Bijbel in een jaar
Bijbel in een jaar
Dag 85 - 2026 - Lucas 22-24
Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.
Vandaag lezen we Lucas 22 tot 24 uit de NBV21.
🌟 Laat een review achter in jouw podcastapp!
📖 Lees mee via de app en houd je persoonlijke voortgang bij
🔎Ontdek nog meer manieren om mee te doen
📷Volg ons op Instagram
💡Schrijf je in voor tweewekelijkse Bijbelse inspiratie
❤️Lees meer over het Bijbelgenootschap
Je luistert naar het Bijbel in een jaar podcast van het NBG.
Dit is dag 85.
Vandaag lezen we Lucas 22-24.
--
Het was vlak voor het Joodse Paasfeest. Joden eten dan brood zonder gist. De priesters en de wetsleraren wilden Jezus doden, maar ze waren bang voor het volk.
Toen kwam de duivel in Judas Iskariot, één van de twaalf leerlingen. Judas ging naar de priesters en de officieren van de tempel. Hij besprak met hen hoe ze Jezus gevangen konden nemen, en hoe hij daarbij kon helpen. De priesters en de officieren waren daar blij mee, en ze beloofden om hem daarvoor te betalen. Dat vond Judas goed. Hij begon na te denken over een goed moment om Jezus gevangen te nemen. Want dat moest gebeuren zonder dat het volk het zou merken.
Het was de eerste dag van het Paasfeest. Op die dag moeten Joden een lam slachten voor de paasmaaltijd. Jezus stuurde Petrus en Johannes op weg. Hij zei: ‘Ga de paasmaaltijd klaarmaken, zodat we vanavond kunnen eten.’ Petrus en Johannes vroegen: ‘Waar zullen we dat doen?’
Jezus antwoordde: ‘Ga naar de stad. Daar zul je een man tegenkomen die een kruik met water draagt. Loop achter hem aan totdat hij ergens naar binnen gaat. Zeg dan tegen de eigenaar van dat huis: ‘Onze meester vraagt waar hij met zijn leerlingen de paasmaaltijd kan vieren.’ Dan zal die man jullie naar boven brengen. Daar is een grote eetkamer. En daar moeten jullie de maaltijd klaarmaken.’
De leerlingen gingen naar de stad. Alles ging precies zoals Jezus gezegd had. En ze maakten de paasmaaltijd klaar.
’s Avonds ging Jezus samen met de leerlingen aan tafel. Hij zei: ‘Hier heb ik naar verlangd! Ik wilde samen met jullie de paasmaaltijd vieren, voordat mijn lijden begint. Luister naar mijn woorden: Ik vier dit feest pas weer als Gods nieuwe wereld gekomen is.’
Toen nam Jezus een beker wijn. Hij dankte God en zei: ‘Drink allemaal uit deze beker. Luister naar mijn woorden: Ik zal vanaf nu geen wijn meer drinken. Dat doe ik pas weer als Gods nieuwe wereld gekomen is.’
Toen nam Jezus een brood. Hij dankte God. Hij brak het brood in stukken, deelde het uit en zei: ‘Kijk, dit is mijn lichaam. Ik zal sterven voor jullie. Houd deze maaltijd steeds opnieuw om aan mij te blijven denken.’
Na het eten nam Jezus een beker wijn. Hij zei: ‘Als ik gedood word, zal mijn bloed vloeien. Maar daardoor zullen jullie gered worden. Dat heeft God beloofd. Deze beker is daarvan het teken.’
Jezus zei: ‘De man die mij zal uitleveren, zit hier met mij aan tafel. De Mensenzoon zal sterven. Dat is van tevoren zo bepaald. Maar wat een ramp voor de man die mij uitlevert!’
Toen begonnen de leerlingen aan elkaar te vragen wie dat zou kunnen zijn.
Daarna kregen de leerlingen ruzie over de vraag wie van hen de belangrijkste was. Jezus zei: ‘Koningen heersen over hun volk. En machthebbers willen dat iedereen hen dankt voor hun goedheid. Maar zo mag het bij jullie niet gaan. Want de belangrijkste moet zich gedragen alsof hij de minst belangrijke is. Als iemand een leider wil zijn, moet hij alle anderen dienen. Want wie is belangrijker: de man die aan tafel zit of de man die hem eten brengt? De man die aan tafel zit natuurlijk. Maar ik ben juist bij jullie gekomen als een dienaar.
Jullie zijn steeds bij mij gebleven als ik het moeilijk had. Daarom zal ik koningen van jullie maken, zoals mijn Vader dat ook met mij gedaan heeft. In de nieuwe wereld mogen jullie eten en drinken bij mij aan tafel. Jullie zullen op twaalf tronen zitten en rechtspreken over heel Israël.’
Jezus zei tegen Simon Petrus: ‘Pas op, Simon! Satan staat klaar om het jullie moeilijk te maken. Dan zal duidelijk worden wie van jullie trouw aan mij is en wie niet. Maar ik heb gebeden dat jouw geloof sterk genoeg zal zijn, Simon. Eerst zul je mij in de steek laten, maar daarna zul je mij weer dienen. Dan moet jij de andere leerlingen gaan helpen.’
Toen zei Simon Petrus: ‘Heer, ik ben bereid om samen met u naar de gevangenis te gaan! En ik wil zelfs samen met u sterven.’ Maar Jezus zei: ‘Luister, Petrus. Jij zult drie keer zeggen dat je mij niet kent. Dat zal vannacht gebeuren, nog voordat de haan kraait.’
Jezus vroeg aan zijn leerlingen: ‘Een tijd geleden stuurde ik jullie op reis zonder geld, tas of schoenen. Misten jullie toen iets?’ De leerlingen antwoordden: ‘Nee, helemaal niets.’ Toen zei Jezus: ‘Maar nu is het anders. Neem je geld mee, en neem een tas mee met je spullen. En als je geen geld hebt om een zwaard te kopen, verkoop dan je jas.
Luister! In de heilige boeken staan deze woorden: «De mensen behandelden hem als een misdadiger.» Die woorden gaan over mij. Dat moet gebeuren, de tijd daarvoor is nu gekomen.’
Toen zeiden de leerlingen: ‘Kijk, Heer, hier hebben we twee zwaarden!’ Maar Jezus zei: ‘Genoeg hierover.’
Jezus ging de stad uit. Hij ging naar de Olijfberg, zoals altijd. De leerlingen gingen met hem mee. Toen ze op de berg waren, zei Jezus: ‘Bid God om kracht, zodat je geen verkeerde keuze maakt.’
Daarna liep hij zelf een stukje verder. Hij knielde en begon te bidden: ‘Vader, als u het wilt, houd dan dit zware lijden bij mij weg! Maar doe wat u zelf wilt, niet wat ik wil.’ Toen kwam er een engel uit de hemel om Jezus kracht te geven. Jezus was bang en ging steeds harder bidden. Zijn zweet viel in grote druppels op de grond. Het leken wel druppels bloed.
Toen Jezus klaar was met bidden, stond hij op en ging naar zijn leerlingen. Die waren van verdriet in slaap gevallen. Jezus zei: ‘Waarom slapen jullie? Bid God om kracht, zodat je geen verkeerde keuze maakt.’
Terwijl Jezus dat zei, kwam er een groep mannen aan. Judas, één van de twaalf leerlingen, liep voorop. Hij ging naar Jezus toe en groette hem met een kus. Maar Jezus zei: ‘Judas, verraad je de Mensenzoon met een kus?’
Toen de leerlingen begrepen wat er ging gebeuren, vroegen ze: ‘Heer, zullen we onze zwaarden pakken?’ En één van de leerlingen pakte zijn zwaard en sloeg de knecht van de hogepriester. Hij sloeg zijn rechteroor eraf. Maar Jezus zei: ‘Stop, genoeg!’ En hij pakte het oor en maakte de man weer beter.
Er waren priesters, officieren van de tempel en leiders van het volk meegekomen om Jezus gevangen te nemen. Jezus zei tegen hen: ‘Jullie zijn hier gekomen met zwaarden en stokken. Alsof ik een gevaarlijke misdadiger ben! Elke dag was ik bij jullie in de tempel, maar toen namen jullie mij niet gevangen. Nu is het moment gekomen waarop jullie gewacht hebben. Nu laat de duisternis haar macht zien.’
De mannen grepen Jezus vast en brachten hem naar het huis van de hogepriester. Petrus liep op een afstand achter hen aan. Toen maakten de mannen een vuur op de binnenplaats van het huis en gingen eromheen zitten. Petrus ging bij hen zitten.
Een meisje dat daar werkte, zag Petrus bij het vuur zitten. Ze keek naar hem en zei: ‘Die man was ook bij Jezus.’ Maar Petrus zei: ‘Mens, ik ken hem niet eens!’ Even later zei iemand anders tegen Petrus: ‘Jij hoort ook bij Jezus.’ Maar Petrus antwoordde: ‘Dat is niet waar!’ Een uur later zei weer iemand anders: ‘Ik weet heel zeker dat jij bij Jezus hoort. Want je komt duidelijk uit Galilea, net als hij!’ Maar Petrus zei: ‘Man, ik heb geen idee waar je het over hebt!’
Terwijl Petrus nog aan het praten was, kraaide er een haan. De Heer draaide zich om en keek Petrus aan. En Petrus dacht terug aan wat de Heer tegen hem gezegd had: ‘Jij zult drie keer zeggen dat je mij niet kent. Dat zal vannacht gebeuren, nog voordat de haan kraait.’
Toen liep Petrus weg, en hij huilde.
De mannen die Jezus gevangengenomen hadden, bespotten hem. Ze deden hem een blinddoek om en sloegen hem. Toen zeiden ze: ‘Hé profeet, zeg eens wie dat deed!’ En ze beledigden hem op nog veel meer manieren.
De volgende ochtend kwamen de leiders van het volk, de priesters en de wetsleraren bij elkaar. Jezus werd bij hen gebracht, en ze vroegen hem: ‘Zeg eens, bent u de messias?’ Jezus zei: ‘Jullie geloven toch niet dat ik het ben. En als ik jullie iets vraag, dan geven jullie geen antwoord. Maar ik ben de Mensenzoon. En vanaf nu zal ik naast God zitten, aan de rechterkant.’ Toen zeiden ze allemaal: ‘U bent dus de Zoon van God?’ Jezus zei: ‘Jullie zeggen zelf dat ik het ben.’
Maar zij zeiden: ‘We hebben geen verklaringen over Jezus meer nodig. Want we hebben allemaal gehoord wat Jezus net zelf gezegd heeft.’
De leiders brachten Jezus naar Pilatus, de Romeinse bestuurder. Bij Pilatus begonnen ze allerlei slechte dingen over Jezus te vertellen. Ze zeiden: ‘Jezus wil dat het volk in opstand komt. Want hij zegt dat je geen belasting moet betalen aan de keizer van Rome. En hij zegt dat hij de beloofde koning is.’
Pilatus vroeg aan Jezus: ‘Bent u de koning van de Joden?’ Jezus antwoordde: ‘U zegt het zelf.’ Toen zei Pilatus tegen de priesters en tegen alle andere mensen die erbij waren: ‘Volgens mij is Jezus onschuldig.’ Maar de mensen luisterden niet en zeiden nog een keer: ‘Jezus probeert met zijn ideeën het volk in opstand te brengen! Hij begon in Galilea. Daarna ging hij heel Judea door, en nu doet hij hier hetzelfde.’
Toen Pilatus hoorde dat Jezus uit Galilea kwam, stuurde hij hem naar Herodes. Want Herodes was de koning van Galilea, en hij was op dat moment in Jeruzalem.
Herodes was blij om Jezus te zien. Hij wilde Jezus al lang ontmoeten, want hij had veel over hem gehoord. Hij hoopte dat Jezus een wonder zou doen. Herodes stelde hem veel vragen, maar Jezus gaf geen antwoord.
Intussen bleven de priesters en de wetsleraren Jezus beschuldigen. Toen begonnen ook Herodes en zijn soldaten Jezus te beledigen. Ze bespotten hem en trokken hem een koninklijke mantel aan. Zo stuurden ze hem terug naar Pilatus.
Herodes en Pilatus waren altijd vijanden van elkaar geweest. Maar op die dag werden ze vrienden.
Pilatus riep de priesters, de leiders en het volk bij elkaar. Hij zei tegen hen: ‘Jullie hebben Jezus naar mij toe gebracht met de klacht dat hij het volk in opstand brengt. Daarom heb ik hem hier vragen gesteld. Daar waren jullie zelf bij. Maar volgens mij klopt het niet wat jullie zeggen. Jezus is dus onschuldig. En Herodes vindt dat ook, want hij heeft Jezus naar mij teruggestuurd. Jezus heeft niets gedaan waarvoor hij gedood zou moeten worden. Dus ik zal hem straffen, maar daarna laat ik hem vrij.’
Maar de mensen schreeuwden allemaal: ‘Weg met Jezus! Laat Barabbas vrij!’ Barabbas zat in de gevangenis omdat hij iemand vermoord had tijdens een opstand in Jeruzalem.
Opnieuw zei Pilatus tegen de mensen dat hij Jezus wilde vrijlaten. Maar de mensen schreeuwden: ‘Jezus moet dood! Hij moet aan het kruis!’
Toen zei Pilatus voor de derde keer: ‘Waarom moet ik Jezus laten doden? Hij heeft toch niets verkeerds gedaan? Ik zal hem straffen, en dan laat ik hem vrij.’ Maar de mensen begonnen nog harder te schreeuwen: ‘Jezus moet aan het kruis!’
Omdat de mensen zo schreeuwden, besloot Pilatus te doen wat ze wilden. Hij liet Barabbas vrij, de man die iemand vermoord had tijdens een opstand. En Jezus gaf hij aan zijn soldaten mee om gedood te worden. Want dat was waar de mensen om vroegen.
De soldaten brachten Jezus weg om hem te doden. Onderweg kwamen ze een man tegen. Die heette Simon van Cyrene, en hij kwam net de stad in. Simon moest van de soldaten het kruis van Jezus dragen en achter hem aan lopen.
Een grote groep mensen liep achter Jezus aan. Er waren ook vrouwen bij die verdrietig waren en om Jezus huilden. Maar Jezus draaide zich naar hen om en zei: ‘Vrouwen van Jeruzalem, huil niet om mij. Jullie kunnen beter huilen om jezelf en om jullie kinderen. Want er zal een verschrikkelijke tijd komen. Het wordt zo erg, dat de mensen zeggen: ‘Het is nu beter om helemaal geen kinderen te hebben. Vrouwen zonder kinderen hebben geluk. Als je nooit een kind kon krijgen, heb je nu geluk.’ In die tijd zullen mensen tegen de bergen roepen: ‘Val toch op ons neer!’ En tegen de heuvels: ‘Bedek ons toch!’
Nu is het nog vrede. En kijk wat er met mij gebeurt! Wat voor verschrikkelijke dingen zullen er dan met jullie gebeuren als het straks oorlog is?’
Tegelijk met Jezus werden ook twee misdadigers weggebracht om gedood te worden. Op een heuvel die de Schedel heet, hingen de soldaten Jezus aan het kruis. Ook de misdadigers werden aan een kruis gehangen. Het kruis van Jezus stond tussen de twee andere kruisen in.
Jezus zei: ‘Vader, vergeef de mensen die mij doden, want ze weten niet wat ze doen.’ De soldaten verdeelden de kleren van Jezus onder elkaar door erom te loten. En het volk stond ernaar te kijken.
Ook de leiders van het volk stonden naar Jezus te kijken. Ze lachten hem uit en zeiden: ‘Hij is toch de messias, de man die door God uitgekozen is? Hij heeft toch andere mensen gered? Dan moet hij ook zichzelf kunnen redden!’
Ook de soldaten bespotten Jezus. Ze kwamen bij het kruis staan en gaven Jezus zure wijn. Ze zeiden: ‘Red jezelf! Jij bent toch de koning van de Joden?’ Boven Jezus’ hoofd hing een bordje. Daarop stond: ‘Dit is de koning van de Joden.’
Eén van de twee misdadigers die naast Jezus hingen, begon hem te beledigen. Hij zei tegen Jezus: ‘Jij bent toch de messias? Red dan jezelf en ook ons!’ Maar de andere misdadiger zei: ‘Houd toch je mond! Ook jij hangt aan een kruis, ook jij zult snel dood zijn. Ben je niet bang voor God? Wij zijn misdadigers en hebben onze straf verdiend. Maar Jezus heeft niets verkeerds gedaan.’
En tegen Jezus zei hij: ‘Wilt u aan mij denken wanneer u koning bent in de hemel?’ Jezus antwoordde: ‘Luister goed naar mijn woorden: Vandaag nog zul jij bij mij in de hemel zijn.’
Om ongeveer twaalf uur ’s middags werd het opeens donker in het hele land. Drie uur lang bleef het donker, omdat de zon geen licht gaf. En in de tempel scheurde het gordijn voor de heilige zaal doormidden. Toen riep Jezus: ‘Vader, mijn leven is in uw handen!’ Dat waren zijn laatste woorden. Zo stierf hij.
De Romeinse officier die bij het kruis stond, zag wat er gebeurde. Hij eerde God en zei: ‘Geen twijfel mogelijk! Die man hoorde bij God!’ En alle mensen die waren komen kijken, gingen huilend weer naar huis.
De leerlingen van Jezus stonden een eind verderop te kijken. Ze stonden bij de vrouwen uit Galilea die met Jezus meegekomen waren.
Er was in Jeruzalem een man die Josef heette. Hij kwam uit de Joodse stad Arimatea, en hij hoorde bij de Joodse leiders. Maar wat ze met Jezus gedaan hadden, vond hij niet goed. Josef was een goede en eerlijke man. En hij geloofde dat Gods nieuwe wereld snel zou komen.
Josef ging naar Pilatus en vroeg of hij het lichaam van Jezus mee mocht nemen. Daarna haalde hij Jezus’ lichaam van het kruis af en wikkelde het in een doek. Hij legde het lichaam in een nieuw en leeg graf, dat uitgehakt was in een rots. Dat gebeurde allemaal op de dag voor de sabbat. De sabbat zou nu bijna beginnen.
De vrouwen uit Galilea die met Jezus meegekomen waren, volgden Josef. En ze zagen het graf waar Jezus neergelegd was. Toen gingen ze terug naar Jeruzalem om geurige olie met kruiden klaar te maken. Maar op sabbat deden ze niets, want zo staat het in de wet.
Op zondagochtend gingen de vrouwen heel vroeg naar het graf. Ze hadden de olie bij zich die ze klaargemaakt hadden. Maar toen ze bij het graf kwamen, zagen ze dat de steen voor het graf weggerold was. Ze gingen naar binnen. Maar het lichaam van de Heer Jezus lag er niet. De vrouwen schrokken vreselijk.
Plotseling stonden er twee engelen bij hen, in stralende kleren. De vrouwen waren zo bang, dat ze niet naar hen durfden te kijken.
De engelen zeiden: ‘Waarom zoeken jullie een levende man in een graf? Jezus is hier niet. Hij is opgestaan uit de dood. Weten jullie nog wat hij in Galilea gezegd heeft? Hij zei: ‘Ik, de Mensenzoon, zal door slechte mensen gevangengenomen worden. Ze zullen mij aan het kruis laten sterven. Maar drie dagen later zal ik opstaan uit de dood.’’
Toen herinnerden de vrouwen zich de woorden van Jezus.
De vrouwen gingen terug naar de stad. Het waren Maria uit Magdala, Johanna, en Maria, de moeder van Jakobus, en nog een paar andere vrouwen. Ze gingen alles vertellen aan de elf leerlingen en aan de andere leerlingen die bij hen waren. Maar de leerlingen vonden het verhaal van de vrouwen maar onzin. Ze geloofden het niet.
Alleen Petrus stond op en rende naar het graf. Daar bukte hij zich en keek naar binnen. Hij zag alleen de doeken liggen. Toen ging hij terug. Hij was erg verbaasd over wat er gebeurd was.
Op diezelfde dag gingen twee leerlingen van Jezus op weg naar het dorp Emmaüs. Dat dorp ligt ongeveer 12 kilometer van Jeruzalem. Ze spraken met elkaar over alles wat er gebeurd was. Terwijl ze zo liepen te praten, kwam er iemand bij hen lopen. Het was Jezus, maar de leerlingen herkenden hem niet.
Jezus vroeg: ‘Waar praten jullie over?’ Verdrietig bleven de twee leerlingen staan. Eén van hen heette Kleopas. Hij zei tegen Jezus: ‘Jij komt hier zeker niet vandaan? Weet je niet wat er de afgelopen dagen in Jeruzalem gebeurd is?’ Jezus vroeg: ‘Wat dan?’
Toen vertelden de leerlingen wat er gebeurd was met Jezus. Ze zeiden: ‘Jezus uit Nazaret was een profeet van God. Zijn bijzondere woorden en machtige daden maakten diepe indruk op het hele volk. Maar de priesters en de leiders wilden dat Jezus gedood zou worden. Daarom hebben ze hem weggebracht en aan het kruis gehangen. Wij hoopten dat Jezus gekomen was om Israël te bevrijden. Maar nu is het al de derde dag na zijn dood.
Vandaag hebben een paar vrouwen uit onze groep ons erg in de war gebracht. Ze zijn vanmorgen heel vroeg naar het graf gegaan. Toen hebben ze ontdekt dat het lichaam van Jezus er niet lag. Dat kwamen ze ons vertellen. Ze hebben zelfs engelen gezien, die zeiden dat Jezus leeft. Sommigen van ons zijn toen ook bij het graf gaan kijken. En alles was precies zoals de vrouwen gezegd hadden. Maar Jezus hebben ze niet gezien.’
Toen zei Jezus tegen hen: ‘Wat zijn jullie toch dom. Jullie begrijpen het nog steeds niet! Waarom geloven jullie niet wat de profeten gezegd hebben? Jullie wisten toch dat de messias eerst moest lijden voordat hij koning kon worden?’
En Jezus legde hun uit wat er over hem in de heilige boeken stond. Hij begon bij de boeken van Mozes en al de profeten.
Toen kwamen ze bij het dorp Emmaüs. Jezus deed alsof hij verder wilde reizen. Maar de twee leerlingen hielden hem tegen en zeiden: ‘Blijf toch bij ons. Want de dag is bijna voorbij, het wordt al donker.’ Toen ging Jezus met hen mee.
Tijdens het eten nam Jezus het brood. Hij dankte God, brak het brood in stukken en deelde het uit. Op dat moment herkenden de leerlingen Jezus. Maar direct daarna zagen ze hem niet meer.
De twee leerlingen zeiden tegen elkaar: ‘Had jij onderweg ook al zo’n bijzonder gevoel? Er was iets toen hij met ons praatte en de heilige boeken uitlegde.’ En meteen stonden ze op en gingen terug naar Jeruzalem. Ze gingen naar de elf leerlingen, die daar bij elkaar waren met de andere leerlingen.
Toen ze binnenkwamen, zeiden de elf leerlingen en de anderen: ‘Jezus is opgestaan, het is echt waar! Simon Petrus heeft hem gezien!’ Toen vertelden de twee leerlingen wat zij onderweg meegemaakt hadden. En hoe ze Jezus herkend hadden toen hij het brood brak.
Terwijl de leerlingen met elkaar aan het praten waren, stond Jezus plotseling bij hen. Hij zei: ‘Ik wens jullie vrede.’ De leerlingen schrokken en werden bang. Ze dachten dat ze een geest zagen.
Maar Jezus vroeg: ‘Waarom zijn jullie bang? En waarom twijfelen jullie of ik het echt ben? Een geest heeft geen lichaam. Maar kijk eens naar mijn handen en mijn voeten. Raak mij eens aan. Jullie kunnen toch zien dat dit mijn lichaam is? Ik ben het echt!’ En Jezus liet de wonden aan zijn handen en voeten zien.
De leerlingen waren zo blij en verrast, dat ze het niet konden geloven. Daarom zei Jezus: ‘Hebben jullie hier iets te eten?’ Toen gaven ze hem een stuk gebakken vis. En Jezus at het op waar zij bij waren.
Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Toen ik nog bij jullie was, heb ik gezegd: ‘Alles wat er over mij in de heilige boeken staat, moet gebeuren.’’
Daarna hielp Jezus hen om de heilige boeken goed te begrijpen. Hij zei: ‘In de heilige boeken staat dat de messias zal lijden en sterven, en drie dagen later zal opstaan uit de dood. En ook dat namens de messias het goede nieuws verteld moet worden. Dit is wat alle volken moeten horen: ‘Begin een nieuw leven, dan zal God je fouten vergeven.’ Jullie moeten dat nu aan iedereen gaan vertellen, allereerst in Jeruzalem. Blijf daar totdat de heilige Geest komt. Hij is de hemelse kracht die in jullie zal komen. Ik zal hem naar jullie toe sturen, zoals mijn Vader jullie beloofd heeft.’
Toen nam Jezus de leerlingen mee de stad uit, tot bij het dorp Betanië. Hij stak zijn armen uit en zegende hen. En terwijl hij dat deed, ging hij weg. God haalde hem naar de hemel.
De leerlingen eerden Jezus. Daarna gingen ze vol vreugde terug naar Jeruzalem. Daar waren ze voortdurend in de tempel om God te danken.
---
Dit is de Bijbel in een Jaar podcast dag 85.
Een podcast van het NBG.
Morgen staat er een nieuwe aflevering voor je klaar.
Podcasts we love
Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.