Bijbel in een jaar

Dag 79 - 2026 - Lucas 3-5

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap Season 2026 Episode 92

Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.

0:00 | 20:06

Vandaag lezen we Lucas 3 tot en met 5 uit de NBV21.

🌟 Laat een review achter in jouw podcastapp!
📖 Lees mee via de app en houd je persoonlijke voortgang bij
🔎Ontdek nog meer manieren om mee te doen
📷Volg ons op Instagram
💡Schrijf je in voor tweewekelijkse Bijbelse inspiratie
❤️Lees meer over het Bijbelgenootschap 

Je luistert naar het Bijbel in een jaar podcast van het NBG.
Dit is dag 79.
Vandaag lezen we Lucas 3-5.

---

Het was het vijftiende jaar van de regering van keizer Tiberius. Pontius Pilatus bestuurde de provincie Judea. Herodes was koning van Galilea, en zijn broer Filippus was koning van de gebieden Iturea en Trachonitis. En Lysanias was koning van Abilene. Annas en Kajafas waren hogepriester. In dat jaar werd Johannes, de zoon van Zacharias, door God geroepen. Johannes leefde in de woestijn.
Toen ging Johannes naar het gebied bij de Jordaan. Daar zei hij tegen de mensen: ‘Begin een nieuw leven en laat je dopen! Dan zal God je zonden vergeven.’
In het boek van de profeet Jesaja staat al over Johannes geschreven: «Hij roept in de woestijn: Opzij voor de Heer! Maak de weg klaar voor de Heer! Maak de weg recht, zonder bochten. Maak de weg vlak, haal alle bergen en dalen weg. Dan zal iedereen zien dat God redding brengt.»
Er kwamen heel veel mensen naar Johannes om gedoopt te worden. Johannes zei tegen hen: ‘Stelletje slangen! Jullie denken dat je slim genoeg bent om te ontsnappen aan Gods straf. Jullie zeggen: ‘We horen toch bij het volk van Abraham?’
Maar luister naar mijn woorden: God kan van de stenen die hier liggen een nieuw volk van Abraham maken. Laat eerst maar eens zien dat jullie je leven echt willen veranderen! Jullie moeten goede dingen doen. Dan zullen jullie lijken op een boom met goede vruchten. Want God zal alle bomen zonder goede vruchten omhakken en in het vuur gooien. De bijl ligt al klaar.’
De mensen vroegen aan Johannes: ‘Wat moeten we doen om goed te leven?’ Hij antwoordde: ‘Stel dat je twee hemden hebt. Geef er dan één aan iemand die helemaal geen hemd heeft. En deel je eten met mensen die honger hebben.’
Er kwamen ook tollenaars die gedoopt wilden worden. Ook zij vroegen aan Johannes: ‘Meester, wat moeten we doen om goed te leven?’ Tegen hen zei Johannes: ‘Laat de mensen niet te veel betalen.’ Daarna vroegen een paar soldaten: ‘En wat moeten wij doen?’ Johannes zei: ‘Wees tevreden met je loon. Pak van niemand geld af.’
De mensen verwachtten veel van Johannes. Ze dachten: Misschien is hij wel de messias!
Maar Johannes zei: ‘Ik doop jullie met water. Maar na mij komt iemand die veel machtiger is dan ik. Ik ben niet eens goed genoeg om zijn schoenen uit te trekken. Hij zal jullie dopen met het vuur van de heilige Geest. Hij lijkt op een boer die het koren van zijn akker haalt. De boer bewaart het graan in zijn schuur. Maar het stro dat overblijft, steekt hij in brand. Net zo zal de man die na mij komt, het goede bewaren. Maar het slechte zal hij verbranden, met vuur dat nooit uitgaat.’
Johannes zei dit soort dingen om de mensen te waarschuwen. Op die manier vertelde hij het goede nieuws.
Koning Herodes leefde samen met Herodias, de vrouw van zijn broer. En de koning deed nog veel meer slechte dingen. Johannes zei telkens tegen de koning: ‘U doet verkeerde dingen.’ Daarom liet de koning hem in de gevangenis opsluiten. Dat maakte de koning nog schuldiger.
Het hele volk liet zich dopen. Ook Jezus werd gedoopt. Toen hij na de doop aan het bidden was, ging de hemel open. Uit de hemel kwam de heilige Geest naar Jezus toe, in de vorm van een duif. En Gods stem klonk uit de hemel: ‘Jij alleen bent mijn Zoon. Mijn liefde voor jou is groot.’
Jezus begon zijn werk toen hij ongeveer dertig jaar oud was. De mensen dachten dat hij de zoon van Jozef was.
De voorouders van Jozef waren: Eli, Mattat, Levi, Melchi, Jannai, Josef, Mattatias, Amos, Naüm, Hesli, Naggai, Maät, Mattatias, Semeïn, Josech, Joda, Joanan, Resa, Zerubbabel, Sealtiël, Neri, Melchi, Addi, Kosam, Elmadan, Er, Jozua, Eliëzer, Jorim, Mattat, Levi, Simeon, Juda, Josef, Jonan, Eljakim, Melea, Menna, Mattatta, Natan, David, Isaï, Obed, Boaz, Selach, Nachson, Amminadab, Admin, Arni, Chesron, Peres, Juda, Jakob, Isaak, Abraham, Terach, Nachor, Serug, Reü, Peleg, Eber, Selach, Kenan, Arpachsad, Sem, Noach, Lamech, Metuselach, Henoch, Jered, Mahalalel, Kenan, Enos, Set en Adam. Adam was de zoon van God.

---

De heilige Geest was in Jezus gekomen. Hij liet Jezus naar de woestijn gaan, weg van de Jordaan. In de woestijn probeerde de duivel om Jezus te laten zondigen.
Veertig dagen lang at Jezus niets. Toen de veertig dagen voorbij waren, had hij erge honger. Toen zei de duivel: ‘Jij bent toch de Zoon van God? Zeg dan tegen deze steen dat hij in een brood moet veranderen!’ Maar Jezus antwoordde: ‘In de heilige boeken staat: «Alleen van brood kan een mens niet leven.»’
Toen bracht de duivel Jezus naar een berg. En in één tel liet hij hem alle koninkrijken van de wereld zien. De duivel zei: ‘Ik geef deze landen en al hun rijkdom aan jou. Want ik ben er de baas over, en ik kan ze geven aan wie ik wil. Je hoeft alleen maar te knielen en mij te eren, dan is alles van jou.’ Maar Jezus antwoordde: ‘In de heilige boeken staat: «Kniel alleen voor de Heer, je God, en vereer alleen hem.»’
Daarna nam de duivel Jezus mee naar Jeruzalem. Hij bracht hem naar het dak van de tempel, en zei: ‘Jij bent toch de Zoon van God? Spring dan naar beneden! Want in de heilige boeken staat: «God geeft zijn engelen de opdracht om je te beschermen.» En er staat: «De engelen zullen je opvangen. Je zult je voet niet stoten tegen een steen.»’ Maar Jezus antwoordde: ‘In de heilige boeken staat ook: «Je mag de Heer, je God, niet uitdagen om zijn macht te bewijzen.»’
Op al die manieren probeerde de duivel om Jezus te laten zondigen. Maar het lukte hem niet. Daarna liet hij Jezus een tijd met rust.
De kracht van de heilige Geest was nu in Jezus, en hij ging terug naar Galilea. Daar gaf hij uitleg over God in de synagogen. Het nieuws over Jezus werd overal in de omgeving bekend, en iedereen bewonderde hem.
Jezus ging ook naar Nazaret, de stad waar hij opgegroeid was. Op sabbat ging hij zoals altijd naar de synagoge. Toen hij opstond om voor te lezen, gaf een dienaar hem het boek van de profeet Jesaja. Jezus opende het boek en zocht naar het stuk dat hij wilde voorlezen. Hij las: «God heeft mij uitgekozen. Daarom is zijn Geest bij mij. God heeft mij gestuurd om aan arme mensen het goede nieuws te vertellen. En om tegen gevangenen te zeggen dat ze weer vrij zijn. Om blinden te vertellen dat ze weer zullen zien. En om mensen die het moeilijk hebben, te helpen. Ik maak bekend: Er begint een nieuwe tijd.»
Toen deed Jezus het boek dicht. Hij gaf het aan de dienaar terug en ging zitten. Iedereen in de synagoge keek naar hem. En Jezus zei: ‘Wat ik jullie net voorgelezen heb, is vandaag werkelijkheid geworden.’
Alle mensen waren verrast over de bijzondere dingen die Jezus zei. Ze waren onder de indruk en zeiden: ‘Dat is toch de zoon van Jozef?’
Jezus zei: ‘Ik weet zeker dat jullie tegen mij zullen zeggen: ‘Nu moet u ook iets voor ons doen. We hebben gehoord wat u allemaal in Kafarnaüm gedaan hebt. Doe dan ook een wonder in uw eigen stad.’ Maar luister goed naar mijn woorden: Een profeet is nooit welkom in zijn eigen stad.’
Jezus legde dat uit met twee voorbeelden. Hij zei: ‘Luister goed! In de tijd van de profeet Elia waren er veel weduwen in Israël. Het had drieënhalf jaar niet geregend en er was hongersnood in het hele land. Toch ging Elia niet naar een weduwe in Israël. In plaats daarvan stuurde God hem naar een weduwe buiten Israël. Ze woonde in Sarepta, een dorp bij de stad Sidon.
En toen Elisa profeet was, waren er in Israël veel mensen met een huidziekte. Toch maakte Elisa hen niet beter. Maar Naäman uit Syrië maakte hij wel beter.’
Toen de mensen in de synagoge de woorden van Jezus hoorden, werden ze kwaad. Ze jaagden Jezus de stad uit. En ze brachten hem naar de rand van de berg waarop hun stad gebouwd was. Ze wilden hem naar beneden gooien. Maar Jezus liep tussen alle mensen door en ging weg.
Jezus ging naar Kafarnaüm, een stad in Galilea. Op sabbat gaf hij daar de mensen uitleg over God. Dat maakte diepe indruk op hen. Want zijn woorden hadden macht.
In de synagoge was een man die een kwade geest in zich had. Hij schreeuwde heel hard: ‘Hé, jij daar, Jezus uit Nazaret! Laat me met rust! Je bent zeker gekomen om mij te vernietigen? Ik weet precies wie je bent. Jij bent door God gestuurd.’
Maar Jezus zei streng tegen de kwade geest: ‘Stil! Ga weg uit die man.’ De geest gooide de man op de grond, midden tussen de mensen. Daarna ging de geest uit hem weg, zonder hem pijn te doen.
De mensen waren erg geschrokken en zeiden tegen elkaar: ‘Wat is hier aan de hand? Als Jezus spreekt, dan heeft hij macht over kwade geesten. Als hij ze wegstuurt, dan gehoorzamen ze hem.’
Het nieuws over Jezus werd in de hele omgeving bekend.
Toen Jezus uit de synagoge kwam, ging hij naar het huis van Simon. Daar hoorde hij dat de schoonmoeder van Simon ziek was. Ze had hoge koorts. Jezus ging bij haar bed staan en sprak streng tegen de koorts. Toen ging de koorts weg. De vrouw stond meteen op en ging eten klaarmaken.
’s Avonds werden er mensen met allerlei ziektes bij Jezus gebracht. Jezus legde zijn handen op hen en maakte hen beter. Hij stuurde ook veel kwade geesten weg. Die riepen dan: ‘Jij bent de Zoon van God!’ Want zij wisten dat hij de messias was. Maar Jezus zei streng tegen de geesten dat ze niets mochten zeggen.
Toen het ochtend werd, ging Jezus naar een stille plek buiten de stad. Maar de mensen zochten hem op en kwamen naar hem toe. Ze wilden niet dat hij weg zou gaan en hielden hem tegen.
Maar Jezus zei tegen hen: ‘Het is belangrijk dat ik ook naar andere steden ga. Ook daar moet ik het goede nieuws over Gods nieuwe wereld vertellen. Want daarom heeft God mij gestuurd.’
Jezus vertelde het goede nieuws in alle synagogen in Judea.

---

Op een keer stond Jezus bij het Meer van Gennesaret. Er stond een grote groep mensen dicht om hem heen. Die wilden allemaal de boodschap van God horen.
Toen zag Jezus twee boten liggen. De vissers stonden bij hun boten de netten schoon te maken. Jezus stapte in één van de boten, het was de boot van Simon. Jezus vroeg hem om een stukje het meer op te varen. En vanaf de boot sprak Jezus tegen alle mensen aan de kant.
Toen Jezus uitgesproken was, zei hij tegen Simon: ‘Vaar naar dieper water en gooi je netten uit. We gaan vissen.’ Simon antwoordde: ‘Meester, we hebben de hele nacht hard gewerkt en niets gevangen. Maar omdat u het zegt, zal ik het doen.’
Simon en zijn helpers gooiden de netten uit, en deze keer vingen ze een heleboel vis. De netten zaten zo vol dat ze begonnen te scheuren. De mannen riepen hun vrienden in de andere boot om te komen helpen. Die kwamen, en samen vulden ze de twee boten met vis. Er was zo veel vis, dat de boten begonnen te zinken.
Toen Simon Petrus dat zag, knielde hij voor Jezus en zei: ‘Heer, ga toch van me weg, want ik ben een slecht mens.’ Simon was namelijk erg geschrokken omdat ze zo veel vis gevangen hadden. Ook zijn helpers waren erg geschrokken. Net als zijn vrienden in de andere boot. Dat waren Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs.
Jezus zei tegen Simon: ‘Je hoeft niet bang te zijn. Vanaf nu zul je mensen vangen in plaats van vissen.’ Toen trokken de vissers de boten aan land. Ze lieten alles achter en gingen met Jezus mee.
In één van de steden waar Jezus kwam, was een man met een ernstige huidziekte. Toen hij Jezus zag, knielde hij en smeekte: ‘Heer, u kunt mij beter maken, als u dat wilt.’ Jezus raakte de man aan. Hij zei: ‘Ik wil dat je beter wordt.’ En meteen was de huidziekte weg.
Jezus waarschuwde de man: ‘Je mag aan niemand vertellen wat er gebeurd is.’ Verder zei hij: ‘Ga naar de tempel. Daar moet de priester vaststellen dat je beter bent. En je moet het offer brengen dat verplicht is volgens de wet van Mozes. Dan kunnen de mensen zien dat je echt beter bent.’
De mensen begonnen steeds meer over Jezus te praten. En grote groepen mensen gingen naar hem toe. Ze kwamen bij hem om naar hem te luisteren, en om door hem te worden genezen. Maar Jezus ging weg om op stille plaatsen te bidden.
Op een dag zaten er ook farizeeën en wetsleraren naar Jezus te luisteren. Ze waren overal vandaan gekomen, uit ieder dorp in Galilea en Judea, en ook uit Jeruzalem.
Jezus had van God de macht gekregen om mensen beter te maken. Er kwamen een paar mannen aan met een draagbed. Daar lag een man op die niet kon lopen. De mannen wilden hem naar binnen brengen en vlak voor Jezus neerleggen. Maar het was zo druk dat ze er niet langs konden. Daarom klommen ze op het dak. Ze haalden een paar tegels weg van het dak. En ze lieten de man op zijn bed naar beneden zakken, vlak voor Jezus.
Jezus zag dat die mensen in hem geloofden. Daarom zei hij tegen de man die niet kon lopen: ‘Ik vergeef je alles wat je verkeerd gedaan hebt.’
Toen de wetsleraren en de farizeeën dat hoorden, dachten ze: Wie denkt hij wel dat hij is! Hij beledigt God. Alleen God kan de zonden van mensen vergeven!
Maar Jezus wist wat ze dachten. Daarom zei hij tegen hen: ‘Het is anders dan jullie denken. Het lijkt makkelijk om te zeggen: ‘Ik vergeef je alles wat je verkeerd gedaan hebt.’ Het lijkt veel moeilijker om te zeggen: ‘Sta op en ga lopen.’ Maar ik ben de Mensenzoon. God heeft mij de macht gegeven om zonden te vergeven. Dat zal ik jullie laten zien.’
Toen zei Jezus tegen de man die niet kon lopen: ‘Sta op, pak je bed op, en loop naar huis.’ Meteen stond de man op. Hij pakte zijn bed op en liep naar huis. En terwijl hij naar huis liep, dankte hij God.
Iedereen had gezien wat er gebeurd was. De mensen waren diep onder de indruk. Ze dankten God en zeiden vol eerbied tegen elkaar: ‘Het is ongelofelijk wat wij vandaag meegemaakt hebben!’
Jezus ging daarna weer naar een andere plaats. Onderweg zag hij een tollenaar bij zijn tolhuis zitten. De man heette Levi. Jezus zei tegen Levi: ‘Kom, ga met mij mee.’ Levi stond op, liet alles achter en ging met Jezus mee.
In zijn huis maakte Levi een groot feestmaal klaar voor Jezus. Er waren ook veel tollenaars en andere gasten. Ze aten samen. De farizeeën en wetsleraren klaagden daarover. Ze zeiden tegen de leerlingen van Jezus: ‘Jullie horen niet te eten met tollenaars en slechte mensen.’ Toen zei Jezus: ‘Een dokter is er niet voor gezonde mensen, maar voor zieke mensen. Met mij is het net zo. Ik ben er niet voor goede mensen. Ik ben juist gekomen om slechte mensen te vertellen dat ze een nieuw leven moeten beginnen.’
De farizeeën en de wetsleraren zeiden tegen Jezus: ‘De leerlingen van Johannes hebben veel speciale dagen om God te eren. Dan bidden ze en vasten ze. De leerlingen van de farizeeën doen dat ook. Maar uw leerlingen niet. Die eten en drinken altijd.’
Jezus antwoordde: ‘Mijn leerlingen lijken op de gasten op een bruiloft. Op een bruiloft eten en drinken de gasten, zolang de bruidegom bij hen is. Mijn leerlingen doen dat ook, zolang ik bij hen ben. Maar er komt een tijd dat ik niet meer bij hen ben. Dan zullen mijn leerlingen op sommige dagen vasten.’
Jezus gaf nog een voorbeeld. Hij zei: ‘Je scheurt geen stof van een nieuwe jas om daarmee een oude jas te herstellen. Want dan is de nieuwe jas kapot, en de stof van de nieuwe jas past niet bij de stof van de oude jas.
En jonge wijn moet je niet bewaren in oude wijnzakken. Want oude zakken scheuren open door de jonge wijn. Dan ben je de wijnzakken kwijt, en ook de wijn. Je moet jonge wijn bewaren in nieuwe wijnzakken.
En iemand die oude wijn drinkt, heeft geen zin in jonge wijn. Hij zegt: ‘De oude wijn is beter.’’

---

Dit is de Bijbel in een Jaar podcast dag 79.

Een podcast van het NBG.

Morgen staat er een nieuwe aflevering voor je klaar.

Podcasts we love

Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.

Dagvers - Dé dagelijkse Bijbelpodcast Artwork

Dagvers - Dé dagelijkse Bijbelpodcast

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap