Bijbel in een jaar
Bijbel in een jaar
Dag 89 - 2026 - Numeri 9-10, Psalm 135
Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.
Vandaag lezen we Numeri 9 en 10 en Psalm 135 uit de NBV21.
🌟 Laat een review achter in jouw podcastapp!
📖 Lees mee via de app en houd je persoonlijke voortgang bij
🔎Ontdek nog meer manieren om mee te doen
📷Volg ons op Instagram
💡Schrijf je in voor tweewekelijkse Bijbelse inspiratie
❤️Lees meer over het Bijbelgenootschap
Je luistert naar het Bijbel in een jaar podcast van het NBG.
Dit is dag 89.
Vandaag lezen we Numeri 9-10 en Psalm 135.
--
In de Sinai-woestijn sprak de Heer tegen Mozes. Dat gebeurde in het begin van het tweede jaar nadat de Israëlieten uit Egypte vertrokken waren. De Heer zei: ‘De Israëlieten moeten het Paasfeest vieren op de tijd die ik genoemd heb. Ze moeten het dus vieren op de veertiende dag van deze maand, als het donker begint te worden. En ze moeten zich houden aan alle regels die ik voor het feest gegeven heb.’
Mozes zei tegen de Israëlieten wat er moest gebeuren. En zo vierden ze het Paasfeest in de Sinai-woestijn. Ze deden dat op de veertiende dag van de eerste maand, toen het donker begon te worden. Ze deden alles precies zoals de Heer het tegen Mozes gezegd had.
Sommige mensen hadden op de dag van het Paasfeest een dode aangeraakt. Daardoor waren ze onrein en konden ze niet meedoen met het Paasfeest.
Die mensen gingen nog diezelfde dag naar Mozes en Aäron. Ze zeiden: ‘Wij zijn onrein, want we hebben een dode aangeraakt. Mogen we dan echt niet meedoen met het Paasfeest, samen met de andere Israëlieten? Wij willen ook graag een offer brengen!’
Mozes zei: ‘Wacht hier, dan ga ik aan de Heer vragen wat hij van jullie wil.’
Toen zei de Heer tegen Mozes: ‘Zeg dat elke Israëliet het Paasfeest moet vieren. Dat geldt voor jullie allemaal, en ook voor jullie nakomelingen.
Stel nu dat iemand het Paasfeest niet kan vieren op de veertiende dag van de eerste maand. Bijvoorbeeld omdat hij onrein is door het aanraken van een dode. Of omdat hij op reis is. Dan moet hij het offer voor het Paasfeest later brengen: op de veertiende dag van de tweede maand, als het donker begint te worden. Hij moet bittere kruiden en brood zonder gist eten. Er mag van het vlees van het offerdier niets overblijven tot de volgende dag. En de botten van het dier mogen niet gebroken worden. Dus alle regels voor het Paasfeest moeten precies gevolgd worden.
Maar stel dat iemand het Paasfeest wel kan vieren, maar dat toch niet doet. Dan moet hij gestraft worden. Want hij heeft niet op de juiste tijd het offer voor het Paasfeest gebracht. Zo iemand mag niet meer bij het volk van Israël horen.
Stel dat een vreemdeling wil meedoen aan het Paasfeest ter ere van de Heer. Dan moet hij zich ook aan alle regels houden. Want voor vreemdelingen die bij jullie wonen, gelden dezelfde regels als voor jullie.’
Toen de heilige tent met de heilige kist erin opgebouwd was, kwam er een wolk boven de tent hangen. ’s Avonds zag de wolk eruit als een vuur, en dat bleef zo tot de volgende ochtend. Zo was het de hele tijd: de wolk hing iedere dag boven de heilige tent, en ’s nachts leek de wolk op een vuur.
Telkens als de wolk boven de tent omhoogging, reisden de Israëlieten verder. En ze rustten steeds uit op de plaats waar de wolk bleef hangen. Op die manier reisden ze verder als de Heer het wilde. En ze rustten ook weer als de Heer het wilde. Als de wolk boven de heilige tent bleef hangen, bleven ze met het kamp op dezelfde plaats.
Soms bleef de wolk langere tijd boven de heilige tent hangen: een paar dagen, of een maand, of nog langer. Dan reisden de Israëlieten niet verder, en bleven ze al die tijd op de plaats waar ze waren. Pas als de wolk omhoogging, reisden ze verder. Want ze deden wat de Heer wilde.
Soms bleef de wolk maar een korte tijd hangen, soms maar één nacht. Dan bleven de Israëlieten ook maar één nacht op dezelfde plaats. Want zodra de wolk omhoogging, overdag of ’s nachts, reisden ze verder.
Zo stopten de Israëlieten dus als de Heer het wilde. Dan bouwden ze hun kamp op. En ze reisden weer verder als de Heer dat wilde. Ze hielden zich aan alles wat de Heer tegen Mozes gezegd had.
---
De Heer zei tegen Mozes: ‘Maak twee trompetten van zilver. Die zijn bedoeld om de Israëlieten bij elkaar te roepen. En om ze het teken te geven dat ze verder moeten reizen.
Als er op allebei de trompetten geblazen wordt, dan moet het volk bij jou komen. Ze moeten dan naar de ingang van de heilige tent gaan. Als er op één trompet geblazen wordt, dan moeten alleen de legerleiders naar jou toe komen.
Als er heel hard op de trompet geblazen wordt, dan moet het volk verder reizen. De eerste keer dat er hard geblazen wordt, moeten de stammen aan de oostkant van het kamp vertrekken. De tweede keer dat er hard geblazen wordt, moeten de stammen aan de zuidkant vertrekken.
Bij een hard geluid van de trompet moet het volk dus vertrekken. Als er gewoon geblazen wordt, moet het volk bij elkaar komen. Dan klinkt er geen hard geluid.
Het is de taak van de priesters, de nakomelingen van Aäron, om op de trompetten te blazen. En het blijft ook altijd hun taak.
Straks zijn jullie in je eigen land. Misschien moeten jullie dan vechten tegen jullie vijanden. Blaas dan ook op de trompet. Dan zal ik aan jullie denken, en jullie van je vijanden bevrijden.
Ten slotte moeten jullie op de trompet blazen op het Feest van Nieuwe Maan en op andere offerfeesten. Dan zal ik aan jullie denken. Want ik ben de Heer, jullie God.’
De Israëlieten vertrokken uit de Sinai-woestijn in het tweede jaar nadat ze uit Egypte weggegaan waren. Dat gebeurde op de twintigste dag van de tweede maand. Want toen ging de wolk die boven de tent met de heilige kist hing, voor het eerst omhoog. De wolk zou pas weer stilstaan in de woestijn van Paran.
De Israëlieten vertrokken in de volgorde die de Heer aan Mozes uitgelegd had.
Het eerst vertrokken de stammen Juda, Issachar en Zebulon, die hun tenten bij de vlag van de stam Juda gezet hadden. De legerleider van de stam Juda was Nachson, de zoon van Amminadab. De legerleider van de stam Issachar was Netanel, de zoon van Suar. De legerleider van de stam Zebulon was Eliab, de zoon van Chelon.
Daarna werd de heilige tent afgebroken, en toen vertrokken de nakomelingen van Gerson en Merari. Die Levieten zorgden voor het vervoer van de heilige tent.
Daarna vertrokken de stammen Ruben, Simeon en Gad, die hun tenten bij de vlag van de stam Ruben gezet hadden. De legerleider van de stam Ruben was Elisur, de zoon van Sedeür. De legerleider van de stam Simeon was Selumiël, de zoon van Surisaddai. De legerleider van de stam Gad was Eljasaf, de zoon van Deüel.
Daarna vertrokken de nakomelingen van Kehat. Die Levieten moesten alle heilige voorwerpen dragen. Voordat zij in het nieuwe kamp aankwamen, moest de heilige tent alweer opgebouwd zijn.
Daarna vertrokken de stammen Efraïm, Manasse en Benjamin, die hun tenten bij de vlag van de stam Efraïm gezet hadden. De legerleider van de stam Efraïm was Elisama, de zoon van Ammihud. De legerleider van de stam Manasse was Gamliël, de zoon van Pedasur. De legerleider van de stam Benjamin was Abidan, de zoon van Gidoni.
Ten slotte vertrokken de stammen Dan, Aser en Naftali, die hun tenten bij de vlag van de stam Dan gezet hadden. De legerleider van de stam Dan was Achiëzer, de zoon van Ammisaddai. De legerleider van de stam Aser was Pagiël, de zoon van Ochran. De legerleider van de stam Naftali was Achira, de zoon van Enan.
Dat was de volgorde waarin de Israëlieten vertrokken. En in die volgorde reisden ze verder.
Chobab, de zoon van Reüel uit Midjan, was een zwager van Mozes. Mozes zei tegen hem: ‘Wij vertrekken nu naar het land dat de Heer ons beloofd heeft. Ga met ons mee! Je zult het goed hebben bij ons. Want de Heer heeft gezegd dat hij goed voor ons volk zal zorgen.’ Maar Chobab zei: ‘Nee, ik wil liever teruggaan naar mijn eigen land.’
Toen zei Mozes: ‘Blijf toch bij ons! Jij kunt ons door de woestijn leiden. Jij weet het beste waar we onze tenten kunnen opzetten. Als je met ons meegaat, zullen we alles wat we van de Heer krijgen, met jou delen.’
Nadat de Israëlieten vertrokken waren van de berg Sinai, reisden ze drie dagen verder. De heilige kist van de Heer ging voorop. Zo kon de Heer een plaats aanwijzen waar het volk kon rusten. Steeds als de Israëlieten verder reisden, hing overdag de wolk van de Heer boven hen.
Telkens als ze vertrokken met de heilige kist, zei Mozes: ‘Val uw vijanden aan, Heer! Laat al uw tegenstanders vluchten.’ En telkens als de heilige kist stilstond, zei Mozes: ‘Kom weer bij uw volk, Heer. Kom weer bij het volk dat niet te tellen is!’
---
Halleluja!
Zing voor de Heer!
Dienaren van de Heer,
zing voor hem.
Jullie die in zijn tempel zijn,
die werken in het huis van onze God,
zing voor de Heer!
Zing voor de Heer,
want hij is goed.
Maak muziek voor hem,
want hij maakt ons gelukkig.
De Heer heeft Israël uitgekozen,
het volk van Jakob hoort bij hem.
Ik weet hoe machtig de Heer is,
machtiger dan alle andere goden.
De Heer doet alles wat hij wil,
in de hemel, op de aarde
en in de diepe zeeën.
Hij haalt wolken van het einde van de aarde,
van hem komt de regen en de bliksem,
uit zijn hemel stuurt hij de wind.
De Heer deed grote daden in Egypte.
Hij doodde daar de oudste zonen van de mensen,
en het eerste jong van elk dier.
De Heer liet wonderen zien
aan de farao en al zijn dienaren.
De Heer overwon veel volken,
hij doodde hun machtige koningen.
Hij doodde Sichon, de koning van de Amorieten
en Og, de koning van Basan.
Hij doodde alle koningen van Kanaän.
Hun land gaf hij aan Israël,
zijn volk mocht daar voor altijd wonen.
De Heer blijft altijd machtig,
iedereen zal over hem blijven spreken.
Hij beschermt zijn volk,
hij is goed voor zijn dienaren.
De goden van andere volken kunnen niets.
Het zijn beelden van zilver en goud,
die door mensen gemaakt zijn.
Ze hebben een mond,
maar ze kunnen niet praten.
Ze hebben ogen,
maar ze kunnen niet zien.
Ze hebben oren,
maar ze kunnen niet horen.
Ze hebben een mond,
maar ze ademen niet.
Mensen die zulke beelden maken,
mensen die op zulke beelden vertrouwen,
worden net zoals die beelden:
ze kunnen niets meer.
Israëlieten, dank de Heer.
Priesters, dank de Heer.
Levieten, dank de Heer.
Dienaren van de Heer, dank hem!
Inwoners van Sion, dank de Heer,
de Heer die woont in Jeruzalem.
Halleluja!
---
Dit is de Bijbel in een Jaar podcast dag 89.
Een podcast van het NBG.
Morgen staat er een nieuwe aflevering voor je klaar.
Podcasts we love
Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.