Bijbel in een jaar
Bijbel in een jaar
Dag 68 - 2026 - Leviticus 9-10, Psalm 119:57-64
Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.
Vandaag lezen we Leviticus 9 tot 10 en Psalm 119 vers 57 tot 64 uit de NBV21.
🌟 Laat een review achter in jouw podcastapp!
📖 Lees mee via de app en houd je persoonlijke voortgang bij
🔎Ontdek nog meer manieren om mee te doen
📷Volg ons op Instagram
💡Schrijf je in voor tweewekelijkse Bijbelse inspiratie
❤️Lees meer over het Bijbelgenootschap
Je luistert naar het Bijbel in een jaar podcast van het NBG.
Dit is dag 68.
Vandaag lezen we Leviticus 9-10 en Psalm 119:57-64.
Leviticus 9 - 10.
Zeven dagen later liet Mozes Aäron en zijn zonen bij zich komen, samen met de leiders van Israël.
Hij zei tegen Aäron: ‘Haal een jonge stier voor het offer waarmee fouten goedgemaakt worden. En haal ook een jonge ram voor het offer dat helemaal verbrand moet worden. Beide dieren moeten gezond zijn en mogen geen gebreken hebben. Breng ze naar de heilige tent van de Heer.
Daarna moet je tegen de Israëlieten zeggen dat zij ook offerdieren moeten halen. Ze moeten een bok halen voor het offer waarmee hun fouten goedgemaakt worden. En een stier en een ram van één jaar oud voor het offer dat helemaal verbrand moet worden. Ook die dieren moeten gezond zijn en mogen geen gebreken hebben. Verder moeten de Israëlieten een stier en een ram aanbieden aan de Heer voor het offer bij een feestmaal. En ze moeten een graanoffer brengen dat met olijfolie gemengd is. Al die offers moeten gebracht worden omdat de Heer vandaag bij het volk zal komen.’
De Israëlieten deden wat Mozes gezegd had. Ze brachten alles naar de heilige tent. En daarna gingen ze bij het grote altaar staan. Toen zei Mozes: ‘Jullie hebben alles gedaan wat de Heer gezegd heeft. Daarom zullen jullie de Heer zien, stralend en machtig.’
Mozes zei tegen Aäron: ‘Ga naar het altaar en breng daar offers. Offer alles zoals de Heer het gezegd heeft. Dan zal hij jouw fouten en de fouten van het volk vergeven.’
Toen ging Aäron naar het altaar. Hij slachtte eerst de stier voor het offer waarmee zijn eigen fouten goedgemaakt moesten worden. Zijn zonen gaven hem een schaal met het bloed van de stier. Aäron smeerde met zijn vinger wat bloed aan de hoeken van het altaar. De rest van het bloed goot hij op de grond voor het altaar. Het vet, de twee nieren en het vette stukje van de lever verbrandde hij op het altaar. Hij deed alles zoals de Heer het tegen Mozes gezegd had. Het vlees en de huid van de stier verbrandde hij buiten het kamp.
Daarna slachtte Aäron de ram voor het offer dat helemaal verbrand moest worden. Zijn zonen gaven hem een schaal met het bloed van de ram. Aäron goot het bloed langs de zijkanten van het altaar. Toen gaven zijn zonen hem het vlees en de kop van de ram. Aäron verbrandde die op het altaar. De poten en de ingewanden waste hij eerst, en daarna verbrandde hij die met de rest van de ram.
Toen liet Aäron de dieren voor de offers van het volk halen. Hij slachtte eerst de bok voor het offer waarmee de fouten van het volk goedgemaakt moesten worden. Hij deed precies hetzelfde als met de stier die hij geofferd had voor zijn eigen fouten. Daarna liet hij de stier en de ram halen voor het offer dat helemaal verbrand moest worden. Hij offerde alles volgens de regels.
Aäron liet ook het graanoffer bij zich brengen, en hij verbrandde een handvol meel op het altaar. Het was een extra graanoffer, dat nog bij het dagelijkse graanoffer kwam.
Ten slotte slachtte hij de stier en de ram voor het offer bij een feestmaal. Zijn zonen gaven hem een schaal met het bloed van de dieren. Aäron goot het bloed langs de zijkanten van het altaar. Daarna pakte hij de vette delen van de stier en de ram: de staart, het vet dat aan de ingewanden zit, de nieren, en het vette stukje van de lever. Hij legde alles bij de borst van de dieren. Daarna verbrandde hij de vette delen op het altaar.
De borst en de rechterachterpoot van de dieren hield hij omhoog om ze aan te bieden aan de Heer. Hij deed alles zoals Mozes het gezegd had.
Toen strekte Aäron zijn handen uit en hij zegende het volk. Daarna ging hij weer weg bij het altaar.
Daarna gingen Mozes en Aäron samen de heilige tent in. Toen ze weer naar buiten kwamen, zegenden ze het volk.
Op dat moment zagen alle Israëlieten de Heer, stralend en machtig. Uit de heilige tent kwam een grote vlam die alle offers op het altaar verbrandde. Toen de Israëlieten dat zagen, begonnen ze te juichen. En iedereen boog diep.
Nadab en Abihu, twee zonen van Aäron, pakten hun wierookschaal. Ze deden er gloeiende kooltjes in en legden daar wierook op als offer voor de Heer. Maar ze hadden de kooltjes niet van het grote altaar gepakt. Daarom was het offer niet volgens de regels van de Heer. Toen kwam er een grote vlam uit de heilige tent die hen verbrandde. Zo stierven ze allebei, vlak bij de heilige tent.
Mozes zei tegen Aäron: ‘Dat bedoelde de Heer dus toen hij zei: ‘Mijn priesters moeten eerbied voor mij hebben. Alleen dan kan iedereen zien dat ik heilig en machtig ben.’’ Maar Aäron zei helemaal niets.
Toen riep Mozes de zonen van Uzziël, de oom van Aäron. Dat waren Misaël en Elsafan. Mozes zei tegen hen: ‘Haal de lichamen van jullie familieleden weg bij de heilige tent. Breng ze naar een plaats buiten het kamp.’ Misaël en Elsafan deden wat Mozes gezegd had. Ze brachten de lichamen van Nadab en Abihu naar een plaats buiten het kamp. Nadab en Abihu hadden hun priesterhemd nog aan.
En Mozes zei tegen Aäron en zijn twee andere zonen, Eleazar en Itamar: ‘Jullie mogen je verdriet niet laten zien. Dus laat je haar niet loshangen en scheur je kleren niet. Anders zullen jullie ook sterven, en zal de Heer woedend worden op het hele volk.
De andere Israëlieten mogen wel rouwen om de dood van Nadab en Abihu. Maar jullie niet, want jullie zijn priesters van de Heer. Jullie moeten op het plein bij de heilige tent blijven. Anders zullen jullie sterven.’
Aäron en zijn zonen deden wat Mozes gezegd had.
De Heer zei tegen Aäron: ‘Jij en je zonen mogen geen wijn of bier drinken voordat jullie naar de heilige tent komen. Anders zullen jullie sterven. Die regel geldt voor altijd, voor jullie en je nakomelingen. Want jullie moeten het verschil weten tussen heilig en niet heilig, en tussen rein en onrein. En jullie moeten de Israëlieten alle regels leren die ik aan Mozes gegeven heb.’
Daarna zei Mozes tegen Aäron en tegen Eleazar en Itamar, de zonen van Aäron die nog in leven waren: ‘Het graanoffer voor de Heer is heel heilig. Wat er van dat offer overblijft, is voor jullie. Jullie moeten er broden zonder gist van bakken en die opeten bij het grote altaar bij de heilige tent. Dat is een heilige plaats. Een deel van de offers is dus voor jullie zonen bestemd. Dat heeft de Heer tegen mij gezegd.
Maar het offervlees dat voor jullie is, hoef je niet bij de heilige tent op te eten. Dat mag je opeten op elke plaats binnen het kamp. Dat geldt ook voor je zonen en je dochters. De Israëlieten moeten de borst, de rechterachterpoot en de vette delen eerst naar het altaar brengen. En dan moeten ze die omhooghouden en aanbieden aan de Heer. Daarna zijn ze voor jullie. De Israëlieten moeten dat deel van de offers bij een feestmaal altijd aan jullie geven. Zo heeft de Heer het gezegd.’
Mozes zocht overal naar het vlees van de bok die geofferd was om de fouten van het volk goed te maken. Maar de bok was helemaal verbrand. Daarom werd Mozes boos op Eleazar en Itamar, en hij zei: ‘Waarom hebben jullie het vlees van de bok niet opgegeten? Het was een heel heilig offer. De Heer wil dat je zo’n offer brengt om de fouten van het volk goed te maken, en om te zorgen dat alles weer goed is tussen hem en het volk. Jullie hebben geen bloed van het offer in de heilige tent gespat. Dus jullie hadden het vlees moeten opeten bij de heilige tent. Dat was een opdracht van de Heer.’
Toen zei Aäron tegen Mozes: ‘Ik en mijn zonen hebben vandaag een offer gebracht om onze fouten weer goed te maken. We hebben ook een offer gebracht dat helemaal verbrand moet worden. Maar daarna is er iets verschrikkelijks gebeurd met mijn zonen Nadab en Abihu. Hadden we daarna dan toch het vlees van het offer voor het volk moeten eten? Had de Heer dat goedgevonden?’
Toen Mozes dat hoorde, was hij niet boos meer.
---
Psalm 119
Ik heb beloofd om te doen wat u vraagt.
Heer, u bent alles wat ik heb.
Met heel mijn hart zoek ik u.
Wees goed voor mij,
want dat hebt u beloofd.
Als ik nadenk over mijn leven,
dan wil ik doen wat u wilt.
Ik twijfel niet,
ik zal leven volgens uw regels.
Slechte mensen willen mij van u weghouden,
maar ik vergeet uw wet niet.
Midden in de nacht sta ik op
om over u te zingen.
Want uw wetten zijn rechtvaardig en goed.
Ik ben een vriend van mensen die u eren
en zich houden aan uw regels.
Heer, overal op aarde is te zien
hoe groot uw liefde is.
Leer mij uw wetten kennen.
----
Dit is de Bijbel in een Jaar podcast dag 68.
Een podcast van het NBG.
Morgen staat er een nieuwe aflevering voor je klaar.
Podcasts we love
Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.