Bijbel in een jaar

Dag 42 - 2026 - Exodus 1-3, Psalm 121

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap Season 2026 Episode 49

Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.

0:00 | 13:37

Vandaag lezen we Exodus 1 tot en met 3 en Psalmen 121 uit de NBV21.

🌟 Laat een review achter in jouw podcastapp!
📖 Lees mee via de app en houd je persoonlijke voortgang bij
🔎Ontdek nog meer manieren om mee te doen
📷Volg ons op Instagram
💡Schrijf je in voor tweewekelijkse Bijbelse inspiratie
❤️Lees meer over het Bijbelgenootschap

Je luistert naar het Bijbel in een jaar podcast van het NBG.

Dit is dag 42.

Vandaag lezen we Exodus 1-3 en Psalm 121.   

--

Jakob was naar Egypte gegaan met zijn zonen en hun gezinnen. Die zonen heetten: Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issachar, Zebulon, Benjamin, Dan, Naftali, Gad en Aser. In totaal waren er zeventig nakomelingen van Jakob met hem meegegaan naar Egypte. Zijn zoon Jozef woonde daar toen al.
Na een tijd stierven Jozef en zijn broers, en alle mensen van die generatie. Maar hun nakomelingen kregen veel kinderen. Dat waren de Israëlieten. Er kwamen steeds meer Israëlieten, ze woonden overal in Egypte.
Toen kwam er in Egypte een nieuwe farao. Die farao wist niets over Jozef. Hij zei tegen de Egyptenaren: ‘Er zijn te veel Israëlieten. En ze zijn sterker dan wij. We moeten verstandig zijn en zorgen dat er niet nog meer Israëlieten bij komen. Want stel dat er oorlog komt. Dan vechten ze misschien met onze vijanden mee, en daarna zouden ze weg kunnen vluchten uit ons land.’
Toen moesten de Israëlieten voor de farao gaan werken. Ze moesten twee steden bouwen: Pitom en Raämses. Daar wilde de farao zijn voorraden bewaren. De Israëlieten werden gedwongen om heel hard te werken. En er kwamen bewakers die hen als slaven behandelden.
Maar hoe hard de Israëlieten ook moesten werken, er werden toch steeds meer kinderen geboren. Er kwamen zo veel Israëlieten, dat de Egyptenaren een vreselijke hekel aan hen kregen. De Israëlieten moesten daarom steeds harder werken. Ze moesten stenen bakken van klei en zwaar werk doen op het land. Ze werden als slaven behandeld, en ze werden geslagen en geschopt.
Op een dag liet de farao de Israëlitische vroedvrouwen bij zich komen. Zij heetten Sifra en Pua. Hij zei tegen hen: ‘Als een Israëlitische vrouw een kind krijgt, moet je goed opletten. Als het een jongetje is, moet je hem doden. Als het een meisje is, mag ze blijven leven.’
Maar de vroedvrouwen deden niet wat de farao gezegd had. Ze lieten de jongetjes leven. Want ze hadden eerbied voor God.
De farao liet de vroedvrouwen weer bij zich komen. Hij vroeg: ‘Waarom doen jullie niet wat ik wil? Waarom laten jullie de jongetjes leven?’ De vroedvrouwen antwoordden: ‘De Israëlitische vrouwen zijn anders dan de Egyptische vrouwen. Ze zijn zo sterk! Ze krijgen hun kind al voordat wij erbij zijn.’
Zo kwamen er steeds meer Israëlieten. God zorgde ook goed voor de vroedvrouwen. Omdat ze eerbied voor hem hadden, gaf hij hun ook kinderen.
Toen zei de farao tegen zijn hele volk: ‘Alle pasgeboren jongetjes van de Israëlieten moeten in de Nijl gegooid worden. De meisjes mogen blijven leven.’

--

Een man uit de stam Levi trouwde met een vrouw uit dezelfde stam. Zij werd zwanger en ze kreeg een zoon. Toen ze zag hoe mooi hij was, verstopte ze hem. Drie maanden lang hield ze hem verborgen.
Toen de vrouw haar zoon niet langer kon verbergen, pakte ze een rieten mand. Die maakte ze waterdicht, en ze legde het kind erin. Daarna zette ze de mand in de rivier de Nijl, tussen het riet. De zus van het jongetje bleef in de buurt. Want ze wilde zien wat er verder met hem zou gebeuren.
Even later kwam de dochter van de farao naar de Nijl. Ze ging een bad nemen in de rivier, terwijl haar slavinnen langs de kant heen en weer liepen. Opeens zag ze de mand tussen het riet. Ze liet hem halen door een slavin. Toen ze de mand opendeed, zag ze het kind. Het jongetje huilde, en de dochter van de farao kreeg medelijden. ‘Ach,’ zei ze, ‘het is een Israëlitisch jongetje.’
Toen kwam de zus van het jongetje eraan. Ze zei: ‘Zal ik een Israëlitische vrouw zoeken die het kind de borst kan geven?’ ‘Ja,’ zei de dochter van de farao, ‘doe dat maar.’
Het meisje ging haar moeder halen. De dochter van de farao zei tegen de moeder: ‘Neem dit kind mee en voed het voor me. Ik zal u ervoor betalen.’ De moeder nam haar kind mee en voedde het.
Toen het jongetje groot genoeg was, bracht de moeder hem naar de dochter van de farao. Die adopteerde het kind en ze gaf hem een naam. Ze noemde hem Mozes. Ze zei: ‘Ik heb hem uit het water gehaald.’
Op een keer kwam Mozes bij de mensen van zijn eigen volk. Hij was toen al volwassen. Hij zag hoe hard de Israëlieten moesten werken. Hij zag ook dat een Israëliet geslagen werd door een Egyptenaar. Mozes keek om zich heen en zag dat er verder niemand in de buurt was. Toen sloeg hij de Egyptenaar dood. Hij verborg hem vlug onder het zand.
De volgende dag zag Mozes twee Israëlieten met elkaar vechten. Hij vroeg aan de man die begonnen was: ‘Waarom sla je iemand van je eigen volk?’ De man zei: ‘Waar bemoei jij je mee? Wie zegt dat jij de baas bent over ons? Wil je mij soms ook doodslaan, net als die Egyptenaar?’ Mozes schrok. Hij dacht: De mensen weten dus wat ik gedaan heb.
Toen de farao hoorde wat er gebeurd was, wilde hij Mozes laten doden. Maar Mozes vluchtte.
Mozes ging naar het land Midjan. Toen hij daar bij een waterput zat, kwamen de zeven dochters van de priester van Midjan eraan. Ze begonnen de schapen en geiten van hun vader water te geven. Toen kwamen er herders aan die hen weg wilden jagen. Maar Mozes ging eropaf om de meisjes te helpen. Daarna gaf hij hun dieren te drinken.
Toen de meisjes thuiskwamen, vroeg hun vader: ‘Hoe komt het dat jullie vandaag zo vroeg terug zijn?’ Ze zeiden: ‘Een Egyptenaar heeft ons geholpen toen de herders ons weg wilden jagen. En hij heeft ook water voor ons gehaald en de dieren te drinken gegeven.’
‘En waar is die man nu?’ vroeg hun vader. ‘Waarom hebben jullie hem bij de put achtergelaten? Ga hem halen, dan kan hij bij ons eten.’
Mozes ging met de meisjes mee naar hun vader. Daarna bleef hij daar wonen. Eén van de dochters, Sippora, werd zijn vrouw. Toen zij een zoon kreeg, noemde Mozes hem Gersom. ‘Ik ben een vreemdeling hier,’ zei Mozes. ‘Ik woon in een land dat ik niet ken.’
Jaren later stierf de farao. Maar de Israëlieten hadden het nog steeds erg moeilijk, omdat ze als slaven moesten werken. Ze schreeuwden om hulp, en God hoorde hen. Hij luisterde naar hen. Hij dacht aan wat hij beloofd had aan Abraham, Isaak en Jakob. Hij zag hoe moeilijk de Israëlieten het hadden, en hij kreeg medelijden met hen.

---

Mozes zorgde voor de schapen en geiten van zijn schoonvader Jetro, de priester van Midjan. Op een dag ging hij met de dieren ver de woestijn in. Hij kwam bij de berg Horeb. De Horeb was een heilige berg. Daar kwam de engel van de Heer naar hem toe, als een vuur in een doornstruik. Mozes zag dat de struik in brand stond, maar de struik verbrandde niet. Mozes dacht: Hoe kan dat? Hoe komt het dat die struik niet verbrandt? Ik zal eens gaan kijken.
Toen de Heer zag dat Mozes dichterbij kwam, riep hij vanuit de struik: ‘Mozes!’ ‘Ja, ik luister,’ antwoordde Mozes. De Heer zei: ‘Kom niet dichterbij, en trek je schoenen uit. Want je staat op heilige grond. Ik ben de God van je vader, ik ben de God van Abraham, Isaak en Jakob.’ Toen hield Mozes zijn handen voor zijn gezicht, want hij durfde niet naar God te kijken.
De Heer zei: ‘Ik heb gezien hoe moeilijk mijn volk het heeft in Egypte. Ik heb gezien hoe ze onderdrukt worden, en ik heb gehoord hoe ze om hulp roepen. Ik weet hoe ze lijden. Nu ben ik gekomen om ze te bevrijden uit de macht van de Egyptenaren. Ik zal ze naar een land brengen waar nu andere volken wonen: Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten. Het is een mooi, groot land. En er is genoeg te eten en te drinken, meer dan genoeg voor iedereen.
Ik stuur jou naar de farao. Want ik heb gehoord hoe de Israëlieten om hulp roepen. En ik heb gezien hoe de Egyptenaren hen onderdrukken. Jij moet mijn volk uit Egypte weghalen.’
Maar Mozes zei tegen God: ‘Ik? Moet ik naar de farao gaan en de Israëlieten uit Egypte weghalen? Dat kan ik niet.’ God zei: ‘Ik zal altijd bij je zijn. Jij zult het volk uit Egypte weghalen, en hier op deze berg zullen jullie mij vereren. Dan zul je zeker weten dat ik je gestuurd heb.’
Mozes zei: ‘Ik moet dus tegen de Israëlieten zeggen dat de God van hun voorouders mij gestuurd heeft. Maar wat moet ik zeggen als ze vragen hoe die God heet?’
Toen zei God: ‘Ik ben degene die er altijd is. Je moet tegen de Israëlieten zeggen dat ‘Ik ben er altijd’ je gestuurd heeft. Dat zal mijn naam zijn. Zo moeten ze mij voortaan noemen. Ik ben de Heer, de God van hun voorouders, de God van Abraham, Isaak en Jakob.’
God zei verder: ‘Je moet de leiders van de Israëlieten bij elkaar roepen, en tegen ze zeggen: ‘De Heer, de God van jullie voorouders, de God van Abraham, Isaak en Jakob, is bij mij gekomen. Hij heeft gezegd dat hij medelijden met jullie heeft. Want hij heeft gezien hoe moeilijk jullie het hebben in Egypte. Hij zal jullie bevrijden uit de ellende. Hij zal jullie naar een ander land brengen, het land van de Kanaänieten en de andere volken die daar wonen. In dat land is genoeg te eten en te drinken, meer dan genoeg voor iedereen.’
De leiders van het volk zullen naar je luisteren. Daarna moet je samen met de leiders naar de farao gaan. Tegen hem moet je zeggen: ‘De Heer, onze God, is bij ons gekomen. Mogen wij naar de woestijn gaan om hem daar offers te brengen? Dat is een reis van drie dagen.’
Ik weet dat de farao dat niet goed zal vinden. Alleen als ik hem dwing om jullie te laten gaan, zal hij het goedvinden. Ik zal de Egyptenaren laten zien hoe machtig ik ben. Ik zal vreselijke dingen doen om ze te straffen. Daarna zal de farao jullie laten gaan. Ik zal ervoor zorgen dat de Egyptenaren jullie dan goed behandelen. Jullie zullen niet arm uit Egypte weggaan. Jullie vrouwen moeten aan de Egyptische vrouwen gouden en zilveren sieraden vragen, en ook kleren. Die moeten jullie je kinderen laten aantrekken. Zo zullen jullie de Egyptenaren arm maken.

--

Psalm 121 
Een lied voor de reis naar Jeruzalem.
Ik kijk omhoog naar de bergen.
Daar komt mijn hulp vandaan.
Daar is de Heer, hij helpt mij.
Hij heeft de hemel en de aarde gemaakt.

De Heer zorgt ervoor dat jou niets overkomt.
Hij beschermt je, hij slaapt niet.
Hij slaapt nooit, hij let goed op.
Hij beschermt zijn volk Israël altijd.

De Heer beschermt je.
Hij gaat met je mee,
bij hem ben je veilig.
Er overkomt je geen kwaad,
niet overdag en niet in de nacht.

De Heer zal je steeds beschermen,
het kwaad zal je niet raken.
De Heer beschermt je,
overal, waar je ook gaat,
je leven lang.

---

Dit is de Bijbel in een Jaar podcast dag 42.

Een podcast van het NBG.

Morgen staat er een nieuwe aflevering voor je klaar.


Podcasts we love

Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.

Dagvers - Dé dagelijkse Bijbelpodcast Artwork

Dagvers - Dé dagelijkse Bijbelpodcast

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap