Bijbel in een jaar
Bijbel in een jaar
Dag 83 - 2026 - Lucas 15-18
Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.
Vandaag lezen we Lucas 15 tot en met 18 uit de NBV21.
🌟 Laat een review achter in jouw podcastapp!
📖 Lees mee via de app en houd je persoonlijke voortgang bij
🔎Ontdek nog meer manieren om mee te doen
📷Volg ons op Instagram
💡Schrijf je in voor tweewekelijkse Bijbelse inspiratie
❤️Lees meer over het Bijbelgenootschap
Je luistert naar het Bijbel in een jaar podcast van het NBG.
Dit is dag 83.
Vandaag lezen we Lucas 15-18.
Alle tollenaars en slechte mensen kwamen naar Jezus luisteren. De farizeeën en de wetsleraren klaagden daarover. Ze zeiden: ‘Jezus gaat om met slechte mensen, en hij eet zelfs met ze!’
Daarom gaf Jezus dit voorbeeld. Hij zei: ‘Stel dat je honderd schapen hebt, maar je raakt er één kwijt. Dan ga je dat ene schaap toch zoeken? Je laat de 99 andere schapen achter in het veld. En je gaat dat ene schaap zoeken totdat je het vindt. Als je het schaap gevonden hebt, dan ben je blij. En je draagt het op je schouders naar huis. Thuis roep je de buren en je vrienden. En je zegt: ‘Laten we feestvieren! Want ik heb het schaap gevonden dat ik kwijt was.’
Luister naar mijn woorden: Zo is het ook met God in de hemel. Hij is heel blij met één slecht mens die zijn leven verandert. Meer nog dan met 99 goede mensen die hun leven niet hoeven te veranderen.’
Jezus zei ook: ‘Stel dat een vrouw tien zilveren munten heeft, maar er één kwijtraakt. Dan gaat ze die toch zoeken? Ze doet een lamp aan en veegt haar huis totdat ze de munt vindt. En als ze hem gevonden heeft, dan roept ze haar vriendinnen en de buren. En ze zegt: ‘Laten we feestvieren! Want ik was mijn zilveren munt kwijt, maar ik heb hem gevonden.’
Luister naar mijn woorden: Als één slecht mens zijn leven verandert, zijn de engelen van God net zo blij als die vrouw.’
Jezus gaf ook dit voorbeeld: ‘Een man had twee zonen. De jongste zoon zei tegen zijn vader: ‘Vader, ik wil mijn deel van de erfenis nu hebben.’ De vader gaf hem wat hij vroeg. Een paar dagen later pakte de zoon al zijn spullen bij elkaar en ging weg. Hij ging naar een ver land. Daar gaf hij al zijn geld uit aan een leven vol plezier.
Toen alles op was, kwam er een grote hongersnood in dat verre land. De zoon had niets meer te eten. Daarom ging hij werken bij één van de mensen in dat land. Die stuurde hem naar het veld om op de varkens te passen. De zoon had zo’n honger dat hij zelfs het varkensvoer op wilde eten. Maar niemand gaf hem iets. Toen dacht hij: Thuis hebben zelfs de armste knechten altijd genoeg te eten. En ik ga hier dood van de honger! Ik zal naar mijn vader teruggaan en tegen hem zeggen: ‘Vader, ik heb me slecht gedragen tegenover God en tegenover u. Ik verdien het niet meer om uw zoon te zijn. Behandel mij voortaan net zoals uw armste knechten.’
Toen ging de zoon terug naar zijn vader.
De vader zag zijn zoon al vanuit de verte aankomen. En meteen kreeg hij medelijden. Hij rende naar zijn zoon toe, sloeg zijn armen om hem heen en kuste hem. De zoon zei: ‘Vader, ik heb me slecht gedragen tegenover God en tegenover u. Ik verdien het niet meer om uw zoon te zijn.’
Maar de vader zei tegen zijn knechten: ‘Haal snel mijn mooiste jas voor mijn zoon en trek hem die aan. Doe een ring om zijn vinger en doe schoenen aan zijn voeten. Haal het vetste kalf en slacht het. We gaan eten en feestvieren! Want mijn zoon was dood, maar nu leeft hij weer. Ik was hem kwijt, maar ik heb hem weer gevonden.’ Toen gingen ze feestvieren.
De oudste zoon was nog op het land. Toen hij thuiskwam, hoorde hij dat er muziek gemaakt werd, en dat er werd gedanst. Hij riep één van de knechten en vroeg waarom er feest was. De knecht zei: ‘Je broer leeft nog! Hij is terug, en je vader heeft het vetste kalf laten slachten.’
Toen werd de oudste zoon kwaad. Hij wilde niet naar binnen gaan. Zijn vader kwam naar hem toe en zei: ‘Ga toch mee naar binnen.’ Maar de zoon antwoordde: ‘Ik werk nu al heel veel jaren voor u. En ik heb altijd gedaan wat u van mij vroeg. Toch hebt u voor mij nooit een dier laten slachten. Niet eens een geitje om feest te vieren met mijn vrienden. Maar nu komt die zoon van u thuis en voor hem slacht u het vetste kalf! Terwijl hij uw geld heeft uitgegeven aan de hoeren.’
Toen zei de vader: ‘Lieve jongen, jou heb ik altijd bij me. En alles wat van mij is, is van jou. Maar we kunnen niet anders dan blij zijn en feestvieren. Want je broer was dood, maar hij leeft weer. We waren hem kwijt, maar nu hebben we hem weer gevonden.’’
Jezus gaf de leerlingen nog een voorbeeld. Hij zei: ‘Een rijke man had een dienaar die zijn zaken regelde. Maar de mensen klaagden bij de rijke man. Ze zeiden dat die dienaar slecht omging met het bezit van de rijke man. Toen riep de rijke man zijn dienaar en zei: ‘Ik hoor van iedereen dat jij oneerlijk bent. Daarom kun je niet langer mijn dienaar zijn. Lever alle rekeningen bij mij in.’
De dienaar dacht: Ik word ontslagen! Wat moet ik doen? Werken op het land kan ik niet. En ik schaam me ervoor om een bedelaar te worden. Ik weet het al! Ik zorg ervoor dat ik vrienden krijg. Die kunnen dan voor me zorgen als ik geen werk meer heb.
Toen riep de dienaar iedereen bij zich die schulden had bij zijn heer. Hij vroeg aan de eerste: ‘Hoe groot is je schuld?’ Die antwoordde: ‘Honderd vaten olijfolie.’ De dienaar zei: ‘Hier is je rekening. Maak er snel vijftig vaten van.’ Toen vroeg hij aan de volgende: ‘Hoe groot is jouw schuld?’ Die antwoordde: ‘Honderd zakken graan.’ De dienaar zei: ‘Hier is je rekening. Maak er maar tachtig zakken van.’
De heer zei tegen zijn dienaar: ‘Goed gedaan! Je hebt je probleem slim opgelost.’’
Jezus zei: ‘De mensen die bij deze wereld horen, gaan slim met anderen om. Veel slimmer dan de mensen die bij het licht horen. Luister naar mijn woorden: Gebruik dat ellendige geld om vrienden te maken. Er komt een moment dat je niets meer aan je geld hebt. Dan zullen jullie welkom zijn in de hemel.’
Jezus zei ook: ‘Als je te vertrouwen bent met kleine dingen, dan ben je ook te vertrouwen met grote dingen. En als je oneerlijk bent over kleine dingen, dan ben je ook oneerlijk over grote dingen. Als jullie al niet te vertrouwen zijn met dat ellendige geld, dan vertrouwt niemand jullie met dingen die echt belangrijk zijn. En als je niet te vertrouwen bent met dingen van een ander, dan zal God je niet geven wat voor jou bestemd is.
Je kunt geen trouwe dienaar zijn van twee bazen tegelijk. Want je zult altijd meer liefde hebben voor de één dan voor de ander. En je zult altijd meer respect hebben voor de één dan voor de ander. Je kunt dus niet tegelijk voor God en voor het geld leven.’
De farizeeën, die van geld hielden, hoorden die dingen en lachten Jezus uit. Toen zei Jezus tegen hen: ‘Jullie vinden het belangrijk om indruk te maken op mensen. Maar God weet hoe jullie van binnen zijn. En alles wat mensen geweldig vinden, dat vindt God verschrikkelijk.’
Jezus zei verder: ‘Eerst waren er alleen de heilige boeken van Mozes en de profeten. Toen kwam Johannes de Doper. Sinds dat moment wordt er verteld over Gods nieuwe wereld. En tegen iedereen wordt gezegd: ‘Je moet Gods nieuwe wereld binnengaan!’
Maar de wet zal altijd blijven bestaan, er zal zelfs geen komma uit de wet verdwijnen. Je zult nog eerder de hemel en de aarde zelf zien verdwijnen. De volgende regel blijft dus altijd gelden: ‘Een gescheiden man die trouwt met een andere vrouw, gaat vreemd. En een man die trouwt met een gescheiden vrouw, gaat ook vreemd.’’
Daarna gaf Jezus dit voorbeeld: ‘Er was eens een rijke man. Hij droeg de mooiste en duurste kleren, en hij vierde elke dag feest. Er was ook een arme man, met allemaal vieze wonden op zijn lichaam. Die man heette Lazarus.
Lazarus lag voor de deur van de rijke man. Zo hoopte hij wat restjes eten te krijgen. Maar hij kreeg niets. Er kwamen alleen honden, die aan zijn wonden likten.
Op een dag ging Lazarus dood. Engelen namen hem mee en brachten hem bij Abraham. Lazarus mocht naast Abraham zitten.
Ook de rijke man ging dood en werd begraven. Hij kwam in de hel en had heel veel pijn. In de verte zag hij Abraham zitten, en daarnaast zat Lazarus. De rijke man riep: ‘Vader Abraham, heb medelijden met mij! Ik heb zo veel pijn in dit vuur! Stuur Lazarus naar me toe. Laat hem met zijn vinger een druppeltje water op mijn tong leggen.’
Maar Abraham zei: ‘Mijn zoon, jij hebt het toch goed gehad tijdens je leven, terwijl Lazarus het slecht had? Nu wordt hij getroost, maar jij moet pijn lijden. Bovendien is er een diepe afgrond tussen ons. Daardoor kunnen wij niet bij jullie komen, en jullie kunnen niet bij ons komen.’
Toen riep de rijke man naar Abraham: ‘Wilt u Lazarus dan alstublieft naar mijn familie sturen? Laat hem mijn vijf broers waarschuwen. Anders komen zij ook in de hel, net als ik.’
Maar Abraham zei: ‘Je broers hebben de wet van Mozes en de boeken van de profeten. Laten ze daar maar naar luisteren.’ Toen zei de rijke man: ‘Maar daar luisteren ze niet naar! Ze zullen hun leven pas veranderen als er een dode naar hen toe komt.’
Maar Abraham zei: ‘Je zegt dat je broers niet luisteren naar Mozes en de profeten. Dan zullen ze ook niet luisteren naar iemand die opstaat uit de dood.’’
Daarna zei Jezus tegen zijn leerlingen: ‘Er zullen dingen gebeuren waardoor gelovigen weggehaald worden bij God. Dat kan niet anders. Maar wat een ramp voor de mensen die dat veroorzaken! Want iedereen die een gelovige weghaalt bij God, krijgt een zware straf. Het zou beter voor hem zijn als hij met een zware steen om zijn nek in zee gegooid was. Pas dus op met wat je doet!
Stel dat een andere gelovige iets verkeerds doet. Vertel hem dan wat hij verkeerd gedaan heeft. Als hij spijt heeft, moet je hem vergeven. Zelfs als hij zeven keer op een dag iets verkeerds doet tegen jou. Als hij dan ook zeven keer spijt heeft, dan moet je hem vergeven.’
Toen zeiden de leerlingen tegen de Heer: ‘Maak ons geloof sterker!’ Maar de Heer zei: ‘Zelfs als je geloof maar zo klein is als een mosterdzaadje, is alles mogelijk. Als je dan tegen een boom zegt: ‘Trek je wortels uit de grond en ga in de zee staan,’ dan doet hij dat.
Stel dat je een slaaf hebt. Hij werkt op het land en hij past op je schapen. Als hij ’s avonds thuiskomt, zeg je niet tegen hem: ‘Ga lekker zitten, het eten staat klaar!’ Nee, je zegt tegen hem: ‘Doe een schort voor, maak mijn eten klaar en breng het mij. Als ik klaar ben, dan kun jij eten.’ Niemand bedankt zijn slaaf omdat die zijn werk doet.
Voor jullie geldt hetzelfde. Als jullie alles hebben gedaan wat God van je vraagt, zeg dan: ‘Wij zijn maar eenvoudige slaven. We doen gewoon ons werk.’’
Op weg naar Jeruzalem reisde Jezus door Samaria en Galilea. Toen hij een dorp binnenging, kwamen er tien mensen met een huidziekte naar hem toe. Ze bleven op een afstand staan. Ze riepen naar Jezus: ‘Meester, heb medelijden met ons!’
Toen Jezus hen zag, zei hij: ‘Ga naar een priester. Dan kan hij vaststellen dat jullie gezond zijn.’ Ze deden wat Jezus zei, en onderweg werden ze gezond.
Eén van de tien ging terug naar Jezus. Hij zong en juichte voor God, omdat hij weer gezond was. Hij dankte God. Iedereen kon hem horen. En hij knielde voor Jezus om hem te bedanken. De man was geen Jood, maar kwam uit Samaria.
Jezus zei tegen hem: ‘Er zijn toch tien mensen beter gemaakt? Waar zijn de andere negen? Jij komt als enige terug om God te eren. En je bent niet eens een Jood!’ Toen zei hij tegen de man: ‘Sta op en ga naar huis. Je bent gered dankzij je geloof.’
De farizeeën vroegen aan Jezus: ‘Wanneer komt Gods nieuwe wereld?’ Jezus antwoordde: ‘Je kunt niet zeggen wanneer de nieuwe wereld precies komt. En je kunt ook niet zeggen: ‘Kijk, hier is de nieuwe wereld!’ of ‘Kijk, daar!’ Maar jullie kunnen de nieuwe wereld nu al binnengaan, als jullie de juiste keuze maken.’
Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Er komt een tijd dat jullie verlangen naar het moment waarop de Mensenzoon komt. Maar jullie zullen hem niet zien.
In die tijd zullen de mensen tegen jullie zeggen: ‘Kijk, hier is de Mensenzoon!’ of ‘Kijk, daar is hij!’ Geloof die mensen niet! Loop ze niet achterna. Want als de Mensenzoon echt komt, zal iedereen hem zien. Net zoals iedereen de bliksem in de lucht kan zien.
Maar eerst moet de Mensenzoon lijden. Hij zal als een vijand behandeld worden door de mensen die nu leven.
De Mensenzoon zal onverwacht komen. Het zal net zo gaan als in de tijd van Noach. Toen waren de mensen bezig met gewone dingen: met eten, drinken en trouwen. Totdat de dag kwam dat Noach zijn boot in ging. Toen kwam plotseling de grote overstroming, en alle mensen verdronken.
En het zal net zo gaan als in de tijd van Lot. Ook toen waren de mensen bezig met gewone dingen: met eten, drinken, kopen, verkopen, zaaien en bouwen. Totdat Lot wegging uit Sodom. Toen kwam er opeens vuur uit de hemel, en alle mensen gingen dood.
Net zo plotseling zal ook de Mensenzoon komen.
Stel dat je op die dag buiten bij je huis bent. Vlucht dan meteen weg. Ga niet eerst je huis in om nog iets te pakken. Ook als je op het land aan het werk bent, moet je meteen vluchten. Ga niet eerst terug naar huis. Denk aan de vrouw van Lot! Met haar liep het slecht af.
Als je je leven probeert te redden, zul je het juist voor altijd verliezen. Maar als je het verliest, zul je het juist voor altijd redden.
Luister naar mijn woorden: Als de Mensenzoon komt, mag niet iedereen met hem mee. Als er bijvoorbeeld twee mensen in één bed slapen, mag maar één van hen met de Mensenzoon mee. De ander moet achterblijven. En als er twee vrouwen graan aan het malen zijn, mag maar één van hen met de Mensenzoon mee. De ander moet achterblijven.’
Toen vroegen de leerlingen: ‘Heer, waar zal dat allemaal gebeuren?’ Jezus antwoordde: ‘Dat zien jullie vanzelf als het zover is. Net zoals je aan de gieren kunt zien waar een dood dier ligt.’
Jezus gaf een voorbeeld aan zijn leerlingen. Daarmee wilde hij laten zien hoe belangrijk het is om te blijven bidden en nooit op te geven.
Jezus zei: ‘Er was eens een rechter in een stad. Hij had geen respect voor God en hij hield geen rekening met mensen. In dezelfde stad woonde ook een vrouw. Haar man was overleden. Omdat ze hulp nodig had, kwam ze steeds weer bij de rechter, en zei dan tegen hem: ‘Zorg dat ik krijg waar ik recht op heb.’
Eerst wilde de rechter haar niet helpen. Maar na een tijdje dacht hij: Ik moet die vrouw toch maar helpen. Niet omdat ik bang ben voor God, of omdat die vrouw mij iets kan schelen. Maar omdat ik last van haar heb. Ze blijft maar langskomen, straks valt ze me nog aan!’
Toen zei de Heer: ‘Kijk, zelfs zo’n oneerlijke rechter helpt mensen die volhouden. Dan zal God zeker de mensen helpen die hij zelf uitgekozen heeft. Mensen die dag en nacht om zijn hulp bidden, laat hij niet wachten.
Luister naar mijn woorden: God zal snel komen om die mensen te helpen. Maar als de Mensenzoon terugkomt, zullen er dan nog gelovigen op aarde zijn?’
Jezus gaf nog een voorbeeld. Dat was bedoeld voor mensen die zichzelf beter vinden dan anderen. Jezus zei: ‘Een farizeeër en een tollenaar gingen naar de tempel om te bidden. De farizeeër stond trots rechtop. En hij begon te bidden: ‘God, ik dank u dat ik niet ben zoals de andere mensen. Want die zijn oneerlijk, ze stelen en ze gaan vreemd. En ik dank u dat ik niet ben zoals die tollenaar daar. Ik betaal belasting aan de tempel over al mijn bezit. En ik vast twee keer per week om u te eren.’ Intussen stond de tollenaar helemaal achter in de tempel. Hij durfde zelfs niet omhoog te kijken. Hij huilde en zei: ‘God, ik ben een slecht mens. Heb medelijden met mij.’
Luister naar mijn woorden: Toen de twee mannen naar huis gingen, was de tollenaar bevrijd van zijn schuld. Maar de farizeeër niet. Want God zal iedereen die zichzelf geweldig vindt, onbelangrijk maken. En juist mensen die zichzelf niets waard vinden, die zal God belangrijk maken.’
Er waren mensen die kleine kinderen bij Jezus brachten. Ze wilden graag dat hij de kinderen aan zou raken. Toen de leerlingen dat zagen, hielden ze die mensen tegen.
Maar Jezus riep de kinderen bij zich. Hij zei: ‘Laat die kinderen bij me komen. Houd ze niet tegen. Want Gods nieuwe wereld is er juist voor hen. Luister goed naar mijn woorden: Je moet openstaan voor Gods nieuwe wereld. Net zoals een kind dat doet. Anders kun je er niet binnenkomen.’
Een rijke man vroeg aan Jezus: ‘Goede meester, hoe kan ik het eeuwige leven krijgen?’ Jezus zei tegen hem: ‘Je noemt mij goed, maar waarom? Alleen God is goed, verder niemand. En je weet toch welke regels er in de wet staan? Je mag niet vreemdgaan. Je mag niemand vermoorden. Je mag niet stelen. Je mag niet liegen. En je moet respect hebben voor je vader en je moeder.’
Toen zei die man: ‘Ik houd me aan al die regels. Al mijn hele leven.’ Jezus antwoordde: ‘Er is nog één ding dat je moet doen. Verkoop alles wat je hebt en geef het geld aan de armen. Dan zul je in de hemel een grote beloning krijgen. Als je alles weggegeven hebt, kun je terugkomen en met mij meegaan.’
Toen de man dat hoorde, was hij teleurgesteld. Want hij was heel rijk.
Toen Jezus zag dat de man teleurgesteld was, zei hij: ‘Het is heel moeilijk voor rijke mensen om in Gods nieuwe wereld te komen. Je zult nog eerder een kameel door het oog van een naald zien gaan.’
Toen de mensen dat hoorden, vroegen ze: ‘Maar wie kan er dan nog gered worden?’ Jezus zei: ‘Als het van mensen afhangt, kan niemand gered worden. Maar het hangt van God af. En dan kan het wel.’
Toen zei Petrus: ‘Maar hoe zit het met ons? Wij hebben alles achtergelaten om met u mee te gaan.’
Jezus antwoordde: ‘Luister goed naar mijn woorden: Als je kiest voor Gods nieuwe wereld, dan moet je bereid zijn om alles op te geven: je huis, je vrouw, je broers en je zussen, je ouders en je kinderen. Maar je krijgt er nu al veel voor terug. En als Gods nieuwe wereld komt, krijg je het eeuwige leven.’
Toen Jezus met zijn twaalf leerlingen alleen was, zei hij: ‘We zijn op weg naar Jeruzalem. Daar zal alles gebeuren wat de profeten gezegd hebben over de Mensenzoon. Want de Mensenzoon zal uitgeleverd worden aan de ongelovigen. Die zullen hem bespotten en slecht behandelen. Ze zullen in zijn gezicht spugen en hem met de zweep slaan. Daarna zullen ze hem doden. Maar drie dagen later zal hij opstaan uit de dood.’
De leerlingen begrepen niet wat Jezus bedoelde. Ze snapten niet wat het betekende, ze konden het gewoon niet begrijpen.
Jezus kwam in de buurt van de stad Jericho. Daar zat een blinde bedelaar langs de kant van de weg. Toen hij hoorde dat er veel mensen voorbijliepen, vroeg hij: ‘Wat is er aan de hand?’
De mensen vertelden hem dat Jezus uit Nazaret voorbijkwam. De blinde man begon te roepen: ‘Jezus! Zoon van David! Heb medelijden met mij!’ De mensen zeiden: ‘Houd toch je mond!’ Maar de man begon nog veel harder te roepen: ‘Zoon van David! Heb medelijden met mij!’
Toen bleef Jezus staan en zei: ‘Breng die man hier.’ De man kwam, en Jezus vroeg: ‘Wat kan ik voor je doen?’ De blinde man antwoordde: ‘Heer, ik wil weer kunnen zien.’ Jezus zei: ‘Kijk om je heen! Je bent beter geworden dankzij je geloof.’
Meteen kon de man weer zien. Hij ging met Jezus mee, en hij dankte God. Ook alle mensen die het zagen, dankten God.
---
Dit is de Bijbel in een Jaar podcast dag 83.
Een podcast van het NBG.
Morgen staat er een nieuwe aflevering voor je klaar.
Podcasts we love
Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.