Bijbel in een jaar
Bijbel in een jaar
Dag 23 - 2026 - Mattheüs 17-20
Vandaag lezen we Matteüs 17-20 uit de NBV21.
🌟 Laat een review achter in jouw podcastapp!
📖 Lees mee via de app en houd je persoonlijke voortgang bij
🔎Ontdek nog meer manieren om mee te doen
📷Volg ons op Instagram
💡Schrijf je in voor tweewekelijkse Bijbelse inspiratie
❤️Lees meer over het Bijbelgenootschap
Je luistert naar het Bijbel in een jaar podcast van het NBG.
Dit is dag 23.
Vandaag lezen we Mattheüs 17-20.
Zes dagen later ging Jezus een hoge berg op. Petrus mocht met hem mee, en ook de broers Jakobus en Johannes. Boven op de berg waren ze alleen. De leerlingen zagen dat Jezus veranderde. Zijn gezicht begon te stralen, net als de zon. En zijn kleren werden zo wit als een helder licht.
Opeens zagen de leerlingen Mozes en Elia. Die waren met Jezus aan het praten. Petrus zei tegen Jezus: ‘Heer, het komt goed uit dat wij hier zijn! Als u wilt, maken we hier drie hutten: één voor u, één voor Mozes, en één voor Elia.’ Terwijl Petrus dat zei, kwam er een stralend lichte wolk boven hen. En uit die wolk klonk Gods stem, die zei: ‘Hij alleen is mijn Zoon. Mijn liefde voor hem is groot. Luister naar hem!’
Toen de leerlingen dat hoorden, lieten ze zich voorover op de grond vallen. Ze waren erg bang. Jezus kwam naar hen toe. Hij raakte hen aan en zei: ‘Sta op. Jullie hoeven niet bang te zijn.’ Toen de leerlingen opkeken, zagen ze niemand meer, behalve Jezus.
Jezus en de drie leerlingen gingen weer van de berg af. Jezus zei: ‘Jullie mogen nu nog niet vertellen wat je gezien hebt, aan niemand. Want eerst moet de Mensenzoon opstaan uit de dood.’
De leerlingen vroegen: ‘De wetsleraren zeggen dat Elia eerst moet komen. Hoe zit dat precies?’ Jezus zei: ‘Dat klopt. Elia komt om alles in orde te maken. Maar luister naar mijn woorden: Elia is al gekomen. Maar de mensen wilden niet geloven dat hij het was. Ze hebben hem slecht behandeld. En ook de Mensenzoon zal veel moeten lijden.’
Toen begrepen de leerlingen wie Jezus bedoelde met Elia. Hij bedoelde Johannes de Doper.
Toen Jezus en de drie leerlingen terugkwamen, stond er een groep mensen. Er kwam een man naar Jezus toe. Hij knielde voor Jezus en zei: ‘Heer, heb medelijden met mijn zoon! Hij heeft een kwade geest in zich. Daardoor heeft hij veel pijn en valt hij vaak in het vuur of in het water. Ik heb hem bij uw leerlingen gebracht. Maar zij konden hem niet beter maken.’
Jezus zei: ‘Wat zijn jullie toch ongelovig! Jullie doen het helemaal verkeerd. Hoe lang moet ik nog bij jullie blijven? Hoe houd ik dat vol? Breng die jongen hier!’
Jezus sprak streng tegen de kwade geest. De kwade geest ging weg, en vanaf dat moment was de jongen weer beter.
Toen Jezus en de leerlingen alleen waren, vroegen de leerlingen: ‘Waarom konden wij die kwade geest niet wegjagen?’ Jezus antwoordde: ‘Dat komt doordat jullie geloof te klein is. Luister goed naar mijn woorden: Zelfs als je geloof maar zo klein is als een mosterdzaadje, is alles mogelijk. Als je dan tegen een berg zegt: ‘Ga eens opzij,’ dan gaat die berg opzij.’
Toen Jezus en de leerlingen weer in Galilea waren, zei Jezus tegen hen: ‘De Mensenzoon zal uitgeleverd worden aan mensen die hem zullen doden. Maar drie dagen later zal hij opstaan uit de dood.’
Toen de leerlingen dat hoorden, werden ze erg verdrietig.
Toen Jezus en de leerlingen in Kafarnaüm waren, kwamen er een paar mannen bij Petrus. Het waren de mannen die de tempelbelasting ophaalden. Ze vroegen: ‘Betaalt jouw meester wel tempelbelasting?’ ‘Ja, natuurlijk,’ zei Petrus.
Toen Petrus thuiskwam, vroeg Jezus meteen aan hem: ‘Simon, ik wil je wat vragen. Alle koningen vragen belasting. Maar van wie vragen ze dat? Van hun eigen kinderen of van andere mensen?’
Petrus antwoordde: ‘Van andere mensen.’ ‘Inderdaad,’ zei Jezus, ‘kinderen hoeven geen belasting te betalen aan hun vader. Maar ik wil niet dat de mensen slecht over ons denken. Daarom moet je naar het meer gaan om te vissen. Pak de eerste vis die je vangt en doe zijn bek open. Daar zit een munt in. Geef die aan de mannen die de tempelbelasting ophalen. Dan heb je voor ons allebei betaald.’
--
Op dat moment kwamen ook de andere leerlingen bij Jezus. Ze vroegen: ‘Wie is eigenlijk de belangrijkste in Gods nieuwe wereld?’
Jezus riep een kind bij zich en zette het midden in de groep. Hij zei: ‘Luister goed naar mijn woorden: Jullie moeten veranderen en net zo worden als kinderen. Anders kun je de nieuwe wereld niet binnengaan. Je moet jezelf net zo onbelangrijk maken als dit kind. Dan zul je de belangrijkste zijn in Gods nieuwe wereld.
De mensen die in mij geloven, zijn net zoals kinderen. Iedereen die hen met open armen ontvangt, die ontvangt mij. Maar iemand die een gelovige weghaalt bij God, krijgt een zware straf. Het zou beter voor hem zijn als hij met een zware steen om zijn nek verdronken was, diep in de zee.
Mensen zullen proberen om gelovigen weg te halen bij God. Die dingen moeten gebeuren. Maar wat een ramp zal het zijn voor wie dat doet! En wat een ramp zal het zijn voor de wereld, als dat gebeurt!’
Jezus zei: ‘Stel dat je hand of je voet iets slechts doet. Iets dat jou weghaalt bij God. Hak je hand of je voet dan af. Beter met één hand of met één voet naar het eeuwige leven, dan met twee naar het eeuwige vuur.
Stel dat je oog iets slechts ziet. Iets dat jou weghaalt bij God. Ruk je oog dan uit en gooi het weg. Beter met één oog naar het eeuwige leven, dan met twee naar het vuur van de hel.
Pas op, behandel gelovigen niet als mensen die niets waard zijn. Want luister naar mijn woorden: De engelen die voor hen zorgen, staan in de hemel het dichtst bij God.’
Jezus zei: ‘Stel dat iemand honderd schapen heeft, maar hij raakt er één kwijt. Wat zal hij dan doen? Hij laat de 99 andere schapen in de heuvels achter. En hij gaat op zoek naar dat ene schaap dat hij kwijt is. En als hij het vindt, dan is hij blij. Luister goed naar mijn woorden: Dat ene schaap maakt hem gelukkiger dan alle andere schapen die hij niet kwijt was.
Zo is het ook met jullie Vader in de hemel. Hij wil niet één gelovige kwijtraken.’
Jezus zei: ‘Stel dat een andere gelovige iets verkeerds doet. Zeg hem dan wat hij verkeerd gedaan heeft zonder dat er anderen bij zijn. Als hij naar je luistert, dan heb je hem bij God teruggebracht.
Maar als hij niet naar je wil luisteren, moet je naar hem toe gaan, samen met één of twee anderen. Want er zijn minstens twee mensen nodig voor een geldige verklaring. Als hij dan nog niet luistert, vertel het dan aan de hele groep gelovigen. Als hij ook niet naar de groep luistert, dan hoort hij er niet meer bij. Dan moet je hem behandelen als een ongelovige of een tollenaar. Luister goed naar mijn woorden: De besluiten die jullie op aarde nemen, zullen ook geldig zijn in de hemel.
En luister ook goed naar deze woorden: Stel dat twee van jullie samen bidden om iets hier op aarde. Dan zal mijn hemelse Vader zorgen dat het gebeurt, wat het ook is. Want overal waar twee of meer gelovigen bij elkaar zijn, daar ben ik ook.’
Petrus kwam bij Jezus en zei: ‘Heer, als een andere gelovige mij slecht behandelt, dan moet ik hem vergeven. Maar hoe vaak? Wel zeven keer?’ Jezus zei: ‘Nee, niet zeven keer, maar zeventig maal zeven keer. Luister, ik zal een voorbeeld geven over Gods nieuwe wereld.
Een koning wil dat zijn dienaren al hun schulden aan hem terugbetalen. Eén voor één laat hij de dienaren bij zich komen. Er wordt ook een man bij de koning gebracht die hem vele miljoenen schuldig is. De man kan niets terugbetalen. De koning zegt: ‘Verkoop die man, samen met zijn vrouw, zijn kinderen en al zijn bezittingen. Dan krijg ik nog iets terug.’
Maar de dienaar knielt voor de koning. Diep gebogen blijft hij liggen en zegt: ‘Heb alstublieft geduld met mij. Ik zal u later alles terugbetalen.’ De koning krijgt medelijden met de man. Hij zegt: ‘Ik laat je gaan. Je hoeft dat geld niet meer terug te betalen.’
Als de man naar buiten gaat, ziet hij een andere dienaar van de koning. Die ander is hem nog een paar duizend schuldig. Hij grijpt hem bij zijn keel en zegt: ‘Nu betalen!’ De andere dienaar knielt voor hem en zegt: ‘Heb alsjeblieft geduld met mij. Ik zal je later terugbetalen.’ Maar de man zegt: ‘Geen sprake van.’ En hij laat de ander opsluiten in de gevangenis, totdat die zijn schuld terugbetaald heeft.
Andere dienaren van de koning hebben gezien wat er gebeurd is. Ze zijn erg verdrietig. Ze vertellen alles aan de koning. Dan roept de koning die man weer bij zich en zegt: ‘Jij bent een slechte dienaar! Je vroeg mij om geduld met je te hebben. En ik zei dat je het geld niet terug hoefde te betalen. Ik had medelijden met jou. En jij had ook medelijden moeten hebben met die andere dienaar.’
De koning is woedend. Hij laat de man meenemen door de bewakers van de gevangenis. Die zullen hem pijn laten lijden, totdat hij zijn schuld heeft terugbetaald.’
Jezus zei: ‘Zo is het ook met mijn hemelse Vader. Hij wil dat je de andere gelovigen van harte vergeeft. Anders zal hij je straffen.’
--
Toen Jezus klaar was met zijn uitleg, ging hij weg uit Galilea. Hij ging naar Judea, door het gebied aan de overkant van de Jordaan. Grote groepen mensen gingen met hem mee, en Jezus maakte de zieken beter.
Toen kwamen er farizeeën bij Jezus. Ze vroegen: ‘Mag een man om elke reden scheiden van zijn vrouw?’ Ze hoopten dat Jezus iets verkeerds zou zeggen.
Maar Jezus zei: ‘Jullie weten best dat God bij de schepping een man en een vrouw maakte. En God zei erbij: ‘Een man blijft niet bij zijn vader en moeder. Hij gaat met zijn vrouw leven en ze worden samen helemaal één.’ Ze zijn niet langer twee, maar ze zijn samen één geheel. En wat God bij elkaar brengt, mag een mens niet scheiden.’
De farizeeën zeiden tegen Jezus: ‘Maar waarom mag dat dan wel volgens de wet van Mozes? Daar staat dat een man mag scheiden als hij zijn vrouw een scheidingsbrief meegeeft.’
Jezus antwoordde: ‘Mozes maakte die regel in de wet voor mensen die niet om elkaar geven, zoals jullie. Maar zo heeft God het niet bedoeld bij de schepping.’
Jezus zei: ‘Luister naar mijn woorden: Je mag niet scheiden van je vrouw, alleen als zij zelf vreemdgegaan is. Want als je scheidt en met een ander trouwt, dan ga je vreemd.’
De leerlingen zeiden: ‘Dan kun je maar beter helemaal niet trouwen.’ Jezus zei tegen hen: ‘Wat ik zeg, is moeilijk. Je kunt het alleen begrijpen als God je inzicht geeft. Om verschillende redenen zijn er mannen die alleen blijven. Sommige mannen blijven alleen omdat ze geen seks kunnen hebben. Omdat ze zo geboren zijn of omdat ze door de mensen zo gemaakt zijn. Maar er zijn ook mannen die er zelf voor kiezen om alleen te blijven. Omdat ze willen leven voor Gods nieuwe wereld. Probeer het te begrijpen, als je dat kunt.’
Er waren mensen die kinderen bij Jezus brachten. Ze wilden graag dat hij zijn handen op de kinderen zou leggen en voor hen zou bidden. Maar de leerlingen hielden die mensen tegen.
Toen zei Jezus: ‘Laat die kinderen bij me komen. Houd ze niet tegen, want Gods nieuwe wereld is er juist voor hen.’ En Jezus legde zijn handen op hen. Daarna ging hij weer verder.
Er kwam een jonge man bij Jezus. Hij vroeg: ‘Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwige leven te krijgen?’ Jezus zei tegen hem: ‘Waarom vraag je mij wat goed is? Alleen God is goed. Als je eeuwig wilt leven, houd je dan aan Gods regels.’ ‘Welke regels?’ vroeg de man.
Jezus antwoordde: ‘Je mag niemand vermoorden. Je mag niet vreemdgaan. Je mag niet stelen. Je mag niet liegen. Je moet respect hebben voor je vader en je moeder. En je moet evenveel houden van de mensen om je heen als van jezelf.’
Toen zei de man: ‘Ik houd me aan al die regels. Wat kan ik nog meer doen?’ Jezus zei tegen hem: ‘Als je volmaakt wilt zijn, ga dan naar huis. Verkoop alles wat je hebt en geef het geld aan de armen. Dan zul je in de hemel een grote beloning krijgen. Als je alles weggegeven hebt, kom dan terug en ga met mij mee.’
Toen de man dat hoorde, liep hij teleurgesteld weg. Want hij was erg rijk.
Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Luister goed naar mijn woorden: Het is moeilijk voor een rijke om in Gods nieuwe wereld te komen. Ik zal het nog sterker zeggen. Het is voor rijke mensen heel moeilijk om in Gods nieuwe wereld te komen. Je zult nog eerder een kameel door het oog van een naald zien gaan!’
Toen de leerlingen dat hoorden, schrokken ze heel erg. Ze vroegen: ‘Maar wie kan er dan nog gered worden?’ Jezus keek hen aan en zei: ‘Als het van mensen afhangt, kan niemand gered worden. Maar het hangt van God af, en dan kan alles.’
Toen stelde Petrus de vraag: ‘Maar hoe zit het met ons? Wij hebben alles achtergelaten om met u mee te gaan. Wat is onze beloning?’
Jezus zei: ‘Luister goed naar mijn woorden: Jullie zijn met mij meegegaan. Daarom zullen jullie naast mij zitten als de nieuwe wereld komt. De Mensenzoon zal dan als koning op zijn troon zitten. Jullie zullen bij hem zitten op twaalf tronen. En jullie zullen rechtspreken over heel Israël.
Als je bij mij wilt horen, moet je bereid zijn om alles op te geven: je broers en je zussen, je ouders en je kinderen, je huizen en je land. Maar je krijgt er honderd keer zo veel voor terug. En je zult het eeuwige leven krijgen.’
Jezus zei verder: ‘De belangrijkste mensen zullen achteraankomen. En de onbelangrijkste mensen zullen vooraan staan.’
---
Jezus zei: ‘Dit voorbeeld leert je iets over Gods nieuwe wereld.
Er is een man die een wijngaard heeft. Vroeg in de ochtend gaat hij op weg. Hij zoekt arbeiders om in zijn wijngaard te werken. Hij spreekt een bedrag met hen af: het normale loon voor een dag werken. En hij stuurt ze naar zijn wijngaard.
Later die ochtend gaat de eigenaar van de wijngaard weer op weg. Hij ziet mannen op straat die nog geen werk hebben. Hij zegt tegen hen: ‘Ga maar in mijn wijngaard werken. Ik zal jullie een eerlijk loon geven.’ De mannen gaan aan het werk.
Om twaalf uur en om drie uur ’s middags gaat de man opnieuw op weg. Weer stuurt hij de mannen die hij tegenkomt, naar zijn wijngaard.
Als de dag bijna om is, gaat de man nog één keer op weg. Weer ziet hij mannen op straat staan. Hij vraagt: ‘Waarom staan jullie hier de hele dag zonder werk?’ De mannen antwoorden: ‘Niemand heeft ons vandaag werk gegeven.’ Dan zegt de man: ‘Ga maar in mijn wijngaard werken.’
Als het avond is, zegt de eigenaar van de wijngaard tegen de man die zijn zaken regelt: ‘Roep alle arbeiders en geef ze hun loon. Betaal eerst de mannen die het laatst gekomen zijn. En als laatste de mannen die het eerst kwamen.’
De mannen die maar kort gewerkt hebben, zijn dus het eerst aan de beurt. Zij krijgen het normale loon voor een dag werken. De mannen die de hele dag gewerkt hebben, zijn het laatst aan de beurt. Zij denken: Wij zullen dan wel meer krijgen. Maar ook zij krijgen het normale loon voor een dag werken. Met het geld in hun hand komen ze bij de eigenaar van de wijngaard. Ze zeggen: ‘Het is niet eerlijk! Die anderen hebben maar één uur gewerkt. Wij hebben de hele dag hard gewerkt in de hete zon. En nu krijgen zij evenveel als wij!’
De eigenaar zegt tegen één van die mannen: ‘Beste vriend, ik heb jullie niet oneerlijk behandeld. We hadden toch het normale loon afgesproken? Ga rustig naar huis met je geld. Ik wilde de mannen die het laatst kwamen, net zo veel geven als jullie. Het is mijn geld. Ik mag ermee doen wat ik wil. Waarom zijn jullie jaloers als ik anderen goed behandel?’
Zo zal het gaan in de nieuwe wereld. Mensen die nu het laatst komen, zullen dan vooropgaan. En mensen die nu het eerst komen, komen dan achteraan.’
Jezus was op weg naar Jeruzalem. Toen hij met de twaalf leerlingen alleen was, zei hij: ‘We zijn op weg naar Jeruzalem. Daar zal de Mensenzoon uitgeleverd worden aan de priesters en de wetsleraren. Zij zullen besluiten dat hij gedood moet worden. Ze zullen hem uitleveren aan de ongelovigen. Die zullen hem bespotten, en hem met de zweep slaan. Daarna zullen ze hem aan het kruis hangen. Maar drie dagen later zal hij opstaan uit de dood.’
Toen kwam de moeder van Jakobus en Johannes bij Jezus, samen met haar twee zonen. Ze knielde voor Jezus en zei: ‘Mag ik u iets vragen?’ Jezus vroeg: ‘Wat wilt u vragen?’ Ze zei tegen hem: ‘Als u straks koning wordt, mogen mijn zonen dan naast u zitten? De één rechts en de ander links?’
Jezus gaf antwoord aan Jakobus en Johannes. Hij zei: ‘Jullie weten niet wat je vraagt! Ik zal zwaar moeten lijden. Kunnen jullie dat soms ook?’ Ze zeiden: ‘Ja, dat kunnen we.’
Toen zei Jezus tegen hen: ‘Inderdaad, jullie zullen net als ik zwaar lijden. Maar ik bepaal niet wie er straks naast mij mogen zitten. Dat bepaalt mijn Vader.’
De andere leerlingen hoorden wat Jakobus en Johannes gezegd hadden. Ze werden kwaad op de twee broers.
Jezus riep de leerlingen bij elkaar en zei: ‘Jullie weten hoe het gaat in de wereld. Koningen heersen over hun volk. En mensen met macht spelen de baas over anderen. Maar zo mag het bij jullie niet gaan. Als je de belangrijkste wilt zijn, moet je de anderen dienen. Als je de voornaamste wilt zijn, moet je de anderen dienen zoals een slaaf doet.
Zo is het ook met de Mensenzoon. Ik ben niet gekomen om over mensen te heersen. Ik ben er juist om mensen te dienen. Ik zal mijn leven geven om veel mensen te redden.’
Jezus en de leerlingen kwamen uit de stad Jericho. Een grote groep mensen liep met hen mee. Er zaten twee blinden langs de kant van de weg. Toen ze hoorden dat Jezus voorbijkwam, riepen ze: ‘Heer, Zoon van David! Heb medelijden met ons!’ De mensen zeiden tegen hen: ‘Houd toch je mond!’ Maar ze begonnen juist nog harder te roepen: ‘Heer, Zoon van David! Heb medelijden met ons!’
Jezus bleef staan en riep hen. Hij vroeg: ‘Wat willen jullie dat ik voor je doe?’ Ze antwoordden: ‘Heer, wij willen kunnen zien.’ Jezus had medelijden met hen. Hij raakte hun ogen aan en meteen konden ze zien. Daarna gingen ze met Jezus mee.
---
Dit is de Bijbel in een Jaar podcast dag 23.
Een podcast van het NBG.
Morgen staat er een nieuwe aflevering voor je klaar.
Podcasts we love
Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.