Zij Lacht - Bijbel in 1 Jaar

Dag 129 - Handelingen 24 tot en met 26

Zij Lacht Season 2026 Episode 129

Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.

0:00 | 15:50

Vandaag lezen we Handelingen 24 tot en met 26 uit de NBV21.

📱 Volg Zij Lacht ook op Instagram voor een portie Waarheid tijdens het scrollen.
📖 Wil jij samen met andere vrouwen de Bijbel openen? Dat kan! Start een Zij Lacht groep via onze community of sluit je aan bij een bestaande groep.

SPEAKER_02

Je luistert naar de Bijbel in een Jaar podcast van Zijlacht. Mijn naam is Elisa. Dit is dag 129.

SPEAKER_00

We lezen Handelingen 24 tot en met 26. Handelingen 24.

SPEAKER_01

De aanklacht tegen Paulus en zijn verdediging voor Felix.

SPEAKER_02

Vijf dagen later arriveerde Ananias de hoge priester samen met enkele oudsten en met Tertulus, een advocaat. Ze dienden hun klacht tegen Paulus in bij de procurator. Toen hij voor het gerecht geroepen was, begon Tertulus zijn requisitoire als volgt: Excellentie, dat wij dankzij u in duurzame vrede leven en dat door uw vooruitziend beleid hervormingen ten gunste van het Joodse volk tot stand komen, erkennen we van ganzer harte. En we zijn u daarvoor veel dankverschuldigd. Ik wil u echter niet langer ophouden dan nodig is, en daarom doe ik een beroep op uw welwillendheid om een ogenblik naar ons te luisteren. Het is ons gebleken dat deze man een ware pest is en dat Hij in het hele Rijk onlusten onder de Joden veroorzaakt. Als een van de voornaamste leiders van de secte van de Nazoreërs heeft Hij zelfs een poging ondernomen om de tempel te ontwijden, waarna we hem hebben overmeesterd. Dat al onze beschuldigingen juist zijn, kunt u uit zijn eigen mond vernemen als u hem ondervraagt. De Joden steunde de aanklacht en bevestigde de juistheid ervan. Toen de procurator Paulus toeknikte, ten teken dat hij het woord mocht voeren, sprak hij als volgt: Ik weet dat U al vele jaren recht spreekt over het Joodse volk. En daarom verdedig ik mijn zaak in goed vertrouwen. U kunt u ervan ver gewissen dat ik pas twaalf dagen geleden naar Jeruzalem ben gegaan om daar God te aanbidden. Ik heb in al die tijd nooit een debat uitgelokt of een volksoploop veroorzaakt. Niet in de tempel, niet in de synagoge en ook niet elders in de stad. Mijn aanklagers beschikken over geen enkel bewijs voor hun beschuldigingen, maar wel wil ik hier verklaren dat ik overeenkomstig de weg, die zij een secte noemen, de God van onze voorouders dien. En dat ik geloof in alles wat in de wet en de profeten geschreven staat. En evenals mijn aanklagers hoop en verwacht ik dat God zowel de rechtvaardige als de onrechtvaardige uit de dood zal doen opstaan. Daarom tracht ook ik steeds mijn geweten zuiver te houden tegenover God en de mensen. Na verscheidene jaren ben ik naar Jeruzalem gekomen om giften van barmhartigheid te brengen voor mijn volk en offers op te dragen. Ik was daarmee bezig en had me al gereinigd, toen enkele Joden uit Azië me in de tempel aantroffen. Er had zich geen menigte verzameld, en er was ook geen sprake van tumult. Zij zijn het, die voor u hadden moeten verschijnen om me aan te klagen, aangenomen dat ze iets tegen me hadden kunnen inbrengen. En anders moeten deze mensen hier maar eens zeggen van welk misdrijf ze me konden betichten toen ik voor het sanhed in verscheen. Of het moest zijn dat ik heb uitgeroepen toen ik voor hen stond, om willen van de opstanding van de doden sta ik vandaag voor u terecht. Felix, die goed bekend was met alles wat op de weg betrekking had, verdaagde daarop de zitting en zei: zodra Lysias de tribuun is aangekomen, zal ik in uw zaak uitspraak doen. Hij gaf de centuriel opdracht Paulus in hechtenis te houden, maar onder een mild regime en glaste dat niemand uit zijn kring verhinderd mocht worden voor hem te zorgen. Enkele dagen later ging Felix samen met zijn vrouw Drusila, die een joodin was naar de gevangenis. Hij liet Paulus halen om te horen wat hij over het geloof in Christus Jezus te zeggen had. Maar toen Paulus sprak over gerechtigheid en zelfbeheersing en over het komende oordeel van God werd Felix bang en zei: voorlopig kunt u gaan. Wanneer ik in de gelegenheid ben, zal ik u weer laten roepen. Maar intussen hoopte hij dat Paulus hem geld zou aanbieden. Daarom liet hij hem telkens weerkomen voor een gesprek. Toen er twee jaren verstreken waren, werd Felix opgevolgd door Porcius Vestus om de Joden ter willen te zijn, liet hij Paulus in gevangenschap achter.

SPEAKER_00

Handelingen 25.

SPEAKER_02

Het beroep op de keizer. Drie dagen nadat Vestus zijn intrede in de provincie had gedaan, ging hij van Caesarea naar Jeruzalem. Daar dienden de hoge priesters en de andere Joodse leiders een klacht tegen Paulus bij hem in. Bovendien vroegen ze hem of hij hun gunst wilde bewijzen door Paulus naar Jeruzalem te laten overbrengen. Want ze hadden het plan opgevat hem onderweg te vermoorden. Vestus antwoordde dat Paulus en Caesarea in hechtenis zou blijven, maar dat hij zelf daar binnenkort weer heen zou gaan. Late degenen onder u die bevoegd zijn, meegaan, zei hij. En laten ze deze man aanklagen als hij iets heeft gedaan dat ontoelaatbaar is. Hij bleef niet langer dan acht tot tien dagen bij hen en vertrok toen naar Caesarea. De volgende dag al opende hij de rechtzitting en gaf bevel om Paulus voor te leiden. Toen Paulus verscheen, gingen de Joden uit Jeruzalem om hem heen staan en brachte allerlei zware beschuldigingen tegen hem in, die ze niet konden bewijzen. Paulus voerde tot zijn verdediging aan: ik heb geen enkel misdrijf gepleegd, niet tegen de Joodse wet, niet tegen de tempel en niet tegen de keizer. Maar Vestus wilde de Joden ter willen zijn, en daarom vroeg hij Paulus: Wilt u naar Jeruzalem gaan, om daar in mijn aanwezigheid voor deze zaak terecht te staan? Paulus antwoordde echter: ik sta hier voor de keizerlijke rechtbank. En hier moet ik terecht staan. Ik heb de Joden geen enkel onrecht aangedaan, zoals ook u heel goed weet. Mocht ik toch schuldig zijn en iets hebben gedaan waarop de doodstraf staat, dan zal ik me niet aan deze straf onttrekken. Maar als de beschuldigingen die deze mensen tegen me inbrengen op niets berusten, kan niemand me aan hen uitleveren. Ik beroep me op de keizer. Na overleg met zijn raadgevers verklaarde Vestus toen: U hebt u beroepen op de keizer, dan zult u ook naar de keizer gaan. Vestus overlegt met Agrippa. Enkele dagen later kwamen koning Agripa en Bernice naar Caerea om bij Vestus hun opwachting te maken. Tijdens hun verblijf dat verscheidene dagen duurde, sprak Vestus met de koning over de rechtszaak tegen Paulus. Hij zei: Er is hier een man die door Felix als gevangene is achtergelaten. Toen ik in Jeruzalem was, hebben de hoge priesters en de oudsten van de Joden een klacht tegen hem ingediend en om zijn veroordeling verzocht. Ik heb hun geantwoord dat het bij de Romeinen niet gebruikelijk is iemand uit te leveren zonder dat hij met zijn aanklagers is geconfronteerd en de kans heeft gekregen zich tegen de aanklacht te verdedigen. Toen ze hierbij heen waren gekomen, heb ik de zaak niet langer uitgesteld. Maar heb ik al de volgende dag de rechtszitting geopend en bevel gegeven hem voor te leiden. De aanklagers gingen staan en brachten beschuldigingen tegen hem naar voren. Maar niet van het soort misdrijven dat ik had verwacht. Wel bleken er geschilpunten te bestaan met betrekking tot hun godsdienst en een zekere Jezus, die dood is, maar van wie Paulus beweert dat hij leeft. Omdat ik niet goed wist hoe ik deze kwesties moest onderzoeken, vroeg ik of hij bereid was naar Jeruzalem te gaan om daar terecht te staan. Maar toen beriep hij zich op de keizer en verkoos om in gevangenschap te blijven tot zijn keizelijke hoogheid een uitspraak heeft gedaan. Ik heb opdracht gegeven om hem in hechtenis te houden tot ik hem naar de keizer kan zenden. Agripa zei tegen Vestus: Ik zou die man zelf wel eens willen horen. Morgen, zei Vestus, zult u hem horen. Verdedigingsreden van Paulus voor Agripa. De volgende dag verschen Agripa en Bernice in vol ornaad. Samen met de legeraanvoerders en de voornaamste inwoners van de stad betraden ze de ontvangstzaal, waarna Paulus op bevel van Vestus werd voorgeleid. Vestus zei: Koning Agripa, en u alle die hier aanwezig bent, dit is de man om wie de hele Joodse bevolking zich tot mij heeft gewend. Zowel hier als in Jeruzalem, terwijl ze luid keels te kennengaven dat hij niet langer het recht had om te leven. Voor zover ik weet, heeft hij niets misdreven waarop de doodstraf staat. Maar aangezien hij zich op zijn keizelijke hoogheid heeft beroepen, heb ik besloten hem naar Rome te zenden. Ik kan mijn Heer echter niets concreets over hem schrijven, en daarom heb ik hem hier laten voorleiden. In het bijzonder voor u, Koning Agripa, om na afloop van dit verhoor iets op schrift te kunnen stellen. Het lijkt me namelijk onzinnig om een gevangene naar Rome te sturen zonder melding te maken van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen, Handelingen 26.

SPEAKER_01

Agrippa zei tegen Paulus: U mag uw zaak bepleiten.

SPEAKER_02

Paulus hierf zijn hand op en verdedigde zich als volgt. Ik prijs me gelukkig, koning Agripa, dat ik me vandaag juist in uw bijzijn mag verdedigen tegen alle aanklachten die door de Joden tegen me zijn ingediend. Vooral omdat u zo goed op de hoogte bent van al hun gebruiken en onderlinge geschillen. Daarom verzoek ik u om welwillend naar me te luisteren. Het is alle Joden bekend welk leven ik sinds mijn vroegste jeugd te midden van mijn volk en in Jeruzalem heb geleid. Ze kennen me lang genoeg om te kunnen bevestigen dat ik als fariseer volgens de strengste richting van onze godsdienst heb geleefd. Nu sta ik terecht omdat ik hoop op de vervulling van de belofte die God aan onze voorouders heeft gedaan. Ook de twaalf stammen van ons volk hopen deel te krijgen aan de vervulling van die belofte, door God volharden te dienen, dag en nacht. Omwille van deze hoop word ik door de Joden aangeklaagd, majesteit. Waarom is het toch zo moeilijk te geloven dat God mensen uit de dood opwekt. In der tijd vond ik dat ik de verspreiding van de naam van Jezus van Nazaret met kracht moest tegengaan. En daarvoor heb ik me in Jeruzalem dan ook ingezet. Met toestemming van de hoge priesters heb ik een groot aantal heiligen in de gevangenis laten opsluiten. En als ze ter dood gebracht werden, gebeurde dat met mijn instemming. In de synagoge probeerde ik keer op keer hen door strafmaatregelen te dwingen hun geloof af te zweren. Ik bestreed hen zo vurig dat ik hen zelfs in de steden buiten onze grenzen vervolgde. Zo was ik eens met de volmacht van de hoge priesters en in hun opdracht op weg naar Damascus. Toen ik midden op de dag zag hoe een licht uit de hemel feller dan de zon, mij en mijn reisgenoten omstraalde, we vielen al op de grond en ik hoorde een stem in het Hebrews tegen me zeggen: Sal, sal, waarom vervolg je mij? Je schaat alleen jezelf als een onwillige os die tegen de ossenprik trapt. Ik vroeg: Wie bent u, Heer? En de Heer antwoordde: Ik ben Jezus, die jij vervolgt, maar kom nu overeind, sta op, want ik ben aan je verschenen om je aan te stellen als mijn dienaar, opdat je bekend zult maken dat je mij hebt gezien en zult getuigen van alles wat ik je nog zal laten zien. Ik zal je daarbij beschermen tegen je eigen volk en tegen de andere volken waarheen ik je zend, om hun de ogen te openen, zodat ze zich van de duisternis naar het licht keren en van de macht van Satan naar God, door in mij te geloven, zullen ze vergeving krijgen voor hun zonde, en samen met alle die mij toe behoren, zullen ze deel krijgen aan mijn koninkrijk. Ik heb dan ook gedaan wat me door deze hemelse verschijning werd opgedragen, koning Agripa. En ik heb eerst aan de inwoners van Damascus en Jeruzalem en aan alle die in Judea wonen, en later ook aan de andere volken verkondigd dat ze tot inkeer moesten komen en zich tot God moesten bekeren en zich moesten gaan gedragen op een manier die daarbij past. Dat is de reden waarom de Joden me gegrepen hebben toen ik me in de tempel bevond en geprobeerd hebben me te vermoorden, omdat God mij echter tot op de dag van vandaag bijstaat, blijf ik mijn getuigenis zonder onderscheid aan iedereen bekendmaken. En daarbij zeg ik niets anders dan wat volgens de profeten en Mozes moest gebeuren, namelijk dat de Messias zou lijden en sterven en dat hij als eerste van de doden zou opstaan om aan zijn eigen volk en aan de andere volken het licht te verkondigen. Toen Paulus dat tot zijn verdediging aanvoerde, riep Vestes: U slaat wartoal uit, Paulus. Het vele studeren drijft u tot waanzin. Maar Paulus zei: het is geen waartaal, excellentie. In tegendeel, wat ik zeg, is waar en getuigd van gezond verstand. Bovendien weet de koning waarover het gaat. En daarom kan ik vrij uit tegen hem spreken. Ik denk niet dat iets hier van hem is ontgaan, het heeft zich immers niet in een uithoek afgespeeld. Koning Agrippa, gelooft u de profeten. Ik ben ervan overtuigd dat u dat doet. Agrippa zei tegen Paulus, dadelijk krijgt u me nog zover, dat ik me voor een christen uitgeef. Paulus zei, of het nu dadelijk is of niet: ik zou tot God willen bidden dat niet alleen u, maar alle die nu naar me luisteren, net zo worden als ik, afgezien dan van deze boeien. De koning stond op, evenals de procurator en Bernice en de anderen die de zitting hadden bijgewoond. Ze trokken zich terug en overlegden met elkaar. Deze man heeft niets gedaan dat met de dood of gevangenschap wordt bestraft, zeiden ze. En Agripa zei tegen Vestus: hij had al vrij kunnen zijn als hij zich niet op de keizer had beroepen. Bedankt voor het luisteren naar deze aflevering van de Bijbel in een Jaar podcast van Zeilacht. Luister je morgen weer.

Podcasts we love

Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.

Zij Lacht - Elke Dag Artwork

Zij Lacht - Elke Dag

Nederlands - Vlaams Bijbelgenootschap
Zij Lacht - Diep Geworteld Artwork

Zij Lacht - Diep Geworteld

Nederlands - Vlaams Bijbelgenootschap