Bijbel in een jaar
Bijbel in een jaar
Dag 18 - 2026 - Mattheüs 1-4, Psalm 63
Vandaag lezen we Matteüs 1-4 en Psalm 63 uit de NBV21.
🌟 Laat een review achter in jouw podcastapp!
📖 Lees mee via de app en houd je persoonlijke voortgang bij
🔎Ontdek nog meer manieren om mee te doen
📷Volg ons op Instagram
💡Schrijf je in voor tweewekelijkse Bijbelse inspiratie
❤️Lees meer over het Bijbelgenootschap
Je luistert naar het Bijbel in een jaar podcast van het NBG.
Dit is dag 18.
Vandaag lezen we Mattheüs 1-4 en Psalm 63.
Jezus Christus kwam uit de familie van David en Abraham. Hier volgt de lijst van zijn voorouders.
Abraham was de vader van Isaak. Isaak was de vader van Jakob. Jakob was de vader van Juda en zijn broers. Juda was de vader van Peres en Zerach. Hun moeder was Tamar.
Peres was de vader van Chesron. Chesron was de vader van Aram. Aram was de vader van Amminadab. Amminadab was de vader van Nachson. Nachson was de vader van Salmon.
Salmon was de vader van Boaz. De moeder van Boaz was Rachab. Boaz was de vader van Obed. De moeder van Obed was Ruth. Obed was de vader van Isaï. Isaï was de vader van koning David.
David was de vader van Salomo. De moeder van Salomo was Batseba, de vrouw van Uria.
Salomo was de vader van Rechabeam. Rechabeam was de vader van Abia. Abia was de vader van Asaf. Asaf was de vader van Josafat. Josafat was de vader van Joram. Joram was de vader van Uzzia. Uzzia was de vader van Jotam. Jotam was de vader van Achaz. Achaz was de vader van Hizkia. Hizkia was de vader van Manasse. Manasse was de vader van Amos. Amos was de vader van Josia.
Josia was de vader van Jechonja en zijn broers. Zij leefden in de tijd dat het volk van Israël in Babylonië woonde.
Jechonja was de vader van Sealtiël. Die leefde na de tijd dat het volk van Israël in Babylonië woonde.
Sealtiël was de vader van Zerubbabel. Zerubbabel was de vader van Abihud. Abihud was de vader van Eljakim. Eljakim was de vader van Azor. Azor was de vader van Sadok. Sadok was de vader van Achim. Achim was de vader van Eliud. Eliud was de vader van Eleazar. Eleazar was de vader van Mattan. Mattan was de vader van Jakob. Jakob was de vader van Jozef.
Jozef was de man van Maria, en Maria was de moeder van Jezus. Jezus wordt ook Christus genoemd.
Van Abraham tot David waren er veertien generaties. Van David tot Jechonja waren er ook veertien generaties. En van Jechonja tot Christus waren er nog eens veertien generaties.
Dit is het verhaal over de geboorte van Jezus Christus.
Maria zou trouwen met Jozef, dat was afgesproken. Maar nog voordat ze getrouwd waren, werd Maria zwanger, door de heilige Geest.
Jozef was een goed mens. Hij dacht: Ik kan niet met Maria trouwen, want ze is zwanger van een ander. Ik moet haar wegsturen. Maar dat zal ik in het geheim doen, anders zullen de mensen haar behandelen als een slechte vrouw.
Toen kreeg Jozef een droom. In die droom zag hij een engel van de Heer, die zei: ‘Jozef, nakomeling van David, luister! Je kunt rustig met Maria trouwen. Want het kind dat zij verwacht, is van de heilige Geest. Maria zal een zoon krijgen. Je moet hem Jezus noemen. Hij zal zijn volk redden, hij zorgt ervoor dat al hun zonden vergeven worden.’
Dat moest allemaal zo gebeuren, want in het boek van de profeet Jesaja staan deze woorden van God: «Een jonge vrouw die nog maagd is, zal zwanger worden. Ze zal een zoon krijgen, en hij zal Immanuel genoemd worden.» De naam Immanuel betekent: God is bij ons.
Toen Jozef wakker werd, deed hij wat de engel van de Heer tegen hem gezegd had. Hij trouwde met Maria. Maar ze sliepen niet met elkaar voordat haar zoon geboren werd. En Jozef noemde hem Jezus.
Jezus werd geboren in Betlehem, een stad in Judea. Herodes was op dat moment koning.
Niet lang na de geboorte van Jezus kwamen er wijze mannen in Jeruzalem aan. Ze kwamen uit het oosten, uit een ver land. Ze vroegen aan de mensen in Jeruzalem: ‘Waar is de koning van de Joden die kortgeleden geboren is? We hebben zijn ster gezien. Die kwam aan de hemel omhoog. En nu zijn we gekomen om de nieuwe koning te eren.’
Toen koning Herodes dat hoorde, schrok hij vreselijk. Ook de andere mensen in Jeruzalem schrokken.
Herodes liet alle priesters en wetsleraren bij elkaar komen. Hij vroeg aan hen: ‘Waar zal de messias geboren worden?’ Ze zeiden: ‘In Betlehem in Judea, want dat wordt al verteld in de heilige boeken. Daar staat: «Luister, Betlehem in Judea, jij hoort bij de belangrijkste steden van het land. Want uit Betlehem komt de leider van Israël. Hij zal zorgen voor het volk van God, zoals een herder voor zijn schapen zorgt.»’
Toen liet Herodes de wijze mannen in het geheim bij zich komen. Hij wilde precies weten wanneer ze de ster voor het eerst gezien hadden. Daarna zei hij: ‘Ga naar Betlehem en zoek uit waar het kind precies is. Als jullie hem gevonden hebben, moet je dat aan mij komen vertellen. Dan kan ik ook naar hem toe gaan om hem te eren.’
Na het gesprek met Herodes gingen de wijze mannen op weg. En opeens was daar de ster weer die ze al eerder gezien hadden. Toen ze de ster weer zagen, waren ze erg blij. De ster wees hun de weg. Hij bleef staan boven het huis waar het kind was.
De wijze mannen gingen naar binnen. Daar zagen ze het kind bij zijn moeder Maria. Ze knielden voor hem en eerden hem. Ze gaven hem de dure geschenken die ze meegebracht hadden: goud, wierook en mirre.
’s Nachts kregen de wijze mannen een droom. In de droom zei God tegen hen: ‘Jullie moeten niet teruggaan naar Herodes.’ En dus gingen ze langs een andere weg terug naar hun land.
Toen de wijze mannen weggegaan waren, kreeg Jozef een droom. In zijn droom zag hij een engel van de Heer, die zei: ‘Sta op! Je moet met Maria en het kind naar Egypte vluchten. Daar moeten jullie blijven totdat ik zeg dat jullie terug kunnen gaan. Want Herodes is op zoek naar het kind, hij wil het doden.’
Meteen stond Jozef op. Midden in de nacht vertrok hij met Maria en het kind naar Egypte. Daar bleven ze tot de dood van Herodes.
Dat moest zo gebeuren. Want dat wordt al verteld in de heilige boeken. Daar staan deze woorden van God: «Ik heb mijn Zoon teruggeroepen uit Egypte.»
Intussen begreep Herodes dat de wijze mannen niet terug zouden komen. Hij voelde zich bedrogen, en hij was verschrikkelijk kwaad. Hij dacht: Dat kind kan niet ouder zijn dan twee jaar. Dat wist hij van de wijze mannen.
Herodes stuurde zijn soldaten naar Betlehem. Ze moesten in dat hele gebied alle jongetjes van nul tot twee jaar doden.
Toen gebeurde er wat al door de profeet Jeremia gezegd was: «In Rama wordt gehuild en geschreeuwd. Rachel huilt om haar kinderen. Ze wil niet dat iemand haar komt troosten, want haar kinderen zijn er niet meer.»
Toen Herodes gestorven was, kreeg Jozef weer een droom. In die droom zag hij een engel van de Heer, die zei: ‘Sta op! Je moet teruggaan naar het land Israël, met Maria en het kind. Want de man die het kind wilde doden, is gestorven.’ Jozef stond op. Hij ging met Maria en het kind terug naar Israël.
Na de dood van Herodes werd zijn zoon Archelaüs koning van Judea. Toen Jozef dat hoorde, durfde hij niet naar Judea te gaan. God zei tegen hem in een droom dat hij naar Galilea moest gaan. Daar ging Jozef met Maria en Jezus wonen, in de stad Nazaret.
Dat moest zo gebeuren, want dat wordt al verteld in de heilige boeken. Daar staat: «Hij zal Nazoreeër genoemd worden.»
In die tijd kwam Johannes de Doper naar de woestijn van Judea. Daar zei hij tegen de mensen: ‘Dit is het moment om je leven te veranderen. Want Gods nieuwe wereld is dichtbij.’ Over Johannes heeft de profeet Jesaja gezegd: «Hij roept in de woestijn: Opzij voor de Heer! Maak de weg klaar voor de Heer!»
Johannes liep in een jas van kameelhaar, en hij had een leren riem om. Hij leefde van sprinkhanen en honing.
Alle mensen uit Jeruzalem, uit Judea en uit het gebied van de Jordaan kwamen naar hem toe. Ze zeiden: ‘We hebben spijt van alles wat we verkeerd gedaan hebben.’ En Johannes doopte hen in de rivier de Jordaan.
Er kwamen ook veel farizeeën en sadduceeën naar Johannes om gedoopt te worden. Toen Johannes hen zag, zei hij: ‘Stelletje slangen! Jullie denken dat je slim genoeg bent om te ontsnappen aan Gods straf. Jullie zeggen: ‘We horen toch bij het volk van Abraham?’ Maar luister naar mijn woorden: God kan van de stenen die hier liggen een nieuw volk van Abraham maken. Laat eerst maar eens zien dat jullie je leven echt willen veranderen! Jullie moeten goede dingen doen. Dan zullen jullie lijken op een boom met goede vruchten. Want God zal alle bomen zonder goede vruchten omhakken en in het vuur gooien. De bijl ligt al klaar.’
Johannes zei tegen de mensen: ‘Ik doop jullie met water. Dat laat zien dat jullie je leven willen veranderen. Maar na mij komt iemand die veel machtiger is dan ik. Ik ben niet eens goed genoeg om zijn schoenen uit te trekken. Hij zal jullie dopen met het vuur van de heilige Geest.
Hij lijkt op een boer die het koren van zijn akker haalt. De boer bewaart het graan in zijn schuur. Maar het stro dat overblijft, steekt hij in brand. Net zo zal de man die na mij komt, het goede bewaren. Maar het slechte zal hij verbranden, met vuur dat nooit uitgaat.’
Toen kwam Jezus vanuit Galilea naar de Jordaan. Hij kwam bij Johannes om door hem gedoopt te worden. Maar Johannes wilde hem tegenhouden en zei: ‘Waarom bent u bij mij gekomen? Ik zou juist door u gedoopt moeten worden!’ Jezus zei: ‘Toch moet je het doen, want wij moeten alles doen wat God van ons vraagt.’ Toen deed Johannes wat Jezus vroeg.
Jezus werd gedoopt. Zodra hij weer uit het water kwam, ging de hemel open. Jezus zag dat de Geest van God naar hem toe kwam in de vorm van een duif. En Gods stem klonk uit de hemel: ‘Hij alleen is mijn Zoon. Mijn liefde voor hem is groot.’
De Geest bracht Jezus naar de woestijn. Daar zou de duivel proberen om Jezus te laten zondigen. Veertig dagen en nachten was Jezus in de woestijn zonder iets te eten. Hij had erge honger gekregen.
Toen kwam de duivel naar hem toe en zei: ‘Jij bent toch de Zoon van God? Zeg dan dat deze stenen in brood moeten veranderen!’ Maar Jezus antwoordde: ‘In de heilige boeken staat: «Alleen van brood kan een mens niet leven. Maar hij leeft van elk woord dat God spreekt.»’
Toen nam de duivel Jezus mee naar Jeruzalem. Hij zette hem op het dak van de tempel, en hij zei: ‘Jij bent toch de Zoon van God? Spring dan naar beneden! Want in de heilige boeken staat: «God geeft zijn engelen de opdracht om je op te vangen. Je zult je voet niet stoten tegen een steen.»’ Maar Jezus zei: ‘In de heilige boeken staat ook dit: «Je mag de Heer, je God, niet uitdagen om zijn macht te bewijzen.»’
Daarna nam de duivel Jezus mee naar een heel hoge berg. Hij liet hem alle machtige koninkrijken van de wereld zien, en hij zei: ‘Ik geef jou al die koninkrijken. Maar dan moet jij voor mij knielen en mij eren.’
Maar Jezus zei: ‘Ga weg, Satan. In de heilige boeken staat: «Kniel alleen voor de Heer, je God, en vereer alleen hem.»’
Toen ging de duivel weg, en meteen kwamen er engelen om voor Jezus te zorgen.
Johannes de Doper werd gevangengenomen. Toen Jezus dat hoorde, ging hij terug naar Galilea. Hij ging niet terug naar Nazaret, maar hij ging wonen in Kafarnaüm. Die stad lag bij het Meer van Galilea, in het gebied van Zebulon en Naftali.
Dat moest zo gebeuren, want de profeet Jesaja had gezegd: «Luister, gebied van Zebulon en Naftali, tussen de Jordaan en de zee! Luister, Galilea, land van de ongelovigen! Het volk leeft nu nog in het donker, maar het zal een stralend licht zien. De mensen leven nu nog in het land van schaduw en dood, maar ze zullen leven in het licht.»
Vanaf dat moment begon Jezus het goede nieuws te vertellen aan de mensen. Hij zei: ‘Dit is het moment om je leven te veranderen, want Gods nieuwe wereld is dichtbij.’
Op een dag liep Jezus langs het Meer van Galilea. Daar zag hij twee broers: Simon, die ook wel Petrus genoemd wordt, en Andreas. Het waren vissers. Ze gooiden hun netten uit in het water. Jezus zei tegen hen: ‘Kom, ga met mij mee. Ik zal jullie leren om mensen te vangen in plaats van vissen.’ Meteen lieten ze hun netten liggen, en ze gingen met Jezus mee.
Een eindje verder zag Jezus twee andere broers: Jakobus en Johannes. Hun vader heette Zebedeüs. Ze zaten in hun boot netten te repareren, samen met hun vader. Toen Jezus de twee broers riep, gingen ze meteen met hem mee. Ze lieten hun vader in de boot achter.
Jezus reisde rond in heel Galilea. In de synagogen gaf hij het volk uitleg over God. Hij vertelde het goede nieuws over Gods nieuwe wereld. En hij maakte alle mensen beter die ziek waren of pijn hadden.
Het nieuws over Jezus werd bekend in heel Syrië. De mensen brachten alle zieken naar hem toe, en Jezus maakte iedereen beter. Mensen met ziektes en pijn, mensen die een kwade geest in zich hadden, en mensen die niet konden lopen.
Een grote groep mensen ging met Jezus mee. Ze kwamen uit Galilea en Dekapolis. En ook uit Jeruzalem, uit Judea en van de overkant van de Jordaan.
Toen Jezus al die mensen zag, ging hij een berg op. Daar ging hij zitten. Zijn leerlingen kwamen bij hem. Jezus begon zijn leerlingen uitleg te geven over de nieuwe wereld. Hij zei:
‘Het echte geluk is voor mensen die weten dat ze God nodig hebben. Want voor hen is Gods nieuwe wereld.
Het echte geluk is voor mensen die verdriet hebben. Want God zal hen troosten.
Het echte geluk is voor mensen die vriendelijk zijn. Want aan hen zal God de aarde geven.
Het echte geluk is voor mensen die doen wat God wil, en die dat het allerbelangrijkste vinden. Want God zal hun moeite belonen.
Het echte geluk is voor mensen die goed zijn voor anderen. Want God zal goed zijn voor hen.
Het echte geluk is voor mensen die eerlijk zijn. Want zij zullen God zien.
Het echte geluk is voor mensen die vrede sluiten. Want zij zullen kinderen van God genoemd worden.
Het echte geluk is voor mensen die lijden omdat ze doen wat God wil. Want voor hen is Gods nieuwe wereld.
Het echte geluk is voor jullie. Jullie zullen het moeilijk hebben omdat je bij mij hoort. Misschien schelden de mensen je uit, of willen ze je gevangennemen. Misschien vertellen ze allerlei leugens over je. Als dat gebeurt, moet je blij zijn en vrolijk. Want jullie krijgen een grote beloning in de hemel. De profeten van vroeger werden net zo slecht behandeld als jullie nu.’
Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Jullie zijn het zout in deze wereld. Zout heeft een sterke smaak. Maar als het zijn smaak verliest, kun je het niet opnieuw zout maken. Dan is het waardeloos en wordt het weggegooid.
Jullie zijn het licht in deze wereld. Een stad op een berg is voor iedereen zichtbaar. Niemand zet een brandende lamp onder een emmer. Je zet een lamp juist hoog. Dan schijnt het licht voor alle mensen in huis. Zo moeten ook jullie een licht zijn en schijnen voor alle mensen. Dan zien ze de goede dingen die jullie doen. En dan zullen ze jullie hemelse Vader eren.’
Jezus zei: ‘Jullie moeten goed weten met welk doel ik gekomen ben. Ik ben niet gekomen om de wet van Mozes of de andere heilige boeken weg te doen. Ik ben juist gekomen om hun echte betekenis te laten zien.
Luister goed naar mijn woorden: Zo lang als de hemel en de aarde bestaan, zal er geen punt of komma uit de wet verdwijnen. De wet zal altijd blijven bestaan, totdat alles gebeurd is wat er gebeuren moet.
Stel dat iemand het kleinste regeltje van de wet afschaft, en dat hij anderen leert om dat ook te doen. Dan zal hij op de laatste plaats komen in Gods nieuwe wereld. Maar stel dat iemand zich aan de hele wet houdt, en dat hij anderen leert om dat ook te doen. Dan zal hij op de eerste plaats komen in Gods nieuwe wereld.
Luister naar mijn woorden: Doe wat God van je vraagt, en doe dat beter dan de wetsleraren en de farizeeën. Want anders kom je helemaal niet in Gods nieuwe wereld.
Jullie weten wat er gezegd is tegen jullie voorouders. Het staat in de wet: «Je mag geen moord plegen. Wie een moord pleegt, moet gestraft worden.»
Dit zeg ik daarover: Ook wie kwaad wordt op een ander, moet gestraft worden. Ook wie een ander een dwaas noemt, moet voor de rechter komen. En wie een ander een gek noemt, komt in het eeuwige vuur.
Stel dat je in de tempel bent om een offer te brengen aan God, en dat je dan opeens bedenkt dat een ander boos op je is. Laat dan je offer bij het altaar achter. Ga eerst snel naar die ander toe en maak het goed. Daarna kun je terugkomen om je offer te brengen.
Stel dat iemand je voor de rechter wil brengen omdat je hem geld schuldig bent. Spreek dan snel met hem af hoe je dat gaat oplossen. Nog voordat je bij de rechtbank bent. Anders laat de rechter je opsluiten in de gevangenis. En luister goed naar mijn woorden: Je komt die gevangenis pas uit als je je schulden helemaal hebt terugbetaald.
Jullie weten dat de wet zegt: «Je mag niet vreemdgaan.»
Dit zeg ik daarover: Ook wie naar een andere vrouw kijkt en met haar naar bed wil, gaat vreemd. Want hij is in gedachten met haar vreemdgegaan.
Stel dat je rechteroog iets slechts ziet. Iets dat jou weghaalt bij God. Ruk je oog dan uit en gooi het weg. Je verliest dan een deel van je lichaam. Maar anders kom je met je hele lichaam in de hel terecht.
Stel dat je rechterhand iets slechts doet. Iets dat jou weghaalt bij God. Hak je hand dan af en gooi hem weg. Je verliest dan een deel van je lichaam. Maar anders kom je met je hele lichaam in de hel.
Jullie weten dat de wet zegt: «Als je wilt scheiden van je vrouw, moet je haar een scheidingsbrief meegeven.»
Dit zeg ik daarover: Je mag helemaal niet scheiden van je vrouw, behalve als ze zelf vreemdgegaan is. Door te scheiden laat je haar vreemdgaan. Want dat gebeurt als ze met een ander trouwt. En je gaat zelf ook vreemd als je met een gescheiden vrouw trouwt.
Jullie weten wat er nog meer gezegd is tegen jullie voorouders. Het staat in de wet: «Zeg niet te snel: Dat is zo zeker als de Heer leeft! Want als je iets zegt dat niet waar is, heb je schuld bij God.»
Dit zeg ik daarover: Gebruik nooit de woorden: ‘Zo zeker als de Heer leeft!’ En zeg nooit over iets: ‘Dat is zo zeker als de hemel bestaat’ of: ‘Dat is zo zeker als de aarde bestaat’. Want God is koning van de hemel, hij heerst over de aarde.
Zeg ook niet: ‘Dat is zo zeker als Jeruzalem bestaat’. Want Jeruzalem is de stad van God. En zeg ook niet: ‘Dat is zo zeker als ik een hoofd heb’. Want je kunt nog geen haar op je hoofd van kleur laten veranderen.
Zo moet het zijn: Zeg ja als het ja is, en zeg nee als het nee is. Al dat andere is bedacht door de duivel.
Jullie weten dat de wet zegt: «Als een ander jou iets aandoet, wordt bij hem voor straf hetzelfde gedaan.»
Dit zeg ik daarover: Verzet je niet tegen iemand die jou kwaad doet. Stel dat iemand je een klap in je gezicht geeft, draai dan je hoofd naar de andere kant. Dan kan hij je nog een keer slaan. Stel dat iemand jou voor de rechter wil brengen omdat hij je hemd wil hebben. Geef hem dan ook je jas. Of stel dat een soldaat je dwingt om zijn spullen voor hem te dragen. Loop dan twee keer zo ver mee als hij vraagt.
Als iemand iets van je wil hebben, geef het hem dan. Als iemand geld van je wil lenen, zeg dan geen nee.
Jullie weten dat de wet zegt: «Je moet houden van de mensen om je heen. Maar je vijanden moet je haten.»
Dit zeg ik daarover: Je moet ook van je vijanden houden. En je moet bidden voor de mensen die jou in moeilijkheden brengen. Alleen dan zijn jullie echt kinderen van God. Want ook jullie Vader in de hemel is goed voor iedereen. Hij geeft zon en regen voor iedereen, voor goede en voor slechte mensen.
Stel dat je alleen van je vrienden houdt. Verdien je dan een beloning van God? Nee, want ook slechte mensen houden van hun vrienden.
En stel dat je alleen je vrienden groet. Doe je dan iets bijzonders? Nee, want ook de mensen die niet in God geloven, doen dat.
Jullie moeten goed zijn voor alle mensen. Net zoals jullie hemelse Vader goed is voor iedereen.’
--
Dit is de Bijbel in een Jaar podcast dag 18.
Een podcast van het NBG.
Morgen staat er een nieuwe aflevering voor je klaar.
Podcasts we love
Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.