Bijbel in een jaar
Bijbel in een jaar
Dag 37 - 2026 - Job 29-31
Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.
Vandaag lezen we Job 29 tot 31 uit de NBV21.
🌟 Laat een review achter in jouw podcastapp!
📖 Lees mee via de app en houd je persoonlijke voortgang bij
🔎Ontdek nog meer manieren om mee te doen
📷Volg ons op Instagram
💡Schrijf je in voor tweewekelijkse Bijbelse inspiratie
❤️Lees meer over het Bijbelgenootschap
Je luistert naar het Bijbel in een jaar podcast van het NBG.
Dit is dag 37.
Vandaag lezen we Job 29-31.
Job ging verder en zei:
‘Ik zou willen dat alles was zoals vroeger,
toen God mij beschermde.
Hij was altijd bij me,
hij was voor mij als een licht in het donker.
Ik voelde me goed, ik was jong en sterk.
God was mijn vriend, hij zorgde voor mij.
De machtige God was dicht bij me,
en ik had mijn kinderen om me heen.
Ik had het goed, ik was rijk.
Ieder jaar had ik een geweldige oogst.
Ik was één van de leiders van de stad.
Als ik naar een vergadering kwam,
gingen de jongeren beleefd opzij.
De ouderen stonden op en groetten mij.
Als ik sprak, zwegen de andere leiders.
Ze waren stil en luisterden vol aandacht.
Zelfs de belangrijkste mensen zwegen,
ze stopten met praten en zeiden niets meer.
Alles wat ik zei, vonden ze geweldig.
Alles wat ik deed, vonden ze prachtig.
Want ik hielp arme en machteloze mensen,
ik beschermde kinderen zonder vader.
Aan weduwen gaf ik steun,
mensen met wie het slecht ging, waren mij dankbaar.
Ik maakte de juiste keuzes, ik was eerlijk.
Ik gaf de mensen waar ze recht op hadden.
Aan blinden wees ik de weg,
mensen die niet konden lopen, steunde ik.
Voor arme mensen was ik liefdevol als een vader,
bij de rechter verdedigde ik vreemdelingen.
Mensen die geweld gebruikten, sloeg ik neer,
en ik redde hun slachtoffers.
Ik verwachtte dat ik heel oud zou worden,
en ik dacht dat ik in vrede zou sterven.
Ik voelde me sterk en krachtig,
zo sterk als een boom die dicht bij het water staat.
Iedereen had respect voor mij.
En elke dag kreeg ik nieuwe kracht.
Iedereen wilde mijn mening horen.
Als ik iets zei, was iedereen stil.
En als ik uitgesproken was,
dachten ze na over mijn woorden.
Niemand hoefde meer iets te zeggen.
De mensen luisterden aandachtig naar me,
ze wilden geen woord missen.
Ik lachte naar hen, en dat gaf hun vertrouwen.
Ik was vriendelijk, en dat gaf hun moed.
Ik gaf de mensen leiding,
zoals een koning leiding geeft aan zijn leger.
Ik troostte iedereen die verdriet had.
--
Maar nu lachen dwaze jonge mensen mij uit!
Voor hun vaders had ik al geen respect,
die liet ik zelfs niet op mijn schapen passen.
Ze konden me niet helpen,
want ze hadden de kracht niet om te werken.
Die jonge mensen hebben altijd honger,
ze kunnen niets meer.
Ze zoeken overal in de woestijn naar eten,
zelfs ’s nachts als het donker is.
Maar alles wat ze vinden, is verdroogd.
Ze plukken onkruid en bladeren,
en eten de wortels van droge struiken.
Ze worden als dieven weggejaagd,
iedereen scheldt hen uit.
Ze wonen tussen de rotsen,
in donkere holen en grotten.
Ze kruipen bij elkaar onder de struiken,
als dieren schreeuwen ze om eten.
Ze zijn dom en dwaas,
niemand heeft respect voor hen.
Ze worden overal weggejaagd.
En die mensen spotten met mij,
ze maken grappen over mij!
Ze hebben een hekel aan mij.
Ze blijven liever op een afstand,
en ze spugen naar me.
God heeft mijn kracht weggenomen.
Nu ben ik zwak en hulpeloos,
mijn vijanden kunnen met mij doen wat ze willen.
Met z’n allen vallen ze mij aan.
Ze achtervolgen me, ze willen me vernietigen.
Ik wil vluchten, maar ze laten me niet gaan.
Ze willen me doden,
en niemand houdt ze tegen.
Ze rennen op me af, met heel veel tegelijk.
Ze lijken op soldaten die door een muur heen breken.
Ik ga bijna dood van angst.
Niemand heeft nog respect voor mij,
al mijn hoop is verdwenen.
Nu heb ik bijna geen kracht meer,
het gaat elke dag slechter met me.
’s Nachts doet mijn hele lichaam pijn,
ik krijg geen rust meer.
Met grote kracht pakt God mij vast,
hij grijpt me bij de keel.
Hij gooit me op de grond,
hij behandelt me als vuil.
God, ik roep om hulp, maar u antwoordt niet.
Ik sta hier, maar u wilt me niet zien.
U bent veranderd, u bent hard voor mij.
Met al uw kracht keert u zich tegen mij.
U tilt me op en gooit me weer neer,
u schudt me heen en weer in een storm.
Ik weet het zeker: u brengt me naar het land van de dood,
naar de plaats waar iedereen naartoe gaat.
Waarom doet u me kwaad nu ik het moeilijk heb?
En nu ik alleen nog om hulp kan roepen?
Ik heb gehuild als anderen het zwaar hadden.
Als mensen niets meer hadden, hielp ik ze altijd.
Ik hoopte op geluk,
maar er kwam alleen maar ongeluk.
Ik wachtte op licht,
maar er kwam alleen maar duisternis.
Ik ben vol onrust van binnen,
en dat wordt alleen maar erger.
Somber en bedroefd loop ik rond.
Ik ga zelfs naar de leiders van de stad,
en ik schreeuw om hulp.
Ik huil als een hond die geslagen wordt,
ik voel me in de steek gelaten.
Mijn huid is vuil en kapot,
mijn lichaam is ziek door de koorts.
Vroeger zong ik en maakte ik muziek,
nu klaag ik en huil ik van verdriet.
--
Ik heb nooit naar jonge vrouwen gekeken,
dat had ik mezelf plechtig beloofd.
Anders zou de Allerhoogste me zwaar gestraft hebben,
en die straf zou ik hebben verdiend.
Want het loopt slecht af met mensen die verkeerde dingen doen,
zij zullen door rampen getroffen worden.
God weet hoe ik geleefd heb,
hij heeft alles gezien wat ik deed!
Nooit heb ik iemand bedrogen,
nooit heb ik tegen iemand gelogen.
Dat is zo zeker als God leeft!
Laat God mijn zaak maar eerlijk onderzoeken,
dan zal hij zien dat ik onschuldig ben.
Ik heb nooit gedaan wat God verkeerd vond.
Ik heb nooit toegegeven aan slechte verlangens.
Ik heb nooit iemand onrecht aangedaan.
Als het niet waar is wat ik zeg,
dan mogen anderen eten wat ik heb gezaaid,
dan mogen zij oogsten wat ik heb geplant.
Ik heb nooit verlangd naar de vrouw van een ander.
Ik ben nooit met mijn buurvrouw naar bed geweest.
Als het niet waar is wat ik zeg,
dan mogen anderen mijn vrouw hebben,
dan mogen zij het bed met haar delen.
Dat zou mijn straf zijn,
omdat ik iets verschrikkelijks gedaan had.
Want verlangen naar de vrouw van een ander
is als een vuur dat alles vernietigt:
het maakt je hele leven kapot.
Als mijn slaven of slavinnen een klacht over mij hadden,
heb ik hen altijd rechtvaardig behandeld.
Anders zou ik niet tegenover God durven staan
als hij onderzoekt wat ik gedaan heb.
God heeft ons allemaal gemaakt in de buik van onze moeder.
Daarom zijn slaven en meesters voor hem gelijk.
Ik gaf arme mensen altijd wat ze nodig hadden,
ik liet weduwen geen honger lijden.
Ik deelde mijn eten met kinderen die niets hadden,
ik hield het niet alleen voor mezelf.
Ik zorgde voor kinderen zonder vader,
en ik gaf hulp aan weduwen.
Als ik een zwerver zag, gaf ik hem kleren.
Ik gaf dekens aan arme mensen.
Ze waren me dankbaar,
want zo konden ze zich warm houden.
Nooit heb ik kinderen zonder vader bedreigd,
ook al had ik daar de macht voor,
en ook al zouden de rechters me steunen.
Als het niet waar is wat ik zeg,
dan mag iemand mijn schouders en armen breken.
Ik ben doodsbang voor de straf van God.
God is zo machtig, hij is veel sterker dan ik.
Ik heb nooit gedacht dat geld gelukkig maakt,
ik heb nooit vertrouwd op mijn rijkdom.
Ik was nooit trots op mijn bezit,
of op alles wat ik bereikt had.
Ik vond de warmte van de zon heerlijk,
het licht van de maan vond ik prachtig.
Maar ik heb de zon en de maan nooit vereerd,
ik heb nooit in het geheim voor ze geknield.
Als ik dat wel gedaan had,
dan zou ik een zware straf verdienen.
Want dan zou het zijn alsof ik God in de hemel niet kende.
Ik was niet blij als mijn vijanden in nood waren,
ik juichte niet als een ramp hen trof.
Nooit heb ik mijn vijanden vervloekt,
nooit heb ik gebeden dat ze zouden sterven.
De mensen die in mijn huis kwamen,
zijn nooit met honger weggegaan.
Dat weten al mijn vrienden.
Voor elke reiziger opende ik mijn deuren,
niemand hoefde buiten te slapen.
Als ik fouten maakte, dan hield ik ze niet verborgen.
Als iets mijn schuld was, dan gaf ik dat toe.
Ik was niet bang voor het oordeel van mensen.
Het kon me niet schelen hoe ze over mij dachten.
Ik zei wat ik wilde zeggen,
en ik durfde overal te komen.
Ik heb nooit de akker van een ander afgepakt.
Ik heb nooit geoogst op het land van een ander.
Aan de mensen die op mijn land werkten, gaf ik loon.
Ik liet ze niet van de honger sterven.
Als het niet waar is wat ik zeg,
dan zullen er doorns op mijn akkers staan in plaats van koren,
dan zal er onkruid groeien in plaats van graan.
Ik zou willen dat er iemand echt naar me luisterde.
Alles wat ik gezegd heb, is de waarheid.
Laat de machtige God nu maar reageren,
laat hij zijn aanklacht maar opschrijven.
Ik zal die woorden aan iedereen laten zien,
ik zal ze trots met me meedragen,
zoals een koning zijn kroon draagt.
Ik kan precies aan God vertellen wat ik gedaan heb.
Ik kan trots zijn op mezelf.’
Zo eindigde de toespraak van Job.
--
Dit is de Bijbel in een Jaar podcast dag 37.
Een podcast van het NBG.
Morgen staat er een nieuwe aflevering voor je klaar.
Podcasts we love
Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.