Bijbel in een jaar

Dag 16 - 2026 - Genesis 46-48

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap Season 2026 Episode 19

Vandaag lezen we Genesis 46-48 uit de NBV21.

🌟 Laat een review achter in jouw podcastapp!
📖 Lees mee via de app en houd je persoonlijke voortgang bij
🔎Ontdek nog meer manieren om mee te doen
📷Volg ons op Instagram
💡Schrijf je in voor tweewekelijkse Bijbelse inspiratie
❤️Lees meer over het Bijbelgenootschap

Je luistert naar het Bijbel in een jaar podcast van het NBG.
Dit is dag 16.
Vandaag lezen we Genesis 46-48.

Genesis 46
Jakob ging op reis. Hij nam alles mee wat hij had. Onderweg stopte hij in Berseba en daar bracht hij offers aan de God van zijn vader Isaak.
Toen sprak God ’s nachts tegen hem in een droom. God zei: ‘Jakob! Jakob!’ Jakob antwoordde: ‘Ja, ik luister.’ God zei: ‘Ik ben God, de God van je vader. Wees niet bang om naar Egypte te gaan. Want ik zal je daar zo veel nakomelingen geven dat ze een groot volk worden. Ik zal zelf met je meegaan naar Egypte, en ik zal je ook weer terugbrengen. En als je sterft, zal Jozef bij je zijn.’
Jakob ging weg uit Berseba. Zijn zonen zetten hem in één van de wagens die de farao meegegeven had. Ook hun vrouwen en de kleine kinderen reisden in de wagens. En zo ging Jakob naar Egypte met al zijn nakomelingen: zijn zonen en kleinzonen, zijn dochters en kleindochters. Ze namen hun vee en al hun bezittingen uit Kanaän mee.
Nu volgen de namen van de zonen van Jakob die meegingen naar Egypte.
Ruben, de oudste zoon, ging mee, met zijn zonen Chanoch, Pallu, Chesron en Karmi. En Simeon ging mee, met zijn zonen Jemuel, Jamin, Ohad, Jachin, Sochar en Saül. Saül was de zoon van Simeon en een vrouw uit Kanaän. En ook Levi ging mee, met zijn zonen Gerson, Kehat en Merari.
Verder ging Juda mee. Juda had vijf zonen: Er, Onan, Sela, Peres en Zerach. Maar Er en Onan waren al gestorven in Kanaän. Peres had twee zonen, Chesron en Chamul.
Ook Issachar ging mee, met zijn zonen Tola, Pua, Job en Simron. En Zebulon ging mee, met zijn zonen Sered, Elon en Jachleël.
Al die zonen van Jakob, en zijn dochter Dina, waren nakomelingen van Jakob en Lea. Ze waren in Paddan-Aram geboren.
In totaal hadden Jakob en Lea 33 kinderen en kleinkinderen.
Ook Gad ging mee naar Egypte, met zijn zonen Sifjon, Chaggi, Suni, Esbon, Eri, Arodi en Areli. En Aser ging mee, met zijn zonen Jimna, Jiswa, Jiswi en Beria, en zijn dochter Serach. Beria had twee zonen, Cheber en Malkiël.
Gad en Aser waren de kinderen van Jakob en Zilpa. Zilpa was de slavin die Laban aan zijn dochter Lea gegeven had. In totaal hadden Jakob en Zilpa zestien kinderen en kleinkinderen.
De zonen van Jakobs vrouw Rachel waren Jozef en Benjamin. Jozefs vrouw was Asnat, de dochter van Potifera, de priester van de stad On. Jozef en Asnat kregen in Egypte twee zonen, Manasse en Efraïm. De zonen van Benjamin waren Bela, Becher, Asbel, Gera, Naäman, Echi, Ros, Muppim, Chuppim en Ard.
Jozef en Benjamin waren de kinderen van Jakob en Rachel. In totaal hadden Jakob en Rachel veertien kinderen en kleinkinderen.
Ook Dan ging mee naar Egypte, met zijn zoon Chusim. En Naftali ging mee, met zijn zonen Jachseël, Guni, Jeser en Sillem.
Dan en Naftali waren de kinderen van Jakob en Bilha, die de slavin van Rachel was. In totaal hadden Jakob en Bilha zeven kinderen en kleinkinderen.
Alles bij elkaar gingen er 66 nakomelingen van Jakob mee naar Egypte. De vrouwen van zijn zonen zijn niet meegeteld. In Egypte was Jozef met twee zonen. Alles bij elkaar telde de familie van Jakob in Egypte zeventig personen, met hemzelf en Jozef erbij.
Jakob stuurde Juda alvast vooruit. Hij moest aan Jozef de weg vragen naar het gebied Gosen. Toen Jakob en zijn familie in Gosen aangekomen waren, liet Jozef zijn wagen klaarmaken. Hij reed direct naar Gosen, naar zijn vader.
Toen Jozef zijn vader zag, omhelsde hij hem en hij huilde een hele tijd. Jakob zei tegen Jozef: ‘Nu kan ik rustig sterven. Want nu heb ik zelf gezien dat je nog leeft!’
Jozef zei tegen zijn broers en de rest van de familie: ‘Ik ga nu naar de farao. Ik ga hem vertellen dat mijn familie uit Kanaän aangekomen is. Ik zal zeggen dat jullie herders zijn, en dat jullie al jullie vee meegebracht hebben: schapen, geiten en koeien.
Maar jullie moeten wel weten dat de Egyptenaren een hekel hebben aan herders. Als jullie de farao ontmoeten, zal hij vragen naar jullie beroep. Jullie moeten dan heel beleefd zeggen dat jullie altijd al herders geweest zijn, net als jullie voorouders. Dan zullen jullie wel in Gosen mogen wonen.’

--

Toen ging Jozef met vijf van zijn broers naar de farao. Hij zei: ‘Mijn vader en mijn broers uit het land Kanaän zijn aangekomen. Ze zijn nu in Gosen. Ze hebben hun schapen, geiten en koeien, en al hun bezittingen bij zich.’ Daarna stelde Jozef zijn broers aan de farao voor.
De farao vroeg aan de broers: ‘Wat is jullie beroep?’ Ze antwoordden beleefd: ‘Wij zijn herders, net als onze voorouders. We zijn hiernaartoe gekomen omdat de hongersnood in Kanaän heel groot is. Ook voor ons vee is er niets meer te eten. We zouden heel graag een tijd in Gosen willen wonen.’
Toen zei de farao tegen Jozef: ‘Je vader en je broers mogen hier blijven. Ze mogen in Egypte wonen waar ze maar willen. Laat ze in het beste deel van het land gaan wonen, in Gosen. En als er goede herders bij zijn, laat die dan voor mijn vee zorgen.’
Jozef stelde zijn vader Jakob aan de farao voor. Jakob wenste de farao een lang en gelukkig leven. De farao vroeg aan Jakob hoe oud hij was. ‘Ik ben 130,’ zei Jakob. ‘Dat is nog niet zo oud. Want veel van mijn voorouders zijn nog ouder geworden. Mijn hele leven heb ik rondgetrokken, en mijn leven is moeilijk geweest.’ Toen wenste Jakob de farao nog een keer een lang en gelukkig leven. Daarna ging hij weg.
Jozef liet zijn vader en zijn broers wonen in het beste gedeelte van Egypte, zoals de farao gezegd had. Hij gaf hun een stuk grond in de omgeving van de stad Rameses. Hij zorgde ervoor dat er genoeg te eten was voor zijn vader, zijn broers en al hun kinderen.
Intussen was de hongersnood in Egypte en Kanaän zo erg geworden dat er geen eten meer was. Door de honger werden de mensen steeds zwakker. Iedereen kocht graan bij Jozef, zodat al het geld van Egypte en Kanaän bij hem terechtkwam. En hij bracht dat geld naar de farao.
Toen was er geen geld meer in Egypte en Kanaän. Toch kwamen de Egyptenaren bij Jozef. ‘Geef ons te eten!’ zeiden ze. ‘We hebben geen geld meer. Laat ons toch niet sterven van de honger!’ Jozef zei: ‘Als jullie geen geld meer hebben, geef me dan jullie vee. Dan krijgen jullie in ruil daarvoor eten.’
Toen brachten de mensen hun vee naar Jozef. En Jozef gaf iedereen eten, in ruil voor paarden, schapen, geiten, koeien en ezels. Zo ging dat een heel jaar lang.
Een jaar later kwamen de mensen weer naar Jozef. Ze zeiden: ‘U begrijpt dat we nu niets meer hebben. Al ons geld en al ons vee hebben we aan u gegeven. We hebben alleen nog onze grond en onszelf. Laat ons toch niet sterven van de honger! Want dan is er niemand meer om voor de grond te zorgen. Koop ons en onze grond in ruil voor eten. Dan zullen we als slaven voor de farao werken. En geef ons ook zaad om te zaaien, want dan kunnen we toch voor de grond blijven zorgen.’
Toen kocht Jozef alle grond van de Egyptenaren. Iedereen in Egypte verkocht zijn land, omdat er zo’n grote hongersnood was. Al het land kwam in het bezit van de farao, en alle mensen werden zijn slaven. Alleen de priesters verkochten hun land niet. Priesters werden door de farao betaald. Zij hoefden hun land niet te verkopen.
Jozef zei tegen de mensen: ‘Jullie krijgen zaad om te zaaien. Maar jullie grond hebben jullie aan de farao verkocht. Dus als jullie straks koren van het land halen, moeten jullie één vijfde deel aan de farao geven. De rest mogen jullie zelf houden. Dan hebben jullie eten voor je kinderen en je familie. En dan hebben jullie ook zaad om opnieuw te zaaien.’
De mensen zeiden: ‘U hebt ons leven gered. We zijn u dankbaar, en we zullen slaven worden van de farao.’
Vanaf die tijd was één vijfde van de oogst in Egypte voor de farao. Dat liet Jozef in een wet opschrijven. Alleen de grond van de priesters was niet van de farao.
Jakob en zijn nakomelingen bleven in Egypte wonen, in Gosen. Zij kregen daar steeds meer bezit, en ze kregen ook steeds meer nakomelingen.
Jakob leefde nog zeventien jaar in Egypte. Toen was hij 147 jaar oud. Hij wist dat hij niet lang meer zou leven. Daarom liet hij Jozef bij zich komen. Hij zei tegen hem: ‘Doe alsjeblieft wat ik je ga vragen. Als je van me houdt en als je een trouwe zoon bent, dan moet je het volgende plechtig beloven. Binnenkort zal ik sterven. Maar ik wil niet in Egypte begraven worden. Breng mij weg uit Egypte en begraaf me bij mijn voorouders.’
Jozef zei: ‘Ik zal doen wat u vraagt.’ Jakob zei: ‘Je moet het me plechtig beloven.’ En Jozef beloofde het. Toen maakte Jakob vanaf zijn bed een buiging.

--

Niet lang daarna kreeg Jozef het bericht dat zijn vader ziek was. Hij ging met zijn zonen Manasse en Efraïm naar hem toe.
Toen Jakob hoorde dat Jozef gekomen was, ging hij met moeite rechtop in bed zitten. En hij zei tegen Jozef: ‘De machtige God heeft zich aan mij laten zien in de stad Luz in Kanaän. Hij heeft me daar gezegend. Hij zei dat ik heel veel nakomelingen zou krijgen. Dat er veel volken van mij zullen afstammen, en dat het land Kanaän voor altijd van mijn nakomelingen zal zijn.
Nu wil ik dat jouw zonen, Efraïm en Manasse, als mijn eigen zonen gelden. Ze zijn net zo belangrijk voor me als Ruben en Simeon. Maar als je nog meer kinderen krijgt, dan gelden die als kinderen van jou alleen. Die krijgen geen eigen grond, maar alleen grond in het gebied van Efraïm en Manasse.
Deze twee zonen van jou zijn heel belangrijk voor me. Dat komt doordat je moeder Rachel zo vroeg gestorven is. We waren toen onderweg van Paddan-Aram naar Kanaän. We waren dicht bij Efrat, en ik heb haar daar aan de weg naar Efrat begraven.’ De stad Efrat heet tegenwoordig Betlehem.
Toen Jakob merkte dat Efraïm en Manasse er ook waren, vroeg hij: ‘Wie zijn dat?’ Jakob was oud en zijn ogen waren zo slecht dat hij niet veel meer kon zien.
Jozef zei: ‘Dat zijn de zonen die God mij in Egypte gegeven heeft.’ Jakob zei: ‘Breng ze bij me. Dan zal ik ze zegenen.’ Jozef liet zijn zonen dichterbij komen, en Jakob kuste hen en omhelsde hen.
Toen zei Jakob tegen Jozef: ‘Ik had nooit kunnen denken dat ik jou terug zou zien. En nu heeft God ervoor gezorgd dat ik zelfs je kinderen zie!’
Manasse en Efraïm stonden vlak voor Jakob, bij zijn knieën. Maar Jozef liet hen wat opzij gaan en knielde voor zijn vader. Daarna pakte hij zijn zonen bij de hand en bracht ze weer dicht bij Jakob. Efraïm zette hij links van Jakob, want Efraïm was de jongste. En Manasse zette hij rechts van Jakob, want Manasse was de oudste.
Jakob kruiste zijn armen. Hij legde zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm. En hij legde zijn linkerhand op het hoofd van Manasse.
Toen zegende Jakob eerst Jozef. Daarna zei hij: ‘God is de God van mijn voorouders Abraham en Isaak. Zij leefden zoals hij het wilde. En God heeft voor mij gezorgd, mijn leven lang. Hij heeft mij steeds weer uit moeilijkheden gered. Nu bid ik dat hij ook goed zal zijn voor deze jongens. Dan zullen ze veel nakomelingen krijgen op aarde. En zo zal mijn naam niet vergeten worden, en de naam van mijn voorouders Abraham en Isaak ook niet.’
Jozef zag dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm gelegd had. Hij dacht: Dat is niet goed. Daarom pakte hij zijn vaders hand en legde die op het hoofd van Manasse. Hij zei: ‘Nee, vader, u doet het niet goed! Dit is de oudste. Leg uw rechterhand op zijn hoofd.’
Maar zijn vader zei: ‘Dat weet ik, jongen. Dat weet ik. Ook Manasse zal veel nakomelingen krijgen en machtig worden. Maar Efraïm, de jongste, zal machtiger zijn dan hij. En er zullen heel veel volken van Efraïm afstammen.’
Toen zegende Jakob Efraïm en Manasse. Hij zei: ‘Later zullen de Israëlieten zeggen: ‘Ik hoop dat je net zo machtig wordt als Efraïm en Manasse.’’ Zo maakte Jakob Efraïm de belangrijkste.
Daarna zei Jakob tegen Jozef: ‘Ik zal gauw sterven, maar God zal bij jullie zijn. Hij zal ervoor zorgen dat jullie allemaal terug kunnen gaan naar het land van jullie voorouders. Aan jou geef ik meer dan aan je broers. Ik geef jou het berggebied dat ik veroverd heb in de strijd met de Amorieten.’

--

Dit is de Bijbel in een Jaar podcast dag 16.
Een podcast van het NBG.
Morgen staat er een nieuwe aflevering voor je klaar.

Podcasts we love

Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.

Dagvers - Dé dagelijkse Bijbelpodcast Artwork

Dagvers - Dé dagelijkse Bijbelpodcast

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap