naar de stad Timna. Daar waren de knechten van Juda de schapen aan het scheren.
Tamar wist dat Sela intussen volwassen was. Maar Juda had hem niet met haar laten trouwen. Toen ze hoorde dat haar schoonvader naar Timna ging, bedacht ze een plan. Normaal droeg ze kleren die pasten bij een weduwe. Maar nu trok ze andere kleren aan. Ook deed ze een sluier voor haar gezicht. Zo zou niemand haar herkennen. Daarna ging ze langs de weg naar Timna zitten, bij de zijweg naar Enaïm.
Juda zag de vrouw zitten. Hij kon haar gezicht niet zien en dacht dat ze een hoer was. Hij wist niet dat het zijn schoondochter was. Hij ging naar haar toe en zei: ‘Ik wil seks met je.’ Zij zei: ‘Wat betaalt u ervoor?’ Juda zei: ‘Ik zal je een bokje sturen.’
Maar toen zei ze: ‘Dan wil ik wel een bewijs dat u het ook echt zult sturen.’ ‘Goed,’ zei Juda, ‘wat wil je hebben?’ Ze zei: ‘Die ketting met uw naam, en uw stok.’ Juda gaf haar alles. Hij had seks met haar, en zij werd zwanger van hem.
Daarna ging Tamar weer naar huis. Ze deed de sluier van haar gezicht en trok weer de kleren aan die ze normaal droeg.
Juda vroeg aan zijn vriend Chira om een bokje naar de vrouw te brengen. Maar Chira kon de vrouw niet vinden. Hij vroeg aan de mensen daar in de buurt: ‘Waar is de hoer die laatst bij de weg naar Enaïm zat?’ De mensen zeiden: ‘Er is hier helemaal geen hoer geweest.’
Chira ging terug naar Juda. Hij zei: ‘Ik heb haar niet kunnen vinden. De mensen daar zeggen dat er helemaal geen hoer geweest is.’ Juda zei: ‘Laat die vrouw mijn spullen dan maar houden. Ik heb geprobeerd het bokje te sturen, maar je hebt haar niet kunnen vinden. Laat verder maar, anders maken we ons nog belachelijk.’
Ongeveer drie maanden later vertelde iemand aan Juda: ‘Je schoondochter Tamar heeft zich als een hoer gedragen en nu is ze zwanger.’ Juda zei: ‘Breng haar de stad uit. Ze moet verbrand worden!’
Maar toen Juda’s knechten Tamar kwamen halen, stuurde zij iemand naar Juda toe. Die man moest zeggen: ‘Tamar is zwanger van de man van wie deze dingen zijn. Kijk eens goed: van wie zijn deze ketting met die naam en van wie is deze stok?’
Juda herkende zijn spullen. Hij zei: ‘Tamar is niet schuldig, maar ik wel. Want ik heb mijn zoon Sela niet aan haar gegeven.’ Juda sliep nooit meer met Tamar.
Toen Tamar moest bevallen, kreeg ze een tweeling. Bij de bevalling stak één van de kinderen zijn hand naar buiten. De vroedvrouw deed een rode draad om zijn hand. Ze zei: ‘Deze kwam als eerste tevoorschijn.’ Maar het kind trok zijn hand weer terug en toen kwam eerst het andere kind. De vroedvrouw zei: ‘Wat een doorzetter ben jij!’ Dat kind werd Peres genoemd. Daarna kwam zijn broer, met de rode draad om zijn hand. Hij werd Zerach genoemd.

Jozef was naar Egypte gebracht. Daar hadden de handelaars hem verkocht aan een Egyptenaar die Potifar heette. Potifar had de leiding over de lijfwacht van de farao. De Heer hielp Jozef, zodat het goed met hem ging. Hij mocht in het huis van Potifar werken.
Potifar begreep dat de Heer Jozef hielp. Want alles wat Jozef deed, ging goed. Daarom had hij vertrouwen in Jozef. Jozef werd zijn persoonlijke dienaar. Potifar gaf hem ook de leiding over alles wat er in zijn huis gebeurde. Jozef zorgde voor al zijn bezittingen.
Vanaf die tijd ging het goed met al het bezit van Potifar, in zijn huis en op het land. Daar zorgde de Heer voor, omdat Jozef bij Potifar in dienst was. Potifar liet alles aan Jozef over. Hij bepaalde zelf alleen nog maar wat hij elke dag wilde eten. Verder hoefde hij nergens meer aan te denken.
Jozef was heel knap en hij zag er goed uit. De vrouw van Potifar wilde met Jozef naar bed. Ze zei: ‘Kom bij me liggen.’
Maar Jozef wilde niet. Hij zei tegen haar: ‘Mijn meester bemoeit zich hier in huis nergens mee. Hij laat mij overal voor zorgen. Er is hier niemand die zo belangrijk is als ik. Alles heeft mijn meester mij gegeven. Behalve u, want u bent zijn vrouw. Wat u vraagt, kan ik niet doen. Want dan zou ik iets doen wat God verschrikkelijk vindt.’
Elke dag vroeg ze weer of Jozef met haar naar bed wilde. Maar hij deed het niet.
Op een dag was Jozef in huis aan het werk. Er was verder niemand. Toen pakte de vrouw van Potifar Jozef bij zijn kleren en zei: ‘Kom hier, kom bij me liggen!’ Maar Jozef rukte zich los en vluchtte naar buiten. Zijn jas bleef achter bij de vrouw van Potifar.
De vrouw zag dat Jozef zijn jas had laten liggen, en ze begreep dat hij gevlucht was. Ze riep haar dienaren en zei: ‘Mijn man heeft die Hebreeër in huis gehaald. En kijk nou hoe die ons beledigt! Hij kwam bij me en wilde met me naar bed! Maar ik begon hard te roepen. Toen liet hij zijn jas liggen en vluchtte naar buiten.’
Ze liet de jas van Jozef naast zich liggen totdat haar man thuiskwam. Toen vertelde ze hem hetzelfde verhaal: ‘Die Hebreeuwse slaaf van je is bij mij geweest. Hij heeft me beledigd. Hij wilde met me naar bed! Maar ik begon hard te roepen. Toen liet hij zijn jas liggen en vluchtte naar buiten.’
Toen Potifar het verhaal van zijn vrouw hoorde, werd hij woedend. Hij liet Jozef oppakken en naar de gevangenis van de farao brengen.
Zo kwam Jozef in de gevangenis terecht. Maar de Heer hielp hem. Hij zorgde ervoor dat de bewaker van de gevangenis vertrouwen had in Jozef. De bewaker gaf hem de leiding over de andere gevangenen en over het werk dat zij deden. Hij liet Jozef alles doen. De bewaker hoefde zelf nergens meer aan te denken. Want de Heer hielp Jozef, en daardoor ging alles goed wat Jozef deed.

----

Psalm 7
Een klaaglied van David.
David heeft dit lied voor de Heer gezongen. Het gaat over Kus, een man uit de stam Benjamin.
Heer, mijn God, bescherm mij,
help mij, red mij!
Want mijn vijanden jagen op mij.
Ze willen me grijpen,
zoals een leeuw een dier grijpt om het te doden.
Ze willen me aan stukken scheuren,
en dan kan niemand me meer redden.

Heer, mijn God, heb ik iets verkeerds gedaan?
Heb ik mensen kwaad gedaan?
Ben ik slecht geweest voor een vriend?
Heb ik iets gestolen van een tegenstander?
Dan mogen mijn vijanden op mij jagen.
Dan mogen zij me grijpen,
me vertrappen en me doden.
Heer, laat zien dat u kwaad bent!
Straf mijn vijanden, want ze vallen me aan.
Help mij, laat zien dat u rechtvaardig bent!

Heer, roep alle volken bij elkaar,
en spreek recht over hen vanuit de hemel.
U bent de rechter van de hele wereld.
Wees nu ook mijn rechter, Heer,
en geef een eerlijk oordeel over mij.
Ik heb geen schuld,
ik heb geen kwaad gedaan.

Maak een eind aan het kwaad van slechte mensen,
maar help eerlijke en goede mensen.
Want u kent de mensen,
u weet wat ze denken.
U bent toch een rechtvaardige God?
God helpt alle goede mensen,
hij zal ook mij beschermen.
God is een eerlijke rechter.
Mensen die kwaad doen, straft hij,
elke dag weer.

Als slechte mensen hun leven niet veranderen,
dan maakt God zijn zwaard scherp,
en dan richt hij zijn pijlen op hen.
Zijn wapens zijn dodelijk,
pijlen van vuur schiet hij op hen af.

Slechte mensen dragen het kwaad in hun hart.
Ze lopen rond met slechte plannen,
ze liegen en bedriegen alleen maar.
Ze graven een diepe kuil voor een ander,
maar ze vallen er zelf in.
Ze krijgen hun eigen ellende over zich heen,
hun eigen kwaad komt weer bij hen terug.
Ik wil de Heer danken,
want hij is rechtvaardig.
Ik wil zingen voor de Heer,
hij is de allerhoogste God.

---

Dit is de Bijbel in een Jaar podcast dag 13.
Een podcast van het NBG.
Morgen staat er een nieuwe aflevering voor je klaar.

Podcasts we love

Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.

Dagvers - Dé dagelijkse Bijbelpodcast Artwork

Dagvers - Dé dagelijkse Bijbelpodcast

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap