Bijbel in een jaar

Dag 91 - 2026 - Numeri 13-14, Psalm 32

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap Season 2026 Episode 106

Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.

0:00 | 14:58
Vandaag lezen we Numeri 13 en 14 en Psalm 32 uit de NBV21.

🌟 Laat een review achter in jouw podcastapp!
📖 Lees mee via de app en houd je persoonlijke voortgang bij
🔎Ontdek nog meer manieren om mee te doen
📷Volg ons op Instagram
💡Schrijf je in voor tweewekelijkse Bijbelse inspiratie
❤️Lees meer over het Bijbelgenootschap 

SPEAKER_01

Dit is de Bijbel in een jaarpodcast van het NBG. Dit is Dag 92. Vandaag lezen we nummer 13 en 14 en de Psalmen 32. Nummer 13 en 14.

SPEAKER_02

Verkenning van Kanaan. De Heer zei tegen Mozes: Stuur er een aantal mannen op uit om Kanaan, het land dat ik de Israëlieten geven zal, te verkennen. Kies daartoe uit elke stam één man, een familiehoofd. Mozes deed wat de Heer gebood en stuurde er vanuit de woestijn van Paran mannen op uit, die allen tot de leiders van de Israëlieten behoorden. Dit zijn hun namen. Uit de stam Ruben, Samua, de zoon van Zakr. Uit de stam Simeon Safat, de zoon van Gori. Uit de stam Judah Kaleb, de zoon van Jefune. Uit de stam Isachar Jichal, de zoon van Jozef. Uit de stam Ephraim, Hosea, de zoon van Nun. Uit de stam Benjamin Palti, de zoon van Rafu. Uit de stam Zebulon Gadiel, de zoon van Sodi. Van de afstammelingen van Jozef uit de stam Manasse, Chadi, de zoon van Suzi. Uit de stam Dan Amiel, de zoon van Gemali. Uit de stam Aser, Setur, de zoon van Michael. Uit de stam Naftali Nagbi, de zoon van Wofzi. Uit de stam Gat, Gehuel, de zoon van Machi. Zo luiden de namen van de mannen die Mozes erop uitstuurden om het land te verkennen. Hosea, de zoon van Nun, noemde hij Josua. Toen Mozes hen uitstond om Canaan te verkennen, droeg hij hun dit op. Ga eerst door de negev en dan de bergen in, en kijk hoe het land is, of de bevolking sterk is of zwak, en of er veel of weinig mensen wonen. Kijk of het land bewoonbaar is of onherbergzaam en hoe de bevolking woont in gewone dorpen of in westingsteden. En kijk of de grond wet is of schraal, en of er bomen groeien of niet. En probeer vooral ook vruchten uit het land mee te nemen. Het was juist de tijd van de eerste druiven. Ze gingen op weg en verkenden het land van de woestijn van Sin tot aan de rechop bij Lebo Hamad. Ze trokken door de negev en kwamen daarna in de buurt van Hebron, waar de Enakieten Achiman, Sesai en Talmaai woonden. Hebron is zeven jaar eerder gebouwd dan Zoan in Egypte. In het escoldal aangekomen sneden ze een rank met één tros druiven af, die ze met z'n tweeën aan een stok moesten dragen en ook wat granaatappels en wijgen. Aan de druiventros die de Israëlieten daar afsneden, heeft het Eskoldal zijn naam te danken. Nadat ze het land veertig dagen lang verkend hadden, keerde ze terug naar kades in de woestijn van Paran, naar Mozes, aan Aaron en de andere Israëlieten. Ze brachten aan het hele volk verslag uit en lieten de vruchten uit het land zien. Wij zijn in het land geweest waar u ons naartoe hebt gestuurd, vertelden ze aan Mozes. Werkelijk, het vloeit over van melk en honing, en deze vruchten groeien er. Maar daar staat tegenover dat de bevolking van dat land sterk is. De steden zijn versterkt en heel groot, en ook hebben we er enakiten gezien. In de negev wonen Amalekiten in het bergland Hethiten, Jebuziten en Amorieten en aan de kust ten langs de Jordaan wonen Canaanieten. Kaleb, die wilde voorkomen dat het volk zich tegen Mozes zou verzetten, zei: We kunnen zonder probleem optrekken en het land in bezit nemen. We kunnen dat volk makkelijk aan. Maar de mannen die met hem meewaren geweest, zeiden: we kunnen dat volk niet aanvallen, het is te sterk voor ons. En ze vertelden de Israëlieten allerlei ongunstigs over het land dat ze verkend hadden. Het land dat wij op onze verkenningstocht door kruist hebben, zeiden ze, verslind zijn inwoners en alle mensen die we er gezien hebben, waren uitzonderlijk lang. We hebben daar zelfs reuzen gezien, de Enakieten. Vergeleken bij dat volk van reuzen voelden wij ons maar niet de gespringhanen, en veel meer zullen we in hun ogen ook niet geweest zijn. Hierop barste het hele volk in tranen uit, heel de nacht door klonk hun jammer. Ze begonnen zich allemaal te beklagen. Waren we maar in Egypte gestorven, zeiden ze tegen Mozes en na aram, of hier in de woestijn. Waarom brengt de Heer ons naar dat land om door het zwaard geveld te worden en om onze vrouwen en kinderen te laten buitmaken? We kunnen beter teruggaan naar Egypte. En tegen elkaar zeiden ze: Laten we een leider kiezen en teruggaan naar Egypte. Toen wirpen Mozes en Aaron zich ter aarde ten overstaan van de voltallige gemeenschap van Israël. Joshua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefenne, twee van degenen die het land verkend hadden, scheurden hun kleren en zeiden tegen de Israëlieten: Het land dat wij op onze verkenningstocht door kruist hebben, is een buitengewoon goed land, een land dat overvloeit van melk en honing. Als de Heer ons goed gezind is, zal Hij ons erheen brengen en het ons geven. Maar verzet u dan niet tegen de Heer, en wees niet bang voor de bevolking van het land, die vermoorzelen we met gemak. Zij hebben niemand die hen beschermt, en wij worden bijgestaan door de Heer. Wees dus niet bang voor hen. Het volk dreigde hen te stenigen, maar toen verscheen de majestijd van de Heer in de ontmoetingstent aan de Israëlieten. De Heer zei tegen Mozes, Hoe lang zal dit volk mij nog afwijzen? Hoe lang nog zal het weigeren op mij te vertrouwen, ondanks alle wonderen die ik verricht heb? Ik zal het met de pest treffen en het uitroeien, en uit jou zal ik een volk laten voortkomen dat groter en sterker is dan dit. Maar Mozes zei tegen de Heer. Als de Egyptenaren, bij wie u dit volk met krachtige arm hebt weggeleid, dat te weten komen, zullen zij het vertellen aan de inwoners van dit land. Die hebben gehoord dat u, Heer, te midden van dit volk verblijft, en dat u persoonlijk aan hen bent verschenen, dat uw wol boven hen hangt, en dat u overdag in een wolk kolom voor hen uitgaat en s'nachts in een vuurzuil. Als u nu iedereen van dit volk dood, zullen alle volken die over uw daden hebben gehoord, zeggen de Heer was zeker niet in staat om dat volk naar het land te brengen dat Hij hun onder ede beloofd had. Daarom heeft Hij hen in de woestijn afgeslacht. Laat daarom zien hoe groot uw verdraagzaamheid is, Heer. U hebt immers zelf gezegd: de Heer is geduldig en trouw, schuld en misdaad vergeeft Gij. Al laat Hij niet alles ongestraft, en roep hij de kinderen voor de zonde van hun ouders ter verantwoording tot in het derde en vierde geslacht. Ik smeek u, toon uw grote trouw en vergeef dit volk zijn schuld, zoals u het steeds vergevenis hebt geschonken, van Egypte af tot hiertoe. De Heer antwoordde: Ik zal vergeving schenken, zoals je vraagt. Maar zo waar ik leef en de hele aarde vervuld is van de maajestijd van de Heer, niemand van degene, die mijn maajestijd gezien hebben en de wonderen die ik in Egypte en in de woestijn heb verricht, en die mij nu al tien keer op de proef gesteld hebben door mij niet te gehoorzamen, zal het land zien dat ik hun voorouders onder Ede heb beloofd. Niemand van hen die mij hebben afgewezen, krijgt het te zien. Maar mijn dienaar Kaleb, die door een anderen geest bezield was en mij volkomen trouw is geweest, hem zal ik naar het land brengen waar hij geweest is, en zijn nakomelingen zullen het bezitten. Nu wonen daar de Amalekieten en Canaanieten nog in de valleien. Keer morgen om en trekt de woestijn weer in in de richting van de Rode Zee. De Heer zei tegen Mozes en aan Aaron: Hoe lang blijft dit verdorven volk zich nog tegenover mij beklagen? Ik heb hun voortdurende geklaag lang genoeg aangehoord. Zeg hun dit: Zo waar ik leef, spreekt de Heer, ik zal zeker met jullie doen wat ik je heb horen zeggen. Hier in de woestijn zullen jullie lijken liggen, de lijken van allen die ingeschreven zijn, allen van twintig jaar en ouder, niemand uitgezonderd, omdat jullie tegenover mij beklaagd hebben. Jullie zullen het land waarvan ik gezworen heb dat je er zou wonen, niet binnengaan, met uitzondering van Kaleb, de zoon van Jevenne en Joshua, de zoon van Nun. Jullie kinderen die volgens jullie zouden worden buitgemaakt, zal ik er wel brengen. Zij zullen het land dat jullie versmaat hebben, leren kennen. Maar wat jullie betreft, jullie lijken zullen hier in de woestijn komen te liggen, en je kinderen zullen veertig jaar lang door de woestijn ronddolen om te boeten voor je ontrouw. Tot jullie lijken hier in de woestijn vergaan zijn. Veertig dagen hebben jullie het land verkend, veertig jaar zul je voor je schuld boete doen, één jaar voor elke dag. Dan zul je ondervinden wat het betekent als ik mijn handen van je aftrek. Ik, de Heer, zweer dat ik zo zal handelen met heel dit verdorven volk dat tegen mij heeft samengespannen. Hier in de woestijn zal hun leven een einde nemen. Hier zullen ze sterven. De mannen die Mozes erop uitgestuurd had om het land te verkennen en die na hun terugkeer het volk tot geklaag hadden aangezet door allerlei ongunstigs over dat land te vertellen, die mannen stierven in de buurt van het heiligdom ten gevolge van een plaag, omdat ze het land in een kwaad daglicht hadden gesteld. Twee van de verkenners van het land echter, Joshua, de zoon van Nun en Kaleb, de zoon van Jevenne, bleven in leven. Toen Mozes de woorden van de Heer aan de Israëlieten overbracht, werd het volk diep bedroefd. De volgende morgen vroeg wilde ze de bergen intrekken. We zijn alsnog bereid om op te trekken naar de plaats waarover de Heer gesproken heeft, zeiden ze. We hebben gezondigd. Maar Mozes zei: Waarom gaat u in tegen het bevel van de Heer? Zo'n onderneming is gedoemd te mislukken. Trek niet ten strijde, want de Heer is niet in uw midden. Doet u het toch, dan zult u door uw vijanden verslagen worden, want u komt daar tegenover de Amelekieten en de Canaanieten te staan, en u zult in de strijd omkomen omdat u zich van de Heer hebt afgewend. De Heer zal u niet bijstaan. Toch waren ze zo overmoedig om de bergen in te trekken, hoewel de ark van het verbond met de Heer bij Mozes in het kamp bleef. De Amalekieten en Canaanieten die daar in het bergland woonden, kwamen hun tegemoet, brachten hun een nederlaag toe en dreven hen terug tot Gorma.

SPEAKER_00

Psalmen 32. Van David, een kunstig lied. Gelukkig de mens wiens ontrouw wordt vergeven, wiens zonden worden bedekt. Gelukkig als de Heer zijn schuld niet telt, als in zijn geest geen spoor van bedrog is. Zolang ik zweeg, veerde mijn botten weg. Kreunend leed ik u de hele dag. Zwaar drukte uw hand op mij, dag en nacht. Mijn kracht smolt weg als in de zomerhitte. Toen beleed ik u mijn zonde. Ik dekte mijn schuld niet toe. Ik zei, ik beken de Heer, mijn ontrouw. En u vergaf mij mijn zonde, mijn schuld. Laten uw getrouwen dus tot u bidden, als zij in zichzelf een zonde vinden. Storm dan een vloed van water aan, die zal hen niet bereiken. Bij u ben ik veilig. U behoed mij in de nood en omringt mij met gejuich van bevrijding. Ik geef inzicht en wijs de weg die je moet gaan. Ik geef raad. Op jou rust mijn ogen. Wees niet redeneloos als paarden of ezels die met bid en toom worden bedwongen. Dan zal geen kwaadje treffen. Een slecht mens heeft veel leed te verduren. Maar wie op de Heer vertrouwt, wordt met liefde omringd. Verheug u in de Heer, rechtvaardigen. En juich. Zing het uit, u die oprecht bent van hart.

SPEAKER_01

Dit is de Bijbel in een jaar podcast van het NBG. Morgen staat er weer een nieuwe aflevering voor je klaar.

Podcasts we love

Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.

Dagvers - Dé dagelijkse Bijbelpodcast Artwork

Dagvers - Dé dagelijkse Bijbelpodcast

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap