Zij Lacht - Bijbel in 1 Jaar
Speciaal voor de Bijbel in een Jaar lezers van Zij Lacht! Salisa heeft elke dag het Bijbelgedeelte van de dag voor je ingesproken zodat je deze waar je ook bent kunt luisteren!
Zij Lacht - Bijbel in 1 Jaar
Dag 132 - Jozua 4 tot en met 6
Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.
Vandaag lezen we Jozua 4 tot en met 6 uit de NBV21.
📱 Volg Zij Lacht ook op Instagram voor een portie Waarheid tijdens het scrollen.
📖 Wil jij samen met andere vrouwen de Bijbel openen? Dat kan! Start een Zij Lacht groep via onze community of sluit je aan bij een bestaande groep.
Je luistert naar de Bijbel in een jaar podcast van Zijlacht. Mijn naam is Elisa. Dit is dag 132. We lezen Josua 4 tot en met 6.
SPEAKER_01Joshua 4.
SPEAKER_00Nadat het hele volk de Jordaan was overgetrokken, zei de Heer tegen Jozwa: kies nu 12 mannen, één uit elke stam. En zeg tegen hen dat ze van de plaats waar de priesters in de Jordaan staan, twaalf stenen moeten halen. Die moeten ze meenemen en in het kamp leggen waar jullie vannacht zullen verblijven. Joshua liet twaalf mannen aanwijzen, één uit elke stam van Israël. En nadat hij hen bij elkaar geroepen had, zei hij tegen hen: Ga voor de ark van de Heer, uw God de Jordaan, in. U moet allemaal één steen op uw schouders nemen, één voor elke stam van Israël. Ze zullen een gedenkteken voor u zijn. Wanneer uw kinderen later zullen vragen wat die stenen betekenen, dan moeten ze vertellen dat het water van de Jordaan werd tegengehouden door de aanwezigheid van de ark van het verbond met de Heer. Vertel ze dat toen de ark de Jordaan inging het water werd afgesneden, en dat deze stenen daarvan voor Israël een eeuwig gedenkteken zijn. De mannen deden wat Jozwa hun had gezegd. Ze haalde twaalf stenen uit de Jordaan, een voor elke stam, zoals de Heer aan Joa had opgedragen. Ze droegen de stenen met zich mee naar het kamp en legden ze daar neer. Jozwa richtte ook twaalf stenen op in het midden van de Jordaan, op de plaats waar de priesters stonden die de ark van het verbond droegen. Die stenen staan daar tot op de dag van vandaag. De priesters die de ark droegen, bleven in het midden van de Jordaanbedding staan totdat de opdracht van de Heer die Jozwa aan het volk had gegeven, volledig was uitgevoerd, in overeenstemming met wat Mozes hem had opgedragen. Het volk stak zo snel mogelijk over, en toen iedereen aan de overkant was, trok ook de ark van de Heer met de priesters naar de overkant om weer voor het volk uit te gaan. Ook de stammen Ruben en Gat en de eerste helft van de stammen nassen trokken in slagorde voor Israël uit, zoals Mozes hun bevol had. De voorhoede van het leger zo'n veertig duizend man, trok nog voor de ark van de Heer uit ten strijde naar de vlakte van Jericho. Op die dag verhoogde de Heer het aanzien van Joswa bij de Israëlieten, zodat ze zijn leven lang ontzag voor hem hadden, zoals ze ook voor Mozes hadden gehad. De Heer zei tegen Joshua: Zeg tegen de priesters, die de ark met de verbondstekst dragen, dat ze uit de Jordaan komen. Op bevel van Joshua kwamen de priesters die de ark van het verbond met de Heer droegen uit de Jordaan. En zodra hun voeten de oever betraden, hernam het water zijn loop en trad de rivier weer buiten haar oevers, zoals eerst. Het volk bereikte de overkant van de Jordaan op de tiende dag van de eerste maand. En het sloeg zijn kamp op bij Gelchel, iets ten oosten van Jericho. Daar richtte Joswaar de twaalf stenen op die ze uit de Jordaan hadden meegenomen. Hij zei tegen de Israëlieten: wanneer uw kinderen later vragen wat deze stenen betekenen, dan moet u hun het volgende vertellen. Israël is de Jordaan overgetrokken, en wel over de droge bedding, want de Heer, jullie God, heeft de Jordaan voor jullie droog gelegd, totdat jullie waren overgestoken. Zoals Hij ook de rietzee voor ons heeft drooggelegd tot we er doorheen waren getrokken. Hierdoor zullen alle volken op aarde weten hoe machtig de Heer jullie God is, en zullen jullie altijd ontzag voor Hem hebben.
SPEAKER_01Joshua 5.
SPEAKER_00Toen de koningen van de Amorieten ten westen van de Jordaan en de koningen van de Canaanieten bij de zee hoorden dat de Heer de Jordaan had drooggelegd, zodat de Israëlieten konden oversteken, sloeg de angst voor Israël hun om het hart en werden ze door wanhoop bevangen. Besnijdenis en pezig. Na de overtocht zei de Heer tegen Joshua: Maak messen van vuursteen en besnijd de Israëlieten opnieuw. Hierop maakte Jozwa vuurstenen messen, waarmee hij de Israëlieten besneed, bij de voorhuide heuvel. Deze besnijdenis was nodig om de volgende reden: Alle weerbare mannen die uit Egypte waren weggetrokken, waren na de uittocht gestorven, onderweg in de woestijn. Van het volk dat weggetrokken was, waren alle mannen besneden geweest. Maar de mannen die na de utocht waren geboren, toen het volk onderweg was in de woestijn, waren niet besneden. Want Israël trok veertig jaar door de woestijn, totdat alle weerbare mannen die uit Egypte waren weggetrokken, gestorven waren. Ze hadden niet geluisterd naar de Heer, en daarom had de Heer hun gezworen dat Hij hun niet het land zou laten zien dat Hij ons zou geven, zoals Hij hun voorouders onder Ede had beloofd, het land dat overvloeit van melk en honing. Hij liet hun plaats innemen door hun zonen en hen besneed Joswa nu, omdat dit onderweg niet gedaan was. Nadat ze allemaal waren besneden, moesten ze in hun tenten blijven tot ze hersteld waren. En de Heer zei tegen Joshua: Vandaag heb ik de schanden van Egypte van jullie afgewendeld. Joshua noemde die plaats Gelchol, en zo heet het daar tot op de dag van vandaag. Daar in hun kamp bij Gelchol, op de vlakte van Jericho, bereiden de Israëlieten in de avond van de veertiende dag van die eerste maand het peesachoffer. Al één dag na het peesachoff aten ze ongedezemd brood en geroosterd graan van de oprengst van het land. Er kwam die dag geen manna meer. De Israëlieten kregen vanaf toen nooit meer manna. Ze aten dat jaar van de opbrengst van de akkers van Kanaan, vernietiging van Jericho. Toen Jozwa enige tijd later in de omgeving van Jericho liep, zag hij plotseling een man tegenover zich met een getrokken zwaard in de hand. Jozwa ging op hem af en vroeg: hoor je bij ons of bij de vijand? De man antwoordde bij geen van beide. Ik ben de aanvoerder van het leger van de Heer. Daarom ben ik hier. Jozwa viel op zijn knieën, boog diep voor over en vroeg hem: Mijn Heer, ik ben uw dienaar. Wat beveelt u mij? De aanvoerder van het leger van de Heer zei tegen Jozwa: Trek je sandalen uit want de grond waarop je staat is heilig. Jozwa deed wat hem bevolen was. Jozwa 6: Jericho was toen al volkomen afgegrendeld uit angst voor de Israëlieten. Er kon niemand in of uit. De Heer zei tegen Jozwa: Ik lever Jericho met zijn koning en al zijn dappere krijgslieden aan je uit. Jullie moeten om de stad trekken. Alle weerbare mannen moeten eenmaal om de stad gaan. En dat zes dagen achter elkaar. Er moeten zeven priesters met zeven ramshoorns voor de ark van het verbond uitgaan, terwijl ze op hun ramshoorn blazen. Maar op de zevende dag moeten jullie zeven maal om de stad trekken. En als jullie dan de ramshoors horen schallen, moet het volk uitparsten in luid geschreeuw. De muur van de stad zal dan instorten, en iedereen zal de stad binnenklimmen vanaf de plaats waar hij zich bevindt. Joswa de zoon van Nun, liet toen de priesters komen en gaf hun de opdracht: neem de ark van het Verbond op. Zeven priesters moeten met zeven ramshoorns voor de ark van de Heer uitgaan. En tegen het volk zei hij: trek op naar de stad. Trek eromheen en laat de voorhoede van het leger voor de ark van de Heer uitgaan. Het gebeurde zoals Joshua had bevolen. Zeven priesters gingen met zeven ramshoorns voor de Heer uit. Ze trokken al blazend op de ramshoorns op naar de stad. De ark van het verbond met de Heer kwam achter hen aan. De voorhoede ging voor de priesters uit die op de ramshoorns bliezen, en de rest van de mannen kwam achter de ark. De ramshoorns klonken onophoudelijk. Maar Joswa had strijdkreeten verboden. Laat uw stem niet horen, had hij gezegd. Slaak geen enkele kreet tot het moment waarop ik u dat beveel. Joswa liet de ark van de Heer eenmaal om de hele stad trekken. Daarna gingen de Israëlieten terug naar het kamp waar ze overnachten. De volgende dag stond Joswa in alle vroegten op. De priesters namen de ark van de Heer op. De zeven priesters met de zeven ramshoorns trokken al blazend op de hoorns voor de Ark van de Heer uit. De voorhoede ging voor hen uit en de rest van de mannen kwam achter de Ark van de Heer. Onophoudelijk klonken de ramshoorns. De Israëlieten trokken ook op de tweede dag eenmaal om de stad en gingen daarna terug naar het kamp. Zo deden ze zes dagen. Op de zevende dag stonden ze bij Dageraad op en trokken op dezelfde wijze om de stad, maar nu zeven maal. Alleen op deze dag trokken ze zeven maal om de stad. Bij de zevende maal toen de priesters de ramshoors lieten schallen, beval Joshu het volk schreeuw, want de Heer heeft u Jericho in handen gegeven, maar op de stad rust de ban van de Heer. Ze is met alles wat erin is, onvoorwaardelijk aan de Heer gewijd en moet vernichtd worden. Alleen de hoer Ragap mag in leven blijven, samen met iedereen die bij haar in huis is, want zij heeft onze verkenners een schuilplaats gegeven. Maar denk eraan dat op al het andere een ban rust. Dus vernietig de stad zonder iets buiten maken. Anders geeft u Israëls eigen kamp aan de vernietiging prijs en stort U Israël in het ongeluk. Al het zilver en goud en alle voorwerpen van koper, brons en ijzer zijn aan de Heer gewaaid. Alles gaat naar de schatkamer van de Heer. Toen de Ramshoorns schalde, brak het volk uit in een donderend geschreeuw. De muur stortte in en iedereen klom de stad binnen vanaf de plaats waar hij zich bevond. Ze namen de stad in en doden alles wat erin was zowel mannen als vrouwen, zowel kinderen als oude mensen, zowel runderen als schapen en ezels. Maar aan de twee mannen, die het gebied hadden verkend, troeg Joshua op: Ga naar het huis van die hoer en breng haar met haar hele familie naar buiten, zoals jullie haar hebben gezworen. De verkenners brachten Ragap naar buiten, samen met haar vader en moeder, broers en zussen en verdere familie, en gaven hun een verblijfplaats buiten het kamp van Israël. De Israëlieten lieten de stad met alles wat erin was, in vlammen opgaan. Alleen het zilver en goud en de kopere, bronze en ijzeren voorwerpen brachten ze in de schatkamer van het Heiligdom van de Heer. Maar de hoer Rag werd door Joswa gespaard, samen met haar hele familie. Hun nakomelingen wonen tot op de dag van vandaag onder de Israëlieten. Want Ragap had de mannen die in opdracht van Joswa Jericho moesten verkennen een schuilplaats gegeven. Op die dag sprak Jozwa de volgende vervloeking uit. Mogen de Heer één ieder vervloeken die het waagt deze stad Jericho weer op te bouwen. Hij zal de fundamenten leggen ten koste van zijn oudste zoon en de poorddeuren bevestigen ten koste van zijn jongste zoon. En de Heer stond Jozwa bij en zijn roem ging door het hele land. Bedankt voor het luisteren naar deze aflevering van de Bijbel in een Jaar podcast van Zeilacht. Luister je morgen weer
Podcasts we love
Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.
Zij Lacht - Elke Dag
Nederlands - Vlaams Bijbelgenootschap