Bijbel in een jaar
Bijbel in een jaar
Dag 84 - 2026 - Lucas 19-21, Psalm 118
Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.
Vandaag lezen we Lucas 19 tot en met 21 en Psalm 118 uit de NBV21.
🌟 Laat een review achter in jouw podcastapp!
📖 Lees mee via de app en houd je persoonlijke voortgang bij
🔎Ontdek nog meer manieren om mee te doen
📷Volg ons op Instagram
💡Schrijf je in voor tweewekelijkse Bijbelse inspiratie
❤️Lees meer over het Bijbelgenootschap
Je luistert naar het Bijbel in een jaar podcast van het NBG.
Dit is dag 84.
Vandaag lezen we Lucas 19-21 en Psalm 118.
---
Toen ging Jezus de stad Jericho binnen. Daar woonde een man die Zacheüs heette. Zacheüs was het hoofd van de tollenaars, en hij was erg rijk. Hij wilde wel eens zien wie Jezus was. Maar dat lukte niet, want Zacheüs was klein, en er stonden veel mensen om Jezus heen. Daarom rende Zacheüs een stuk vooruit. En hij klom in een boom waar Jezus voorbij zou komen. Op die manier kon hij Jezus toch zien.
Toen Jezus langs de boom liep, keek hij omhoog en zei: ‘Zacheüs, kom snel naar beneden! Want ik kom bij jou logeren.’ Zacheüs kwam meteen naar beneden. Hij was blij dat Jezus met hem mee naar huis ging. Maar de mensen klaagden. Ze zeiden: ‘Kijk nou, Jezus logeert bij een dief!’
Toen zei Zacheüs tegen de Heer: ‘Ik beloof dat ik de helft van mijn bezit aan de armen zal geven. En als ik geld van iemand afgepakt heb, dan geef ik hem vier keer zo veel terug.’ Toen zei Jezus: ‘Zacheüs, je hoort weer bij het volk van Abraham. Jij en jouw gezin zijn vandaag gered. Want ik, de Mensenzoon, ben gekomen om mensen te redden die verkeerde dingen doen.’
De leerlingen hadden gehoord wat Jezus zei. Ze dachten: We zijn nu dicht bij Jeruzalem. Zodra we daar zijn, begint Gods nieuwe wereld.
Maar omdat de leerlingen dat dachten, gaf Jezus hun een voorbeeld. Hij zei: ‘Een belangrijke man gaat een verre reis maken. Hij roept tien van zijn dienaren bij zich. Hij geeft ze alle tien geld en zegt: ‘Gebruik dit geld om nog meer geld te verdienen, totdat ik weer terugkom.’
Daarna gaat de man op reis naar een ver land. Daar wordt hij koning gemaakt van zijn eigen volk. Maar de mensen van zijn volk willen dat niet. Ze haten hem. Daarom sturen ze boodschappers naar het verre land met het bericht: ‘Wij willen die man niet als koning.’ Maar de man wordt toch koning, en hij gaat terug naar zijn land.
Als de man weer thuiskomt, roept hij zijn dienaren bij zich. Hij wil weten hoeveel ze verdiend hebben met zijn geld. De eerste dienaar komt en zegt: ‘Heer, ik heb met uw geld tien keer zo veel verdiend.’ ‘Uitstekend,’ zegt zijn heer, ‘jij bent een goede dienaar. Je hebt trouw gezorgd voor iets kleins. Daarom geef ik jou de leiding over tien steden.’
De tweede dienaar komt en zegt: ‘Heer, ik heb met uw geld vijf keer zo veel verdiend.’ En de heer zegt: ‘Ik geef jou de leiding over vijf steden.’
Maar dan komt de derde dienaar en die zegt: ‘Heer, hier is uw geld terug. Ik heb het voor u bewaard in een doek. Want u bent een strenge meester en ik ben bang voor u. Voor u is het nooit genoeg, u wilt altijd meer.’
De heer zegt: ‘Jij bent een slechte dienaar. Je weet dat ik een strenge meester ben. Dat heb je net zelf gezegd. Je weet dat het voor mij nooit genoeg is en dat ik altijd meer wil. Waarom heb je mijn geld dan niet naar de bank gebracht? Dan had ik het nu met rente terug kunnen krijgen.’
Daarna zegt de heer tegen de mensen om zich heen: ‘Pak het geld van deze dienaar af! En geef het aan de dienaar die tien keer zo veel verdiend heeft.’ De mensen antwoorden: ‘Maar heer, die dienaar heeft al het meeste geld!’
Dan zegt de heer: ‘Luister naar mijn woorden: Iedereen die veel heeft, krijgt nog meer. Maar iedereen die bijna niets heeft, raakt ook het laatste nog kwijt. En breng nu de mensen hier die niet wilden dat ik koning werd. Dat zijn mijn vijanden. Breng hen hier en dood hen.’’
Toen Jezus dat voorbeeld gegeven had, reisde hij verder naar Jeruzalem.
Jezus en de leerlingen kwamen in de buurt van de dorpen Betfage en Betanië, bij de Olijfberg. Daar stuurde Jezus twee leerlingen vooruit. Hij zei tegen hen: ‘Ga naar dat dorp daar. Jullie zullen daar een jonge ezel zien, die vastgebonden staat. Er heeft nog nooit iemand op gereden. Maak hem los en breng hem hier. Misschien vraagt iemand: ‘Wat doen jullie daar?’ Dan moet je zeggen: ‘De Heer heeft deze ezel nodig.’’
De twee leerlingen gingen naar het dorp. Daar gebeurde alles precies zoals Jezus gezegd had. Toen de leerlingen de ezel losmaakten, vroegen de eigenaars: ‘Wat doen jullie daar?’ De leerlingen zeiden: ‘De Heer heeft deze ezel nodig.’
De leerlingen brachten de ezel bij Jezus. Ze legden hun jassen op de rug van de ezel, en lieten Jezus erop zitten. Andere leerlingen legden hun jas op de weg. Zo ging Jezus naar Jeruzalem. Toen hij van de Olijfberg begon af te dalen, werden al zijn leerlingen blij. Ze dankten God voor alle wonderen die ze gezien hadden. Ze juichten en riepen: ‘Leve de koning, de man die door God gestuurd is! Vrede in de hemel en alle eer aan God!’
Tussen de mensen stonden ook een paar farizeeën. Zij zeiden tegen Jezus: ‘Meester, zeg tegen uw leerlingen dat ze stil moeten zijn!’ Maar Jezus antwoordde: ‘Luister naar mijn woorden: Als mijn leerlingen stil zouden zijn, dan zouden de stenen gaan juichen en roepen!’
Jezus was nu dicht bij Jeruzalem. Toen hij de stad zag, begon hij te huilen. Hij zei: ‘Jeruzalem, je inwoners hebben niet geluisterd! Vandaag is de vrede heel dichtbij voor hen, maar dat zien ze niet. Daarom zullen hun vijanden komen. Die zullen jou aanvallen, Jeruzalem. Ze komen van alle kanten, ze zullen je omsingelen. Ze zullen je vernietigen. Ze zullen al je inwoners doden en alle huizen verwoesten.
Jeruzalem, ik ben gekomen om vrede te brengen. Maar jouw inwoners hebben dat niet begrepen. Daarom zullen al die dingen gebeuren.’
Daarna ging Jezus de tempel binnen en begon de handelaars weg te jagen. Hij zei tegen hen: ‘In de heilige boeken staat: «Gods huis is een plaats om te bidden.» Maar jullie hebben het veranderd in een huis van dieven!’
Jezus was elke dag in de tempel om uitleg te geven over God. De priesters, de wetsleraren en de leiders van het volk wilden hem doden. Maar ze wisten niet hoe. Want er waren steeds heel veel mensen bij Jezus, omdat ze graag naar hem luisterden.
Jezus was elke dag in de tempel. Hij gaf uitleg aan het volk en hij vertelde hun het goede nieuws. Op een dag kwamen de priesters, de wetsleraren en de leiders van het volk naar hem toe. Ze zeiden: ‘U doet alsof u alles mag! Maar wie heeft u dat recht gegeven?’
Jezus antwoordde: ‘Ik heb eerst een vraag voor jullie. Johannes de Doper doopte mensen. Deed hij dat uit zichzelf of in opdracht van God?’
De priesters, de wetsleraren en de leiders van het volk overlegden met elkaar. Ze zeiden: ‘Stel dat we zeggen: ‘Johannes doopte in opdracht van God.’ Dan zegt Jezus natuurlijk: ‘Waarom geloofden jullie hem dan niet?’ Maar stel dat we zeggen: ‘Johannes doopte uit zichzelf.’ Dan zal het volk proberen om ons te doden. Want het hele volk gelooft dat Johannes een profeet van God is.’ Daarom antwoordden ze: ‘We weten het niet.’ Toen zei Jezus: ‘Dan zeg ik ook niet wie mij het recht gegeven heeft om deze dingen te doen.’
Daarna gaf Jezus het volk een voorbeeld. Hij zei: ‘Een man heeft een wijngaard. Hij verhuurt die wijngaard aan boeren en gaat zelf voor lange tijd op reis. In de tijd van de oogst stuurt de man een knecht naar de wijngaard. Die moet bij de boeren een deel van de opbrengst ophalen. Maar de boeren slaan de knecht, en sturen hem weg met lege handen. Dan stuurt de man een andere knecht naar de wijngaard. Maar de boeren slaan ook die knecht en ze beledigen hem. Ze sturen ook hem weg met lege handen. Daarna stuurt de man een derde knecht. Ook die wordt hard geslagen en de wijngaard uit gejaagd.
Ten slotte vraagt de eigenaar zich af wat hij nu moet doen. Hij denkt: Ik stuur mijn zoon, van wie ik heel veel houd. Voor hem zullen de boeren waarschijnlijk wel respect hebben.
Maar als de boeren de zoon zien, zeggen ze tegen elkaar: ‘Kijk, daar komt de zoon. Hij zal al het bezit van zijn vader krijgen. Kom, we slaan hem dood! Dan is de wijngaard van ons.’ De boeren slepen de zoon de wijngaard uit en slaan hem dood.’
Daarna zei Jezus: ‘Wat zal de eigenaar van de wijngaard nu doen? Hij zal zelf komen. Hij zal de boeren doden, en de wijngaard aan anderen geven.’ Toen zeiden de mensen: ‘Dat mag nooit gebeuren!’ Maar Jezus keek hen aan en zei: ‘Wat betekent dan deze tekst uit de heilige boeken: «De bouwers gooiden één van de stenen weg. Maar dat werd juist de belangrijkste steen van het gebouw»? Als je over die steen struikelt, zul je sterven. En als die steen op jou valt, blijft er niets van je over.’
De priesters en de wetsleraren begrepen dat het voorbeeld van de boeren over hen ging. Het liefst wilden ze Jezus meteen gevangennemen. Maar ze durfden het niet, omdat ze bang waren voor het volk.
De priesters en de wetsleraren letten goed op Jezus. Ze stuurden spionnen naar hem toe. Die moesten doen alsof ze iets van Jezus wilden leren. De priesters en de wetsleraren hoopten dat Jezus iets strafbaars zou zeggen. Dan konden ze hem oppakken en naar de Romeinse machthebbers brengen.
Toen de spionnen bij Jezus kwamen, zeiden ze: ‘Meester, u spreekt altijd de waarheid. U zegt geen andere dingen om mensen een plezier te doen. En u vertelt altijd precies wat God van ons wil. Zeg eens, mogen wij belasting betalen aan de keizer of niet?’
Maar Jezus wist dat ze met die vraag een slechte bedoeling hadden. Dus zei hij: ‘Laat mij eens een geldstuk zien. Wie staat er op deze munt?’ De spionnen antwoordden: ‘De keizer.’ Toen zei Jezus: ‘Geef aan de keizer wat voor de keizer is. En geef aan God wat voor God is.’
Iedereen hoorde dat Jezus niets verkeerds zei. En dus konden zijn tegenstanders hem niet oppakken. Ze waren zo verbaasd over zijn wijze antwoord, dat ze niets meer wisten te zeggen.
Toen kwamen er sadduceeën naar Jezus toe. Sadduceeën geloven niet dat de mensen zullen opstaan uit de dood. Ze zeiden tegen Jezus: ‘Meester, in de wet van Mozes staat deze regel: «Het kan gebeuren dat een man sterft zonder kinderen. Dan moet zijn broer trouwen met de weduwe. De broer moet zorgen dat zij een kind krijgt. Dat kind geldt dan als het kind van de gestorven man.»
Maar stel: Er zijn zeven broers. De oudste trouwt. Maar hij sterft zonder kinderen, en zijn vrouw blijft alleen achter. Dan trouwt de tweede broer met de vrouw. Maar ook hij sterft zonder kinderen. Met de derde broer gaat het net zo. En met de anderen ook. Alle zeven broers sterven zonder kinderen. Als laatste sterft de vrouw. Nu is onze vraag: Wat gebeurt er als de mensen zullen opstaan uit de dood? Met wie zal die vrouw dan getrouwd zijn? Want alle zeven broers zijn met haar getrouwd geweest!’
Jezus antwoordde de sadduceeën: ‘De mensen van deze wereld trouwen met elkaar. Maar de mensen die opstaan uit de dood, die leven niet meer als getrouwde mensen. Zij mogen leven in Gods nieuwe wereld. Dan zijn ze net als engelen en kunnen ze niet meer sterven. Ze zijn kinderen van God, omdat ze zijn opgestaan uit de dood.
Jullie geloven niet dat de mensen zullen opstaan uit de dood. Maar denk eens aan het verhaal van Mozes en de brandende doornstruik. Daar noemt God zich de God van Abraham, Isaak en Jakob. God is geen God van dode mensen, maar van levende mensen. Want hij geeft het leven aan alle mensen.’
Toen durfde niemand meer een vraag aan Jezus te stellen. En sommige van de wetsleraren zeiden: ‘Meester, dat hebt u goed gezegd.’
Jezus zei: ‘De mensen zeggen dat de messias een zoon van David is. Maar luister eens wat David zelf gezegd heeft over de messias: «God zei tegen mijn Heer: Kom naast mij zitten, aan de rechterkant. Ik zal je vijanden diep voor jou laten buigen.»
Dat is wat David in het boek Psalmen gezegd heeft. David zelf noemde de messias dus zijn Heer. Hoe kan de messias dan tegelijk Davids zoon zijn?’
Terwijl het hele volk het kon horen, zei Jezus tegen zijn leerlingen: ‘Pas op voor de wetsleraren! Zij lopen graag rond in deftige kleren. Ze willen beleefd gegroet worden op straat. Ze willen de beste plaatsen hebben in de synagoge. En ze willen de mooiste plaatsen krijgen bij een feestelijke maaltijd. Ze doen alsof ze uren aan het bidden zijn. Maar intussen pakken ze het bezit van weduwen af. God zal de wetsleraren extra streng straffen.’
In de tempel keek Jezus naar de rijke mensen die geld in de geldkist deden. Hij zag ook een arme weduwe. Zij deed twee muntjes in de geldkist. Die waren bijna niets waard.
Toen zei Jezus: ‘Luister goed naar mijn woorden: Die arme vrouw heeft het meest gegeven van allemaal. Want de anderen gaven een deel van het geld dat ze overhadden. Maar die vrouw gaf geld dat ze niet kon missen. Al het geld dat ze had, geld waar ze van moest leven.’
Een paar mensen stonden te praten over de tempel. Ze zeiden: ‘Wat een prachtig gebouw. En wat is het mooi versierd met prachtige stenen en geschenken voor God.’
Toen zei Jezus: ‘Bekijk de tempel maar goed. Want hij zal helemaal worden afgebroken, steen voor steen.’ De leerlingen vroegen: ‘Meester, wanneer gaat dat allemaal gebeuren? Aan welk teken zullen we zien dat het zover is?’
Jezus zei: ‘Pas op! Laat je niet bedriegen. Want er zullen veel mensen komen die mijn naam gebruiken. Ze zullen zeggen dat ze de messias zijn en dat het einde gekomen is. Maar jullie moeten die mensen niet geloven.
Als jullie horen dat er oorlog is of een opstand, moet je niet bang zijn. Want dat moet allemaal gebeuren, maar het is nog niet het einde. Eerst zullen alle volken en landen oorlog tegen elkaar voeren. Overal zullen rampen gebeuren. Er zullen grote aardbevingen komen, en ziektes en hongersnood. En aan de hemel zullen verschrikkelijke dingen te zien zijn.
Maar voordat al die dingen gebeuren, zullen jullie het moeilijk krijgen. De mensen zullen jullie oppakken en naar de synagoge of naar de gevangenis brengen. En jullie moeten bij bestuurders en koningen komen. Dat zal allemaal gebeuren omdat jullie bij mij horen.
Maar dat geeft jullie de kans om het goede nieuws te vertellen. Ga niet van tevoren bedenken wat je dan moet zeggen! Doe dat niet! Want ik zal jullie wijze woorden geven, waarmee je al je tegenstanders kunt overtuigen. Ze zullen niets meer weten te zeggen.
Iedereen zal jullie behandelen als vijanden, omdat je bij mij hoort. Zelfs je ouders kun je niet meer vertrouwen. En andere familieleden of vrienden ook niet. Sommigen van jullie worden door hen aangegeven om gedood te worden. Maar je hoeft niet bang te zijn. Want als je volhoudt tot het einde, zul je gered worden.
Op een dag zullen jullie soldaten van de vijand zien rondom Jeruzalem. Dan weet je dat de stad binnenkort verwoest wordt. Dan moet iedereen in Judea de bergen in vluchten. De mensen in Jeruzalem moeten weggaan uit de stad. En de mensen die buiten de stad wonen, moeten vooral niet naar de stad toe gaan. Want in die tijd komt God de mensen straffen. Alles wat in de heilige boeken staat, zal dan gebeuren.
Het zal een ramp zijn voor vrouwen die zwanger zijn of een baby hebben. Want er zal grote ellende komen over het land. De mensen die er wonen, zullen zwaar gestraft worden. Ze zullen door soldaten gedood worden, of als gevangenen naar andere landen gebracht worden. De ongelovigen zullen Jeruzalem binnengaan en de stad verwoesten. Maar uiteindelijk zal God een eind maken aan hun macht.
Er zullen vreemde dingen gebeuren met de zon, de maan en de sterren. Alle planeten zullen heen en weer schudden. Overal op aarde zullen mensen in paniek raken door de zee, die buldert met zijn hoge golven. Mensen zullen sterven van angst. Zo bang zijn ze voor wat er met de wereld gaat gebeuren.
Dan komt de Mensenzoon. Iedereen zal hem zien komen op de wolken. Hij komt als een machtige en schitterende koning.
Wees vol goede moed en vertrouwen als die dingen gebeuren. Want dan is het moment van jullie bevrijding dichtbij.’
Jezus gaf een voorbeeld. Hij zei: ‘Kijk eens naar een vijgenboom of naar een andere boom. Als je ziet dat er bladeren aan de takken komen, dan weet je dat het snel zomer wordt. Dat geldt ook voor de dingen waarover ik verteld heb. Als je die dingen ziet gebeuren, dan weet je dat Gods nieuwe wereld snel zal komen.
Luister goed naar mijn woorden: Sommige mensen die nu leven, zullen dat nog meemaken. De hemel zal verdwijnen, en de aarde zal verdwijnen. Maar mijn woorden zullen niet verdwijnen.’
Daarna zei Jezus: ‘Let heel goed op! Op een dag komt de Mensenzoon, plotseling zal hij op aarde zijn. Overal zullen de mensen verrast worden.
Zorg dat je daarop voorbereid bent. Laat je niet afleiden door feesten of drank, en ook niet door dagelijkse problemen. Laat je niet verrassen als de Mensenzoon plotseling komt.
Let heel goed op en blijf steeds bidden. Vraag God om kracht, zodat jullie kunnen ontsnappen aan alle vreselijke dingen die gaan gebeuren. Vraag om kracht, zodat jullie vol vertrouwen voor de Mensenzoon kunnen staan.’
Overdag gaf Jezus uitleg over God in de tempel. En ’s nachts sliep hij buiten de stad, op de Olijfberg.
De mensen kwamen elke dag al vroeg naar de tempel. Want ze wilden allemaal horen wat Jezus te vertellen had.
---
Dit is de Bijbel in een Jaar podcast dag 84.
Een podcast van het NBG.
Morgen staat er een nieuwe aflevering voor je klaar.
Podcasts we love
Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.