Bijbel in een jaar

Dag 27 - 2026 - Job 1-3, Psalm 88

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap Season 2026 Episode 32

Vandaag lezen we Job 1-3 en Psalm 88 uit de NBV21.

🌟 Laat een review achter in jouw podcastapp!
📖 Lees mee via de app en houd je persoonlijke voortgang bij
🔎Ontdek nog meer manieren om mee te doen
📷Volg ons op Instagram
💡Schrijf je in voor tweewekelijkse Bijbelse inspiratie
❤️Lees meer over het Bijbelgenootschap

Je luistert naar het Bijbel in een jaar podcast van het NBG.
Dit is dag 27.
Vandaag lezen we Job 1-3 en Psalm 88.
   

In het land Us woonde een man die Job heette. Hij was eerlijk en trouw aan God. Hij had eerbied voor God en deed nooit iets verkeerds.
Job had zeven zonen en drie dochters. Hij had ook veel vee: zevenduizend schapen en geiten, drieduizend kamelen, duizend koeien en vijfhonderd ezels. Verder had hij veel slaven en slavinnen. Hij was de rijkste man van het hele Oosten.
De zonen van Job gaven regelmatig een feest, om de beurt bij één van hen thuis. En dan nodigden ze ook hun drie zussen uit.
Na elk feest liet Job zijn kinderen bij zich komen. Hij wilde ervoor zorgen dat God hen niet zou straffen. Daarom bracht hij ’s ochtends voor ieder van hen een offer. Want hij dacht: Misschien hebben ze iets verkeerds gedaan. Misschien hebben ze iets slechts over God gezegd.
Dat deed Job steeds opnieuw, na elk feest.
Op een dag kwamen de engelen in de hemel bij de Heer. Eén van die engelen was Satan. Hij wilde Job kwaad doen.
De Heer vroeg aan Satan: ‘Waar ben je geweest?’ Satan antwoordde: ‘Ik heb een lange reis gemaakt. Ik ben overal op aarde geweest.’ De Heer zei: ‘Dan heb je natuurlijk ook mijn dienaar Job gezien! Niemand op aarde is zo eerlijk en trouw als Job. Hij heeft eerbied voor mij, en hij doet nooit iets verkeerds.’
Satan antwoordde: ‘Ja, natuurlijk heeft Job eerbied voor u! Want u beschermt Job. En u beschermt ook zijn familie en al zijn bezit. U zorgt ervoor dat het heel goed met hem gaat. En hij krijgt steeds meer vee! Maar stel dat u alles van hem afneemt. Dan zal hij vast en zeker slechte dingen over u gaan zeggen.’
‘Goed,’ zei de Heer, ‘doe wat je wilt met alles wat Job bezit. Maar hemzelf moet je met rust laten.’
Toen ging Satan weg.
Op een dag waren de kinderen van Job weer aan het feestvieren. Ze waren in het huis van hun oudste broer. Eén van Jobs knechten kwam naar Job toe en zei: ‘Er is iets verschrikkelijks gebeurd! Wij waren op het land aan het werk, en onze dieren waren gras aan het eten. Plotseling werden we overvallen door de Sabeeërs. Zij hebben de dieren meegenomen en alle knechten gedood. Ik was de enige die kon vluchten. Dus alleen ik kan het u vertellen.’
De man was nog maar net uitgepraat, toen er een andere knecht aan kwam. Hij zei: ‘Al uw schapen en geiten zijn door de bliksem gedood. En ook de knechten zijn dood. Ik was de enige die kon vluchten. Dus alleen ik kan het u vertellen.’
Die man was nog maar net uitgepraat, toen er weer een andere knecht aan kwam. Hij zei: ‘De Chaldeeën vielen ons van drie kanten aan. Ze hebben alle kamelen gestolen, en ze hebben uw knechten gedood. Ik was de enige die kon vluchten. Dus alleen ik kan het u vertellen.’
Ook die man was nog maar net uitgepraat, toen er weer een andere knecht aan kwam. Hij zei: ‘Uw kinderen waren aan het feestvieren in het huis van uw oudste zoon. Plotseling ging het heel hard stormen. De muren van het huis vielen om, en uw kinderen kwamen onder het puin. Ze zijn allemaal dood. Ik was de enige die kon vluchten. Dus alleen ik kan het u vertellen.’
Toen Job dat hoorde, scheurde hij van verdriet zijn kleren kapot. Hij knipte zijn hoofd helemaal kaal, en liet zich van ellende op de grond vallen. Hij zei: ‘Ik had niets toen ik geboren werd. Ik zal ook niets hebben als ik begraven word. De Heer heeft mij alles gegeven, en de Heer heeft alles weer van mij afgenomen. Toch blijf ik de Heer danken!’
Job maakte veel ellende mee, maar toch deed hij geen slechte dingen. En hij gaf God nergens de schuld van.

--

Op een dag kwamen de engelen in de hemel weer bij de Heer. Bij hen was ook Satan.
De Heer vroeg aan Satan: ‘Waar ben je geweest?’ Satan antwoordde: ‘Ik heb een lange reis gemaakt. Ik ben overal op aarde geweest.’ De Heer zei: ‘Dan heb je natuurlijk ook mijn dienaar Job gezien. Hij heeft niets verkeerds gedaan. Toch kwam je bij mij met het plan om alles van hem af te nemen. En nu is hij alles kwijt. Maar je ziet dat Job nog steeds eerbied voor mij heeft. Niemand op aarde is zo eerlijk en trouw als hij.’
Satan antwoordde: ‘Ja, natuurlijk, hij wil blijven leven, al moet hij er alles voor geven. Maar maak Job maar eens ernstig ziek! Dan zal hij vast en zeker slechte dingen over u zeggen.’
‘Goed,’ zei de Heer, ‘je mag met hem doen wat je wilt, als je hem maar in leven laat.’
Toen ging Satan weg, en hij zorgde ervoor dat Job verschrikkelijk ziek werd. Job kreeg overal op zijn lichaam zweren. Hij pakte een stuk van een gebroken pot om zich daarmee te krabben. Hij bleef dag en nacht op de grond zitten.
Zijn vrouw zei tegen hem: ‘Blijf je nog steeds trouw aan God? Je hebt nu genoeg reden om slechte dingen over hem te zeggen! Doe dat dan, en sterf.’ Maar Job antwoordde haar: ‘Je praat alsof je een vijand van God bent. Het goede krijgen we van God, het slechte ook!’
Job maakte veel ellende mee, maar toch zei hij niets slechts over God.
Job had drie vrienden: Elifaz uit Teman, Bildad uit Suach en Sofar uit Naäma. Zij hoorden wat er met Job gebeurd was. Ze besloten naar hem toe te gaan, want ze wilden hem troosten.
Ze herkenden Job pas toen ze heel dichtbij waren. Ze moesten erg huilen. Van verdriet scheurden ze hun kleren kapot, en ze gooiden zand over hun hoofd. Zeven dagen en zeven nachten zaten ze bij hem op de grond. Ze zeiden niets. Want ze zagen hoeveel pijn Job had.

--

Na zeven dagen begon Job te spreken. Hij wilde dat hij nooit geboren was. Hij zei:

‘Weg met de dag waarop ik ben geboren,
vergeet de nacht waarin mijn leven begon!

De dag van mijn geboorte had er niet moeten zijn.
God had die dag niet moeten laten beginnen,
het had niet licht moeten worden.
Die dag had donker moeten blijven,
een zwarte wolk had die dag moeten verbergen.
Was de zon maar niet opgekomen,
dan had die dag niet bestaan.

Ach, was mijn leven maar nooit begonnen!
Was die nacht er maar nooit geweest,
dat jaar en die maand waarin mijn leven begon.
Was ik maar nooit gemaakt in die nacht,
was er maar niemand blij geweest
dat mijn leven ontstond.
Had iemand het licht maar tegengehouden,
had een tovenaar de tijd maar stilgezet.
Was het maar donker gebleven,
was de ochtend maar niet gekomen,
was de zon maar niet opgegaan.
Dan was mijn leven niet begonnen,
en dan had ik het nu niet zo moeilijk.
Ik had moeten sterven bij mijn geboorte,
ik had toen dood moeten gaan.
Mijn moeder had me niet in haar armen moeten nemen,
ze had me niet de borst moeten geven.
Dan zou ik nu stil in mijn graf liggen.
Dan zou ik nu slapen, en dan had ik rust.
Dan was ik nu in het land van de dood,
samen met koningen en grote leiders,
die tempels en paleizen lieten bouwen.
Dan was ik nu bij machtige heersers,
die woonden in huizen vol zilver en goud.

Was ik maar dood geboren, en weggestopt.
Had ik maar nooit het licht gezien!
Want in het land van de dood vindt iedereen rust.
Daar doen slechte mensen niemand pijn.
Vermoeide mensen mogen er rusten.
Gevangenen die hard moesten werken,
worden er niet meer opgejaagd.
Rijken en armen zijn er gelijk,
slaven hebben daar geen meester meer.
Waarom houdt God mensen in leven
als ze alleen maar ellende meemaken,
als ze alleen maar verdriet hebben?
Ze wachten op de dood, maar die komt niet.
Ze verlangen naar het einde, maar dat is nog ver.
Als ze rustig zouden kunnen sterven,
zouden ze zingen en juichen!

Waarom laat God mij leven,
terwijl ik de zin van het leven niet zie?
Waarom laat God me niet sterven?
Ik kan niet meer eten van verdriet,
ik heb alleen nog maar tranen.
Alles waar ik bang voor was, is gebeurd.
Ik heb geen vrede,
ik vind geen rust meer,
ik houd het niet meer uit.’

---

Psalm 88
Een lied van de Korachieten. Voor de zangleider. Op de wijs van het lied ‘De fluit’. Een lied van de Ezrachiet Heman.
Heer, mijn God, red mij!
Overdag roep ik naar u,
in de nacht wacht ik op antwoord.
Luister naar mijn gebed,
hoor hoe ik om hulp roep.
Ik ben ziek van ellende,
ik ben al bijna in het land van de dood.

Ik heb geen kracht meer.
Het is alsof ik al in mijn graf lig,
door iedereen verlaten.
Het is alsof ik bij de doden hoor,
eenzaam en door iedereen vergeten.
Aan de doden denkt u niet meer,
u beschermt hen niet meer.

Het is alsof u mij begraven hebt,
in het donker onder de grond.
Uw woede is een zware last voor mij,
een last die op mij drukt.
Mijn vrienden willen me niet meer kennen,
ze schrikken als ze mij zien.
Uw woede houdt me gevangen.
Nergens zie ik licht.
Heer, mijn ogen doen pijn van het huilen,
ik doe mijn handen omhoog naar u,
de hele dag roep ik naar u.

Voor de doden doet u geen wonderen,
zij staan niet op om voor u te zingen.
In het graf spreekt niemand over uw liefde,
in het land van de dood denkt niemand aan uw trouw.
Daar in het donker weet niemand van uw wonderen,
daar is alles vergeten,
daar ziet niemand uw goedheid.

Maar ik, ik roep naar u, Heer,
elke ochtend bid ik tot u.
Heer, waarom hoort u mij niet,
waarom verbergt u zich voor mij?
Ik ben ongelukkig,
heel mijn leven al ben ik dicht bij de dood.
Uw woede maakt me wanhopig.

U straft mij met uw woede,
u maakt me doodsbang.
U vernietigt mij.
Elke dag weer voel ik uw woede,
overal om mij heen.
Niemand wil mij meer kennen,
het donker is mijn enige vriend.

--

Dit is de Bijbel in een Jaar podcast dag 27.
Een podcast van het NBG.
Morgen staat er een nieuwe aflevering voor je klaar.

Podcasts we love

Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.

Dagvers - Dé dagelijkse Bijbelpodcast Artwork

Dagvers - Dé dagelijkse Bijbelpodcast

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap