Bijbel in een jaar

Dag 119 - 2026 - Deuteronomium 31-34

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap Season 2026 Episode 138

Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.

0:00 | 23:14
Vandaag lezen we Deuteronomium 31 tot en met 34 uit de NBV21.

🌟 Laat een review achter in jouw podcastapp!
📖 Lees mee via de app en houd je persoonlijke voortgang bij
🔎Ontdek nog meer manieren om mee te doen
📷Volg ons op Instagram
💡Schrijf je in voor tweewekelijkse Bijbelse inspiratie
❤️Lees meer over het Bijbelgenootschap 

SPEAKER_00

Dit is de Bijbel in een jaarpodcast van het NBG. Dit is dag 120. Vandaag lezen we Deuteronomium 31 tot en met 34. Deuteronom 31 tot en met 34.

SPEAKER_02

Mozes opvolging. Hierna sprak Mozes de Israëlieten opnieuw toe. Hij zei: Ik ben nu 120 jaar oud en niet in staat om nog langer leiding te geven. Bovendien heeft de Heer me gezegd dat ik de Jordaan niet mag oversteken. De Heer, uw God, zal zelf voor u uitgaan en de volken aan de overkant voor u uitroeien, zodat u hun land in bezit kunt nemen. Joshua zal u daarbij aanvoeren, zoals de Heer heeft gezegd. De Heer zal hen het lot laten delen van de Amoritische koningen Sigon en Och, die hij met heel hun land heeft vernietigd. Wanneer hij u de overwinning op die volken geschonken heeft, moet u met hen precies zo handelen als ik u heb opgedragen. Wees vastberaden en standvastig. Wees niet bang en laat u niet afschrikken, want het is de Heer uw God, die met u meegaat. Hij zal niet van uw zijde wijken en u niet verlaten. Toen riep Mozes Josua bij zich, en ten overstaan van alle Israëlieten zei hij tegen hem: Wees vastberaden en standvastig, want jij zult het volk het land binnenleiden dat de Heer onder Ede aan hun voorouders heeft beloofd. En onder jouw leiding zullen ze het in bezit nemen. De Heer zelf gaat voor je uit. Hij zal je bijstaan en geen moment van je zijde wijken.

SPEAKER_01

Wees niet bang en laat je door niets ontmoedigen. Laatste aanwijzingen: het lied van Mozes.

SPEAKER_02

Mozes stelde zijn hele onderricht op schrift en gaf de boekrol aan de Levitische priesters, die de ark van het verbond met de Heer moesten dragen en aan de oudsten van Israël. Hij droeg hun daarbij het volgende op. Lees deze voorschriften elk zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding tijdens het Loofhuttefeest voor aan alle Israëlieten. Want dan komt heel Israël naar de plaats die de Heer uitkiest om daar voor Hem te verschijnen. Roep dan het volk bijeen, met inbegrip van de vrouwen en kinderen en de vreemdelingen die bij u in de stad wonen. Laat iedereen naar de voorlezing luisteren en zo leren ontzacht te tonen voor de Heer uw God en de wetten waarin u onderwezen bent, strikt na te leven. Ook hun kinderen, die nog van niets weten, moeten luisteren en leren om ontzacht te tonen voor de Heer uw God al de tijd dat u aan de overkant van de Jordaan leeft in het land dat u in bezit zult nemen. De Heer zei tegen Mozes: Je leven loopt een einde. Roep Joshua en kom samen naar de ontmoetingstent, dan zal ik hem als jouw opvolger aanstellen. Nadat Mozes en Jozhua de tent waren binnengetreden, verscheen de Heer in een wolkenkolom die boven de ingang bleef staan. De Heer zei tegen Mozes: Als jij bij je voorouders te rustten bent gegaan, zal het volk mij om trouw worden en zich afgeven met de vreemde goden die zij zullen aantreffen in het land waar zij heen gaan. Ze zullen mij verlaten en het verbond dat ik met hen gesloten heb verbreken. Dan zal ik in toorn tegen hen ontsteken. Ik zal hen aan hun lot overlaten en me van hen afkeren. Wanneer ze zo kwetsbaar zijn geworden, zullen ze ten prooi vallen aan allerlei ellende en tegenspoed. Dan zullen ze zeggen, deze elende overkomt ons zeker, doordat onze goden niet meer in ons midden zijn. Nee, ik ben het die zich van hen afkeert, omdat ze zoveel kwaad hebben gedaan en zich met andere goden hebben ingelaten. Daarom moet jij het volgende lied opschrijven en het de Israëlieten uit hun hoofd laten leren. Ik zal het tegen hen laten getuigen. Want zo zal het gaan. Ik breng hen naar het land dat ik hun voorouders onder ede heb beloofd, een land dat overvloeit van melk en honing. Ze zullen er volop te eten hebben, en als ze helemaal verzadigd zijn, laten ze zich met andere goden in om die te dienen, maar mij wijzen ze af en het verbond dat ik met hen gesloten heb, verbreken ze. Wanneer ze eenmaal aan allerlei ellenden en tegenspoed en prooi zijn gevallen, zal dit lied, dat ook onder hun nakomelingen nog algemeen bekend zal zijn, tegen hen getuigen. Ik weet nu al waar hun hart naar uitgaat, nog voor ik hen in het land gebracht heb, dat ik hun onder Ede heb beloofd. Diezelfde dag schreef Mozes het lied op en hij leerde het de Israëlieten. Joshua de zoon van Nun, werd aangesteld als zijn opvolger, en de Heer zei tegen hem: Wees vastberade en stand vastig, want jij zult de Israëlieten naar het land brengen dat ik hun onder Ede heb beloofd, en ik zal je terzijde staan. Toen Mozes alle bepalingen van de wet op schrift had gesteld, gaf hij de levieten die de ark van het Verbond met de Heer moesten dragen, de volgende opdracht. Leg dit wetboek naast de ark van het Verbond met de Heer, uw God. Het moet daar blijven om tegen dit volk te getuigen. Want Israël, ik weet hoe opstandig en onhandelbaar u bent. Tijdens mijn leven hebt u zich al steeds tegen de Heer verzet. Hoe zal het dan niet gaan na mijn dood? Roep alle oudste van uw stammen bijeen, evenals uw schrijvers, dan zal ik u hun mijn waarschuwing laten horen en daarbij hemel en aarde als getuige oproepen. Want ik weet dat u zich na mijn dood zult gaan misdragen en zult afwijken van de weg die ik u gewezen heb. Daarom zal ellende uiteindelijk uw deel zijn, want u zult doen wat slecht is in de ogen van de Heer en tergen met uw zelfgemaakte goden. En ten aanhoren van de verzamelde Israëlieten zong Mozes dit lied van begin tot eind. Leen mij uw oor, hemel, nu ga ik spreken. Luister aarde, naar wat ik zeggen zal. Mogen mijn onderricht neerdalen als regen, mogen mijn woorden zijn als milde dauw, als regen op het jonge gras, als regendruppels op het groen. Want de naam van de Heer roep ik uit. Hij is onze God, laat iedereen hem prijzen. Hij is een rots. Hij staat voor recht. Alles wat Hij doet, is volmaakt. Trouw is God, rechtvaardig en zuiver. In Hem is geen spoor van kwaad. Maar zijn kinderen werden Hem ontrouw. Tot hun schande gaven zij hun kindschap op. Vals is deze generatie en trouweloos. Is dit uw antwoord aan de Heer? Hoe komt u zo dwaas? Waar is uw verstand? Is hij niet uw vader, uw schepper? Hij heeft u gemaakt, hij riep u tot leven. Denk aan de tijden van belheer, verdiep u in het verre verleden. Vraag uw vader ernaar, hij zal het vertellen. Vraag de oudste en zij zullen verhalen. Toen de allerhoogste land toewees aan elk volk en de mensen ieder hun deel gaf, bepaalde hij de grenzen voor alle volken, naar het aantal nazaten van Israël. Want voor de Heer goelt dat volk als het zijne. Jacob was het deel dat hij zichzelf toemat. Hij vond het in een dorre woestijn, in een niemandsland vol van gevaar. Hij omringde het met zorg en met liefde, koesterde het als zijn oogappel. Zoals een adend zijn nest beschermt en boven zijn jongen zweeft, zo spreide de Heer zijn vleugels uit en droeg zijn volk op zijn wiek. De Heer alleen leidde hen, geen andere god stond hem bij. Hij voerde hen over de hoogste bergen, de oogst van het land viel hun in de schoot. Hij laafde hen met honing uit de rotsen, met olijfolie uit steenharde rots, met melk van koeien en geite, met vlees van Bazans rame, het vet van lammeren en bokken, het de fijnste bloem van tarve en met wijn het bloed van drijven. Toen werd je zuren wat zeg en vet. Het raakte verzadigd werd dik en rond, het kwam in verzet, liep weg van zijn schepper, versmade zijn stut en steun zijn rots. Ze tergen hem met vreemde goden, met gruwelijke beelden krinkte ze hem. Ze brachten offers aan demonen, aan goden die geen goden zijn, goden die zij eerst niet kende, nieuwkomers, nog maar net in zwang, die voor hun voorouders niet eens bestonden. U vergat de God die u gebaard heeft, u verwierp de rots die u ter wereld bracht. Toen de Heer zag wat u deed, vermerkte hoe zijn kinderen hem krenkten, ontstak hij een hevige toren en zei, ik zal me van hen afkeren en dan eens zien hoe het hun vergaat. Want dit is een verdorven generatie: niemand van hen is te vertrouwen. Ze tergde mij met wat geen God is en krenkte mij met hun nietige afgoden. Daarom terg ik hen met wat geen volk is. Ik krenk hen met een volk zonder verstand. Als het vuur van mijn toornis ontstoken, zal het branden tot in het diepste doden rijk. Het zal de aarde verschroeien en alles wat er groeit. Het zal de grondvesten van de bergen verteren. Ramp na ramp breng ik over hen, al mijn pijlen schiet ik op hen af. Honger zal hen uitmergelen, de pest hen verteren, ziekte zullen hen te gronden richten. Ik geef hen tem prooi aan wilde dieren, giftige slangen laat ik hen bijten. Buiten eist de oorlog zijn tol, binnen heerst de angst voor de dood. Niemand wordt ontzien, man nog vrouw, jong nog oud. Ik zou hen wel willen wegvagen, elke herinnering aan hen willen uitwisselen, maar ik vrees de hoon van hun vijanden. Die zullen immers de feiten verdraaien, de overwinning voor zichzelf opijzen en de hand van de Heer daarin ontkennen. Zo kortzichtig zijn die vijanden. Het ontbreekt hun aan elk begrip. Waren ze wijs, dan hadden ze inzicht en begrepen ze hoe het hun zelf zal vergaan. Want hoe zouden zij, met één man, duizend van jullie kunnen achtervolgen, met twee en tienduizend verjagen, als de Heer jullie rots je niet uitleverde. Jullie vijanden zullen het herkennen. De rots waarop zij steunen, is niets naast jullie rots. De wijn die ik hun te drinken geef, is afkomstig van sodoms wijnstok. Hij komt uit Gomorra's wijngaarde. Bittere, giftige druiven brengen die voort. De wijn van is vol von Nijn, dodelijk als het gif van slangen. Ik heb dat allemaal bewaard, het opgeborgen in mijn schatkamers. Het is aan mij om wraak te nemen. Ik zal hun kwaad vergelden wanneer aan hun voorspoed een einde komt. Want de dag van hun ongeluk is nabij, hun noodlot komt onafwendbaar op hen af. Want de Heer zal zijn volk recht doen. Hij ontfermt zich weer over zijn dienaren. Als hij ziet dat alle krachten hun begeven en welra iedereen bezwijkt, zal hij zeggen: waar zijn je goden nu? Waar is de rots waarop je steunde? Hebben ze niet het vet van je offers gegeten, niet gedronken van de wijn die je ze aanbood. Laat die goden je dan te hulp schieten. Laten zij een schuilplaats voor je zijn. Zie je toch in, ik ben de enige, naast mij is er geen andere God. Ik laat sterven, ik geef leven, ik sla wonden en ik genees. Wanneer ik mijn macht laat gelden, is er niemand die redding bieden kan. Ik hef mijn hand op naar de hemel en zweer, zo waar ik eeuwig leef, ik wed mijn bliksemend zwaard. Ik ga het vonnis voltrekken, ik zal mij wreken op mijn vijanden, ik reken af met wie mij hate. Mijn pijlen maak dronken van het bloed van vijanden gevallen en gevangen. Mijn zwaart verslint het vlees van hun mannen, die zo dreigend hun haren hadden losgeworpen. Laten alle volken zijn volk toejuichen, omdat hij het bloed van zijn dienaren vreekt. Hij neemt wrap op zijn vijanden en de schuld van zijn land en zijn volk wist hij uit. Heel dit lied heeft Mozes samen met Joshua de zoon van Nun, gezongen ten aanhoren van het volk. Toen Mozes zijn toespraak tot heel Israël beëindigd had, besloot hij neem mijn waarschuwingen ter harte en draag ook uw kinderen op om zich strikt te houden aan de wetten waarin u onderwezen bent. Want het gaat hier niet om iets onbeduidends. Het is een zaak van levensbelang. Als u er gehoor aan geeft, zult u lang leven in het land aan de overkant van de Jordaan dat u in bezit zult nemen.

SPEAKER_01

Mozes zegen en zijn dood.

SPEAKER_02

Op diezelfde dag zei de Heer tegen Mozes: Ga het Aberimgebte in en beklim de nebo die in Moab ligt tegenover Jericho. Daar kun je uitkijken over Kanaan, het land dat ik de Israëlieten in bezit ga geven. Op die berg zul je sterven en met je vooraders verenigd worden, zoals je broer Aaron op de horstierf en met zijn voorouders werd verenigd. Want bij het water van Meribat Kades, in de woestijn van zin, kwam jullie tegen mij in opstand. In het bijzijn van heel Israël toonde jullie geen ontzag voor mijn heiligheid. Alleen van een afstand zul je het land zien dat ik hun zal geven, je zult het niet binnengaan. Dit is de zege die Mozes, de godsman, uitsprak over de stammen van Israël voor hij stierf. Hij zei: De Heer verscheen vanaf de Sinai. Zijn licht bescheen hen vanuit zee. Met pluister kwam hij van de bergen van Paran. Talloze engelen vergezelde hem, bliksem flitste uit zijn rechter hand. Hij kreeg Israëls stammen lief. Hij hield al de zijnen in zijn hand. Ze waren gezeten aan zijn voeten en ontvingen zijn onderwijzing. Mozes gaf ons zijn onderricht als een kostbaar bezit voor Jacobs volk. Zo werd de Heer koning van Jessuren, terwijl de oudsten van het volk bijeen waren en de stammen van Israël zich verzameld hadden. Ruben, hij mogen leven en niet sterven, hoe gering zijn aantal ook is. Dit zei hij over Juda. O Heer, hoor Judaas hulpgeroep. Laat zijn strijders behouden huiswaarts keren, want ze voeren een eenzame strijd. Sta hun terzijde tegen hun vijanden. Over Levi zei hij. Heer, u vertrouwt uw orakelstenen toe aan de man die uw vertrouweling is. U stelde hem op de proef bij Masa, daagde hem uit bij het water van Meribah. Hij had geen mededogen met zijn vader en moeder. Zijn eigen broers ontzag hij niet. Zijn kinderen waren als vreemde voor hem. Want de levite hielden zich aan wat uw gebood. Het verbond dat uw sloot, bleven ze trouw. Laat hen uw regels onderwijzen aan Jacob, uw voorschriften doorgeven aan Israël. Laat hun geurige gaven uw behagen. Laat hen brandoffers brengen op uw altaar. Heer, zege hen met voorspoed en zie welwillend op hun verrichtingen neer. Maar breek hun tegenstanders de heup, verlam hun vijanden voor altijd. Over Benjamin zei hij: De Heer laat zijn lieveling bij zich schuilen. Zijn kind omarmt hem van vroeg tot laat, het nestelt zich veilig op zijn rug. Over Jozef zei hij: Mogen de Heer zijn land rijk zegenen, met de gave van hemelwater met douw en met de oervloed die onderaarts woont, met al wat de zon laat groeien, met de zegening van de jagetijden, met de wilde van oeroude bergen, met de gave van eeuwige heuvels, met al wat de aarde te bieden heeft. Mogen de gunst van Hem die in de dorstruik was, rusten op Jozef de aardverkorene onder zijn broers. Machtig als een eerstgeboren stier is hij. Hij heeft twee hoorens als een oeros, waarmee hij verjandige volken wegstoot tot voor beide einde der aarde. Het zijn even duizenden en de duizenden van manasse. Over Zebulon zei hij: Een voorspoedige vaart Zebulon, en mogen Isachar geluk vinden in zijn tente. Zij nodigen de anderen naar de berg, waar ze waardige offers brengen. Ze halen overvloed van over zee, graven rijkdom op van onder het zand. Over gat, zei hij. Geloofd is hij die ruimte gaf aan Gat. Gat baakt over zijn deel als een lewin, die alles verslint wat in haar klauwen valt. Het beste land koos hij voor zichzelf. Dat land was een aanvoerder waardig. Daar verzamelde zich de oudsten van het volk. Hij volbracht de wil van de Heer. Hij volvoerde zijn bevrijding van Israël. Over dan, zei hij. Dan is als een jonge leeuw die uit Bazans bossen tevoorschijn springt. Over Naftali zei hij: Naftali is door de Heer ruim bedeeld, rijk gezegend door zijn gunst, laat hij het westen en zuiden veroveren. En over Azer zei hij: Gezegend is Azer, nog meer dan zijn broeders. Mogen hij bij hen alle geliefd zijn. Hij zal waden door de olijfolie en al zijn steden zijn versterkt met grendels van ijzer en brons. Niets zal hem delen zolang hij leeft. Wie, je zuren, wie evenaart uw God? Als een vorst rijdt hij langs de hemel en over de wolken om uw te hulp te komen. Van oudzer is God een schuilplaats. Zijn arme dragen u voor ewig. Hij dreef uw vijand op de vlucht en droeg u op. Vernietig hem. Israël mocht in vrede leven. Jacob woonde ongestoord in een land van graan en wijn, waarop de ouw van de hemel neerdaalt. Wie is zo gelukkig als u, Israël? Geen ander volk niet beheerde overwinning. Hij is het schild dat u beschermt, het zwaart dat uw triomf verbrengt. De vijand moet uw macht erkennen. U zet hem de voet op de nek. Toen verliet Mozes de vlakte van Moab, en hij beklomde Nebo, een van de toppen van de Piesga tegenover Jericho. Daar liet de Heren het hele land zien, het hele gebied van Giliot tot aan Dan, Naftali, het gebied van Efraim en Manasse, heel Juda tot aan de zee in het westen, de negef, de Jordaanvallei en de vlakte bij de palmstad Jericho tot aan Zoar. De Heer zei tegen hem: Dit is het land waarvan ik aan Abraham, Isaac en Jacob, onder ede heb beloofd dat ik het aan hun nakomelingen zou geven. Ik laat het je nu zien, maar erheen oversteken zul je niet. Zo stierf Mozes, de dienaar van de Heer daar in Moab, zoals de Heer gezegd had. En de Heer begroef hem in een vallei in Moab tegenover Bet Beor. Tot op de dag van vandaag weet niemand waar zijn graf is. 120 jaar oud was Mozes toen hij stierf tot de plaats toe waar zijn krachten niet afgenomen en zijn ogen niet verzwakt. De Israëlieten die in de vlakte van Moab bijeen waren, treurde om Mozes dood tot de dertig dagen van rauw voorbij waren. Ze luisterden naar Joshua, de zoon van Nun, omdat hij vervuld was van den geest van wijsheid sinds Mozes hem de handen had opgelegd. Daarmee deden de Israëlieten wat de Heer tegen Mozes had gezegd. Nooit meer heeft Israël een profeet gekend als Mozes. Met wie de Heer zo vertrouwelijk omging. Door zijn toedoen heeft de Heer in Egypte tekenen en wonderen laten zien aan de Farao en al zijn dienaren en aan heel zijn land. Van alles wat Mozes krachtige hand verrichte en van de daden waarmee hij alom ontzag in boezemde, is heel Israël getuige geweest.

SPEAKER_00

Dit is de Bijbel in een jaar podcast van het NBG. Morgen staat er weer een nieuwe aflevering voor je klaar.

Podcasts we love

Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.

Dagvers - Dé dagelijkse Bijbelpodcast Artwork

Dagvers - Dé dagelijkse Bijbelpodcast

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap