Zij Lacht - Bijbel in 1 Jaar

Dag 142 - Romeinen 6 tot en met 8 en Psalm 116

Zij Lacht Season 2026 Episode 142

Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.

0:00 | 17:08

Vandaag lezen we Romeinen 6 tot en met 8 en Psalm 116 uit de NBV21.

📱 Volg Zij Lacht ook op Instagram voor een portie Waarheid tijdens het scrollen.
📖 Wil jij samen met andere vrouwen de Bijbel openen? Dat kan! Start een Zij Lacht groep via onze community of sluit je aan bij een bestaande groep.

SPEAKER_00

Je luistert naar de Bijbel in een jaar podcast van Zijlacht. Mijn naam is Elisa. Dit is dag 142. We lezen Romeinen 6 tot en met 8 en Psalm 116, Romeinen 6. Met Christus gestorven, dood voor de zonde. Betekent dit nu dat we moeten blijven zondigen om de genade te laten toenemen? Dat in geen geval. Hoe zouden wij, die dood zijn voor de zonde, nog in zonde kunnen leven? Weet u niet dat wij die gedoopt zijn in Christus Jezus, zijn gedoopt in zijn dood? We zijn door de doop in zijn dood met Hem begraven, om zoals Christus door de macht van de Vader uit de dood is opgewekt een nieuw leven te leiden. Als wij delen in zijn dood, zullen wij ook delen in zijn opstanding. Immers, we weten dat ons oude bestaan met Hem gekruizigd is, omdat er een einde moest komen aan ons zondige leven. We mochten niet langer slaven van de zonde zijn. Wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde. Wanneer wij met Christus zijn gestorven, geloven we dat we ook met Hem zullen leven, omdat we weten dat Christus, nu Hij is opgewekt uit de dood, niet meer sterft. De dood heeft geen macht meer over Hem. Door Zijn sterven is Hij voor eens en altijd dood voor de zonde, en nu Hij leeft, leeft Hij voor God. Zo moet ook U zelf zien, dood voor de zonde, maar in Christus Jezus levend voor God. Laat de zonde dus niet heersen over uw sterfelijke bestaan. Geef niet toe aan uw begeerte, stel uzelf niet langer in dienst van de zonde, als een werktuig voor het onrecht, maar juist in dienst van God, als levende die uit de dood zijn opgewekt, stel uzelf in dienst van God als een werktuig voor de gerechtigheid. De zonde mag niet langer over uw heersen, want U staat niet onder de wit maar leeft onder de genade. Betekent dit nu dat we vrijheid mogen zondigen omdat we niet onder de wet staan, maar onder de genade leven, absoluut niet. Wanneer u zich als slaaf in iemands dienst stelt, weet u toch dat U Hem moet gehoorzamen. Wanneer u de zonde dient, leidt dat tot de dood. Wanneer u God gehoorzaamt, leidt dat tot vrijspraak. U was slave van de zonde, maar, God zij gedankt, nu gehoorzaamt u van ganzer harte de leer waaraan u zich hebt toewertrouwd. En bevrijdt van de zonde bent u onderworpen aan de gerechtigheid. Ik gebruik dit soort menselijke termen omdat u zwakke mensen bent. Zoals u zich ooit in dienst stelde van zedeloosheid en onrecht om een wetteloos leven te leiden, zo stelt u zich nu in dienst van de gerechtigheid om heilig te leven. Toen u nog slave van de zonde was, was u niet gebonden aan gerechtigheid. Wat hebt u daarmee geoogst? Dingen waarvoor u zich nu schaamd, want ze leidden tot de dood. Maar nu, bevrijd van de zonde en in dienst van God, oogst u een leven in heiligheid en uiteindelijk het eeuwige leven. Het loon van de zonde is de dood. Maar de genade die God schenkt, is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Heer.

SPEAKER_01

Romein 7.

SPEAKER_00

Weet u dan niet, broeders en zusters, ik spreek immers tot mensen die de wet kennen, dat de wijz over een mens heeft, zolang hij leeft, een getrouwde vrouw is door de wet gebonden aan haar man zolang hij leeft. Maar wanneer hij sterft, is zij van deze verplichting ontslagen. Als ze, terwijl haar man nog in leven is, de vrouw wordt van een ander, noemt men haar overspelig. Maar sterft haar man, dan is ze niet langer aan de wet gebonden. Dan pleegt ze geen overspel wanneer ze de vrouw van een andere man wordt. Zo bent ook u, broeders en zusters, dood voor de wet, dankzij de dood van Christus. En behoort u nu een ander toe, Hem die uit de dood is opgewekt. Zo kunnen wij vrucht dragen voor God. Toen we nog volgens Aardse maatstaven leefden, werd Heel ons doen en laten beheerst door de zondige hartstocht, die de wet in ons opriep, en droegen we alleen vrucht voor de dood. Maar nu zijn we bevrijd van de wet, waaraan we geketend waren. We zijn dood voor de wet, zodat we niet meer de oude orde van de wet dienen, maar de nieuwe orde van de geest. De wet en de zonde. Moeten we nu vaststellen dat de wet hetzelfde is als de zonde? Absoluut niet. Ik ben me echter pas door de wet bewust geworden van de zonde. Ik zou immers niet weten wat begeerte was als de wet niet zei: zet uw zinnen niet op wat van een ander is. Maar de zonde heeft van het gebod gebruik gemaakt om allerlei begeerte in mij op te wekken, want zonder de wet is de zonde krachteloos. Eens leefde ik zonder de wet, maar door de komst van het gebod kwam de zonde tot leven, en dat werd mijn dood. Zo bleek het gebod dat tot leven had moeten leiden, juist tot mijn dood te leiden. De zonde heeft gebruik gemaakt van het gebod. Ze heeft mij misleid en mij door het gebod gedood. Kortom, de wet zelf is heilig, en de geboden zijn heilig, rechtvaardig en goed. Is het dan het goede dat mij heeft gedood? Natuurlijk niet. Het is de zonde, die van het Goede gebruik gemaakt heeft om mij te doden. Zo toonde de zonde haar ware gezicht, en werd ze door het gebod te gebruiken nog slechter dan ze al was. Wij weten immers dat de wet het werk van den Geest is. Maar door mijn aardse natuur ben ik overgeleverd aan de zonde. Ik begrijp zelf niet wat ik doe, want ik doe niet wat ik wil, ik doe juist wat ik haat. Maar wanneer mijn daden in strijd zijn met mijn wil, erken ik dat de wet goed is. Dan ben ik het niet meer die handeld, maar de zonde die in mij woont. Immers ik besef dat in mij, in mijn aardse natuur, het goede niet aanwezig is. Ik wil het goede wel, maar het goede doen kan ik niet. Want ik doe niet wat ik wil, het goede, maar juist wat ik niet wil, het kwade, dat doe ik. Maar wanneer mijn daden in strijd zijn met mijn wil, ben ik daar niet meer zelf de oorzaak van, maar de zonde die in mij woont. Ik ontdek in mezelf dus de wetmatigheid dat het kwade zich aan mij opdringt, ook al wil ik het goede doen. Innerlijk stem ik vol vreugde in met de wet van God, maar in alles wat ik doe, zie ik die andere wet. Hij voert strijd tegen de wet, waarmee ik met mijn verstand instem en maakt van mij in heel mijn doen en laten, een gevangene van de wet van de zonde. Wie zal mij, ongeluig mens, redden uit dit bestaan dat beheerst wordt door de dood? God, zij gedankt, die ons red door Jezus Christus onze Heer. Want aan mezelf overgelaten onderwerp ik me weliswaar met mijn verstand aan de wet van God, maar door mijn aardse natuur onderwerp ik me aan de wet van de zonde, Romeine 8.

SPEAKER_01

Leven door de Geest.

SPEAKER_00

Dus wie in Christus Jezus zijn, worden niet meer veroordeeld. De wet van de geest die in Christus Jezus leven brengt, heeft U immers bevrijd van de wet van de zonde en de dood. Want waartoe de w niet in staat was, machteloos als hij was door onze aardse natuur, dat heeft God tot stand gebracht. Vanwege de zonde heeft Hij zijn eigen zoon als mens in dit zondige bestaan gestuurd. Zo heeft hij in dit bestaan met de zonde afgerekend, opdat alles wat de wet eist, in ons tot vervulling wordt gebracht. Wij leven immers niet volgens aardse maatstaven, maar volgens die van de Geest. Wie beheerst wordt door het aardse, streeft aardse zaken na. Maar wie beheerst wordt door de Geest, streeft na wat de Geest wil. Het aardse streven leidt tot de dood. Maar het streven waarto de Geest aanzet, leidt tot leven en vrede. Het aardse streven staat vijandig tegenover God, want het onderwerpt zich niet aan zijn wet en is daar ook niet toe in staat. Wie beheerst wordt door het aardse, kan God niet behagen. U darentegen wordt beheerst door de geest, want de geest van God woont in u. Iemand die de geest van Christus niet heeft, behoort Christus ook niet toe. Als Christus echter in u leeft, is uw lichaam weliswaar door de zonde ten doden opgeschreven, maar de Geest schenkt uw leven, omdat U door God rechtvaardig bent verklaard. Want als de geest van Hem, die Jezus uit de dood heeft opgewekt in u woont, zal Hij die Christus heeft opgewekt ook uw sterfelijk lichaam levend maken door zijn Geest, die in u woont. Broeders en zusters, we zijn dus niet langer gebonden aan het Aardse, om volgens aardse maatstaven te leven. Als u wel zo leeft, zult u zeker sterven. Als u echter uw zondige praktijken dood door den Geest zult u leven. Alle die door de Geest van God worden geleid, zijn kinderen van God. U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als slave in angst te leven. U hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te worden. Door Hem roepen wij God aan met Alba Vader. De Geest zelf verzekert onze Geest dat wij Gods kinderen zijn. En als we zijn kinderen zijn, zijn we ook zijn erfgename, erfgename van God samen met Christus, want wij delen in zijn lijden om ook met Hem te kunnen delen in Gods luister. Ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze tijd in geen verhouding staat tot de luister die ons in de toekomst zal worden geopenbaard. De schepping ziet er rijkhalsend naar uit dat de luister van Gods kinderen openbaar wordt. Want de schepping is een prooi aan zinloosheid, niet uit eigen wil, maar door Hem, die haar daaraan heeft onderworpen. Maar er is hoop, omdat ook de schepping zelf zal worden bevrijd uit de slavernij van de vergankelijkheid en zal delen in de vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt. Wij weten dat de hele schepping nog altijd als in barenzwee zucht en leidt. En zij niet alleen, ook wij zelf, die als voorschod den Geest hebben ontvangen. Ook wij zuchten in onszelf in afwachting van de openbaring dat we kinderen van God zijn, de verlossing van ons sterfelijk bestaan. In deze hoop zijn we gered. Als we echter nu al zouden zien waarop we hopen, zou het geen hoop meer zijn. Wie hoopt er nog op wat Hij al kan zien? Maar als wij hopen op wat we nog niet zien, blijven we in afwachting daarvan volharden. En bovendien komt de Geest onze zwakheid te hulp. Wij weten immers niet wat we in ons gebed tegen God moeten zeggen, maar de Geest zelf pleit voor ons met woordloze zuchten. God, die ons hart doorgrond, weet wat de Geest wil zeggen, want de Geest pleit voor de heilige overeenkomsti Gods wil. En wij weten dat voor wie God lief hebben, voor wie volgens zijn voornemen geroepen zijn, alles bijdraagt aan het goede. Wie Hij van tevoren heeft uitgekozen, heeft Hij ook van tevoren bestemd om het evenbeeld te worden van zijn Zoon, die de eerstgeboren moest zijn van talloze broeders en zusters. Wie Hij hiertoe heeft bestemd, heeft Hij ook geroepen, en wie Hij heeft geroepen, heeft Hij ook vrijgesproken. En wie Hij heeft vrijgesproken, heeft Hij ook laten delen in zijn luister. Wat moeten wij hier verder over zeggen als God voor ons is? Wie kan dan tegen ons zijn? Zal Hij, die zijn eigen Zon niet heeft gespaard, maar Hem omwille van ons allen heeft prijs gegeven, ons dan met Hem ook niet alles schenken? Wie zal Gods uitverkorende aanklagen? God zelf spreekt Hem vrij. Wie zal Hen veroordelen, Christus Jezus, die gestorven is, meer nog, die is opgewekt, zit aan de rechterhand van God en pleit voor ons. Wat zal ons scheiden van de liefde van Christus, tegenspoed en lende of vervolging, honger of armoede, gevaar of het zwaard? Er staat geschreven: om u worden wij dag na dag gedood en afgevoerd als schabe voor de slacht. Maar wij zegen vieren in dit alles, glansrijk dankzij Hem die ons zijn liefde heeft bewezen. Ik ben ervan overtuigd dat dood nog leven, engelen nog machten, nog krachten, heden nog toekomst, hoogte nog diepte of wat er ook maar in de schepping is, ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die Hij ons bewezen heeft in Christus Jezus, onze Heer.

SPEAKER_01

Psalm 116.

SPEAKER_00

De Heer heb ik lief. Hij hoort mijn stem, mijn smeken. Hij luistert naar mij. Ik roep Hem aan, mijn leven lang. De banden van de dood omknelden mij. Angsten van het dode rijk grepen mij aan. Ik voelde angst en pijn. Toen riep ik de naam van de Heer: Heer, red toch mijn leven. De Heer is genadig en rechtvaardig. Onze God is een God van ontferming. De Heer beschermt de eenvoudige, machteloos was ik, en Hij heeft mij bevrijd. Kom weer tot rust, mijn ziel. De Heer heeft naar je omgezien. Ja, u hebt mijn leven ontrukt aan de dood, mijn ogen gedroogd van tranen, mijn voeten voor struikelijk behoed. Ik mag wandelen in het land van de levende onder het oog van de Heer. Ik bleef vertrouwen, ook al zei ik, ik ben diep ongelukkig. Al te snel dacht ik, geen mens die zijn woord houdt. Hoe kan ik de Heer vergoeden wat Hij voor mij heeft gedaan? Ik zal de beker van bevrijding heffen, de naam aanroepen van de Heer en mijn gelofte aan de Heer inlossen, in het bijzijn van heel zijn volk. Kostbaar in de ogen van de Heer is het leven van zijn getrouwen. Ach Heer, ik ben uw dienaar, uw dienaar ben ik, de zoon van uw dienares. U hebt mijn boeien verbroken. U wil ik een dankoff brengen. Ik zal de naam aanroepen van de Heer en mijn gelofte aan de Heer inlossen in het bijzijn van heel zijn volk. In de voorhoven van het huis van de Heer binnen uw mure Jeruzalem. Allez bedankt voor het luisteren naar deze aflevering van de Bijbel in een jaar podcast van Zlevacht. Luister je morgen weer.

Podcasts we love

Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.

Zij Lacht - Elke Dag Artwork

Zij Lacht - Elke Dag

Nederlands - Vlaams Bijbelgenootschap
Zij Lacht - Diep Geworteld Artwork

Zij Lacht - Diep Geworteld

Nederlands - Vlaams Bijbelgenootschap