Bijbel in een jaar
Bijbel in een jaar
Dag 67 - 2026 - Leviticus 7-8, Psalm 119:49-56
Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.
Vandaag lezen we Leviticus 7 tot 8 en Psalm 119 vers 49 tot 56 uit de NBV21.
🌟 Laat een review achter in jouw podcastapp!
📖 Lees mee via de app en houd je persoonlijke voortgang bij
🔎Ontdek nog meer manieren om mee te doen
📷Volg ons op Instagram
💡Schrijf je in voor tweewekelijkse Bijbelse inspiratie
❤️Lees meer over het Bijbelgenootschap
Je luistert naar het Bijbel in een jaar podcast van het NBG.
Dit is dag 67.
Vandaag lezen we Leviticus 7-8 en Psalm 119:49-56.
Nu volgen er regels over offers waarmee iemands schuld weggenomen wordt.
Zulke offers zijn heel heilig. De priester moet de offerdieren slachten bij het grote altaar bij de ingang van de heilige tent. En hij moet het bloed langs de zijkanten van het altaar gieten.
Daarna moet hij alle vette delen offeren. Dus de staart, het vet dat aan de ingewanden zit, de twee nieren, het vet van de nieren, en het vette stukje van de lever. Dat deel van de lever moet tegelijk met de nieren verwijderd worden.
De priester moet alles op het altaar verbranden. Dan is het geschikt als offer waarmee iemands schuld weggenomen wordt.
Het vlees van het offerdier is voor de priester die het offer brengt. De andere priesters mogen er ook van eten. Dat moeten ze doen op een heilige plaats, want het offer is heel heilig. Die regel geldt voor dit offer en voor het offer waarmee een fout goedgemaakt wordt.
De huid van een dier dat helemaal verbrand moet worden, is voor de priester die het offer brengt.
Ook alles wat overblijft van een brood dat geofferd is, is voor de priester die het offer brengt. Het maakt niet uit of het brood in een oven, op een vuur of in een pan gebakken is.
Wat overblijft van andere graanoffers, moet verdeeld worden onder alle priesters. Het maakt niet uit of die offers met of zonder olijfolie klaargemaakt zijn.
Nu volgen er regels over offers voor de Heer bij een feestmaal.
Zulke offers kunnen gebracht worden om de Heer te danken. Dan moeten er tegelijk met het offerdier vier soorten brood geofferd worden. Dat moet dik brood zijn van fijn meel met olijfolie. Verder dik brood zonder gist en dun brood zonder gist. Het dikke brood moet met olie klaargemaakt zijn, en op het dunne brood moet olie gesmeerd zijn. Ten slotte moet er ook brood met gist geofferd worden. Alles moet tegelijk met het dier geofferd worden.
Van elke soort brood moet één brood apart gehouden worden voor de Heer. Maar daarna mag de priester die het bloed langs de zijkanten van het altaar gegoten heeft, dat brood opeten.
Het vlees van het offer om de Heer te danken, moet gegeten worden op de dag van het offer. Het mag niet tot de volgende dag bewaard worden.
Iemand kan een offer brengen bij een feestmaal omdat hij dat beloofd heeft aan de Heer. Maar iemand kan het offer ook vrijwillig brengen. In beide gevallen mag het vlees gegeten worden op de dag van het offer en op de dag daarna.
Als er na twee dagen nog vlees over is, moet dat verbrand worden. Als iemand er dan toch nog iets van eet, zal de Heer het offer niet meer aannemen. Dan is dat offer voor niets geweest. Het is dan onrein vlees geworden. En de Heer zal iedereen straffen die van dat vlees eet.
Het vlees mag ook niet gegeten worden als het in contact geweest is met iets dat onrein is. Dan moet het verbrand worden.
Alleen mensen die rein zijn, mogen meedoen met een feestmaal voor de Heer. Wie onrein is, mag niet eten van de offers. Iemand is onrein als hij iets onreins aangeraakt heeft. Dat kan een onrein mens zijn, een onrein dier of iets anders. Wie onrein is en toch van het offer eet, mag niet meer bij het volk van Israël horen.’’
De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Jullie mogen nooit het vet eten van een rund, een schaap of een geit. Het maakt niet uit of het dier vanzelf gestorven is, of gedood is door een wild dier. Vet mag voor alles gebruikt worden, maar jullie mogen het niet eten.
Jullie mogen ook nooit het vet eten van een dier dat geofferd is aan de Heer. Als je dat toch doet, mag je niet meer bij het volk van Israël horen.
Jullie mogen ook nooit vlees eten waar nog bloed in zit. Het maakt niet uit of het vlees van vogels is, of van dieren die op het land leven. Die regel geldt voor jullie allemaal. Het maakt niet uit waar je woont. Als je vlees met bloed eet, mag je niet meer bij het volk van Israël horen.’’
De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Als iemand een offer bij een feestmaal brengt, is een deel van dat offer voor de Heer. Voor de Heer zijn de vette delen en de borst van het dier. Degene die het offer brengt, moet zelf de borst van het dier omhooghouden om die aan te bieden aan de Heer. Het vet moet verbrand worden op het altaar, maar het vlees van de borst is voor de priesters.
De rechterachterpoot moet apart gehouden worden. Die is voor de priester die het offer gebracht heeft. Dus de rechterachterpoot en de borst van een dier zijn altijd voor de priesters. Zo moet dat voortaan gaan bij elk offer dat iemand bij een feestmaal brengt. Dat heeft de Heer bepaald. Dat deel van de offers is voor de priesters, vanaf de dag dat ze priester worden. De Heer heeft dat bepaald.
Jullie en je nakomelingen moeten je altijd aan die regels houden.’’
Dat zijn de regels over alle offers: over offers die helemaal verbrand moeten worden, graanoffers, offers waarmee een fout goedgemaakt wordt, offers waarmee iemands schuld weggenomen wordt, offers bij de aanstelling van priesters, en offers bij een feestmaal.
De Heer heeft die regels aan Mozes gegeven. Dat gebeurde op de berg Sinai, in de woestijn. Daar gaf de Heer aan de Israëlieten de opdracht om offers aan hem te brengen.
--
De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Laat Aäron en zijn zonen naar de ingang van de heilige tent komen. Haal de priesterkleding en de heilige olijfolie. Haal ook de stier voor het offer waarmee de fouten van Aäron en zijn zonen goedgemaakt worden. En haal twee rammen, en een mand met brood zonder gist. Roep daarna het hele volk bij elkaar.’
Mozes deed alles wat de Heer tegen hem gezegd had. Hij riep het hele volk bij elkaar bij de ingang van de heilige tent. Toen zei hij: ‘Alles wat ik nu ga doen, is een opdracht van de Heer.’
Mozes liet Aäron en zijn zonen bij zich komen en hij waste hen met water. Hij trok Aäron het priesterhemd aan, deed hem de riem om en trok hem de mantel aan.
Daarna deed Mozes bij Aäron de priesterschort om, en bond die vast met de band die daarbij hoorde. Op de schort maakte Mozes de priestertas vast, en hij deed daar twee speciale steentjes in. Dat waren de steentjes waarmee Aäron de Heer om raad kon vragen.
Ten slotte zette Mozes de tulband op het hoofd van Aäron. En hij maakte het heilige gouden sieraad vast op de tulband.
Mozes deed alles zoals de Heer het tegen hem gezegd had.
Toen nam Mozes de olijfolie en hij goot een deel ervan over de heilige tent van de Heer en over alles wat in de tent stond. Zo werd alles heilig.
Hij druppelde zeven keer wat olie over het grote altaar. En hij goot ook olie over alles wat bij het altaar hoort. Ten slotte goot Mozes olie over de waterbak en over het onderstel van de waterbak. Zo werd alles heilig.
Daarna goot Mozes een deel van de olie over het hoofd van Aäron, als teken dat hij priester werd. Zo werd Aäron heilig.
Hij liet ook de zonen van Aäron bij zich komen. Hij trok hun het priesterhemd aan, hij deed hun de riem om, en hij zette de priestermuts op hun hoofd.
Mozes deed alles zoals de Heer het tegen hem gezegd had.
Toen liet Mozes de stier komen die geofferd moest worden om de fouten van Aäron en zijn zonen goed te maken. Aäron en zijn zonen legden hun hand op de kop van de stier. Mozes slachtte het dier, en hij smeerde wat bloed aan de hoeken van het grote altaar. De rest van het bloed goot hij op de grond voor het altaar. Zo werd het altaar heilig.
Daarna pakte Mozes alle vette delen van de stier en verbrandde die op het altaar. Dus het vet dat aan de ingewanden zit, de twee nieren, het vet van de nieren, en het vette stukje van de lever. Maar het vlees, de huid en de darmen van de stier verbrandde Mozes buiten het tentenkamp.
Mozes deed alles zoals de Heer het tegen hem gezegd had.
Toen liet Mozes de ram komen voor het offer dat helemaal verbrand moest worden. Aäron en zijn zonen legden hun hand op de kop van de ram. Mozes slachtte het dier en hij goot het bloed langs de zijkanten van het altaar.
Daarna sneed hij de ram in stukken. Hij verbrandde de kop, de stukken vlees en het vet van de nieren. Hij waste de ingewanden en de poten van de ram. En daarna verbrandde hij die met de rest van de ram op het altaar.
Zo werd het offer helemaal verbrand. Het had een heerlijke geur. Het was een geschenk dat de Heer graag aanneemt.
Mozes deed alles zoals de Heer het tegen hem gezegd had.
Toen liet Mozes nog een ram komen. Dat was de ram voor het offer bij de aanstelling van priesters. Aäron en zijn zonen legden hun hand op de kop van de ram. Mozes slachtte het dier. Hij smeerde wat bloed aan het rechteroor van Aäron, aan zijn rechterduim en aan de grote teen van zijn rechtervoet.
Daarna liet Mozes de zonen van Aäron bij zich komen. Ook bij hen smeerde hij wat bloed aan hun rechteroor, aan hun rechterduim en aan de grote teen van hun rechtervoet. De rest van het bloed goot Mozes langs de zijkanten van het altaar.
Daarna nam hij alle vette delen van de ram. Dus de staart, het vet dat aan de ingewanden zit, het vette stukje van de lever, de twee nieren en het vet van de nieren, en ook de rechterachterpoot. Hij nam ook drie broden uit de mand die bij het altaar van de Heer stond: één brood zonder gist, één dik brood dat met olijfolie was gemaakt, en één dun brood. Hij legde de broden boven op de achterpoot en de vette delen van de ram.
Daarna legde hij alles op de handen van Aäron en zijn zonen. Zij hielden het voor het altaar omhoog om het aan te bieden aan de Heer. Toen nam Mozes alles weer terug, en hij verbrandde het op het altaar. Hij legde alles boven op de stier die helemaal verbrand moest worden.
Dat was het offer dat hoorde bij de aanstelling van priesters. Het had een heerlijke geur. Het was een geschenk dat de Heer graag aanneemt.
Mozes pakte de borst van de ram en hield die omhoog om hem aan te bieden aan de Heer. Dat deel van het offer was bestemd voor Mozes. Dat had de Heer tegen hem gezegd.
Mozes nam wat bloed van het altaar en wat olijfolie. Hij druppelde dat op Aäron en zijn zonen, en op hun kleren. Zo maakte Mozes Aäron en zijn zonen heilig, en hun kleren ook.
Mozes zei tegen Aäron en zijn zonen: ‘Kook het vlees van de ram op het plein bij de heilige tent. Eet het daar ook op, met de broden uit de mand die bij het altaar staat. Dat is een opdracht van de Heer. Wat er overblijft van het vlees en het brood, moeten jullie verbranden.
Jullie moeten zeven dagen op het plein bij de heilige tent blijven. Zo lang duurt de aanstelling van priesters. Elke dag moeten jullie herhalen wat er vandaag gedaan is. Dat is een opdracht van de Heer. Dan zijn al jullie fouten goedgemaakt. Zeven dagen en zeven nachten moeten jullie op het plein bij de heilige tent blijven. Jullie moeten precies doen wat de Heer gezegd heeft. Anders zullen jullie sterven.’
Toen deden Aäron en zijn zonen alles wat de Heer tegen Mozes gezegd had.
---
Psalm 119
Heer, vergeet niet wat u mij beloofd hebt.
U hebt mij hoop gegeven.
U geeft me kracht om te leven.
Dat troost me in moeilijke tijden.
Ik wil me altijd houden aan uw wet,
ook al lachen slechte mensen mij uit.
Heer, uw wetten zijn er voor altijd.
Dat is een troost voor mij.
Maar ik word woedend als ik zie
hoe slecht sommige mensen zijn.
Van uw wet willen zij niets weten.
Voor mij zijn uw regels juist mooi,
ze klinken als een lied,
overal waar ik ben.
Zelfs in de nacht denk ik aan u, Heer.
Ook dan volg ik uw wet.
Ik houd me aan uw regels.
Dat maakt me gelukkig.
---
Dit is de Bijbel in een Jaar podcast dag 67.
Een podcast van het NBG.
Morgen staat er een nieuwe aflevering voor je klaar.
Podcasts we love
Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.