Zij Lacht - Bijbel in 1 Jaar

Dag 146 - Rechters 1 tot en met 3

Zij Lacht Season 2026 Episode 146

Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.

0:00 | 16:18

Vandaag lezen we Rechters 1 tot en met 3 uit de NBV21.

📱 Volg Zij Lacht ook op Instagram voor een portie Waarheid tijdens het scrollen.
📖 Wil jij samen met andere vrouwen de Bijbel openen? Dat kan! Start een Zij Lacht groep via onze community of sluit je aan bij een bestaande groep.

SPEAKER_01

Je luistert naar de Bijbel in een Jaar podcast van Zijcht. Mijn naam is Elisa. Dit is dag 146.

SPEAKER_00

We lezen rechters 1 tot en met 3. Rechter 1.

SPEAKER_01

Vestiging in Canaan. Na de dood van Joshua raadpleegde de Israëlieten de Heer. Wie van ons moet als eerste de strijd aanbinden met de Canaanieten? De Heer antwoorden: Juda moet als eerste oprukken. Hun geef ik het land in handen. Toen zeiden de Judeërs tegen de stam Simeon, hun broeders: Trek met ons op naar het grondgebied dat ons door het lot is toegewezen, en bind samen met ons de strijd aan tegen de Canaanieten. Daarna zullen wij op onze beurt met u meegaan naar het grondgebied dat U door het lot is toegewezen. Hierop ging Simeon met hen mee. Juda rukte op, en de Heer leverde de Kanaanieten en Perisieten aan hen uit. Bij Bezek versloegen ze er tien duizend. Ze kwamen daar tegenover Adoni Bezek te staan, bonde de strijd met hem aan en versloegen de Kanaanieten en Perisieten. Adonib Bezek sloeg op de vlucht, maar na een achtervolging kregen ze hem te pakken en hakte hem zijn duimen en zijn grote tenen af. Adoni Bezek riep uit: Ik heb aan mijn hof wel zeventig koningen, van wie ik de duimen en grote tenen heb afgehakt. En die zich in leven houden met de kruimels onder mijn tafel. God vergeld mij nu, wat ik hun heb aangedaan. Hij werd naar Jeruzalem gebracht, en daar is hij gestorven. De Judeërs deden een aanval op Jeruzalem en veroverden de stad. Ze doden alle inwoners en lieten de stad in vlammen opgaan. Toen trokken ze verder om de strijd aan te binden tegen de Kanaanieten, die in het bergland woonden, in de negef en in het heuvelgebied. Eerst vielen ze de Kanaanieten in Hebron aan, dat toen nog Keerjat Arba heette. Daar versloegen ze sesai, achiemen en talmay. Vervolgens troken ze op tegen Deber, dat toen nog Keerjat Zever heten. Kaleb beloofde, wie Keerjat zever veroverd, zal ik mijn dochter Agsa tot vrouw geven. Odniel, een zoon van Kalebs jongere broer Kenas, veroverde de stad en kreeg Agsa tot vrouw. Bij haar aankomst spoorde Agsa hem aan om aan haar vader een stuk vruchtbaar land te vragen. Toen ze van haar ezel was afgestegen, vroeg Kaleb naar wat ze verlangde. Geef me toch een geschenk waar ik wat aan heb, antwoordde ze. U hebt me dit dorp stuk land gegeven. Geef me dan ook bronnen. Hierop gaf Kaleb haar, zowel de hoog als de laag gelegen bronnen. Vanuit de palmstad waren met de Judeërs ook de Kenieten, stamgenoten van de schoonvader van Mozes, opgetrokken naar het zuidelijke deel van de woestijn van Juda. Zij vestigde zich te midden van de bewoners van het gebied rond Arad. Samen met de stam Simeon versloegen de Judeërs vervolgens de Canaanieten in Zefat en vernietigden de stad. Sindsdien heet die stad Gorma. Ook veroverden de Judeërs het hele gebied van Gaza, het hele gebied van Askelon en het hele gebied van Ekron. Met de hulp van de Heer maakte Juda zich meester van het bergland. Maar het lukte niet om de bewoners van de laagvlakte te verdrijven. Want die beschikten over ijzere strijdwagens. Hebron werd overeenkomstig de woorden van Mozes toegewezen aan Kaleb, die de drie zonen van Enach uit de stad verdreef. Maar de Jebuzieten in Jeruzalem werden door de stam Benjamin niet verdreven. Zij wonen er tot op de dag van vandaag samen met de Benjamin. Ook de nakomelingen van Jozef rukte op naar Betel. En de Heer stond hen bij. Ze stuurde verkenners naar Betel, dat vroeger lus heten. Toen de verkenners een man uit de stad zagen gekomen, zeiden ze tegen hem: als u ons wijst hoe we in de stad kunnen komen, zullen wij u goed behandelen. De man wees hen hoe ze de stad konden binnenkomen. Ze doden alle inwoners, maar liete de man met heel zijn familie in leven. Hij trok naar het land van de hetieten. Daar bouwde hij een stad die hij lus noemde, en die zo heet tot op de dag van vandaag. De stammenasse heeft zich niet meester gemaakt van Betsan en Ta Aanach en de omliggende dorpen. Ze verdreven ook de inwoners van Door, Jibleam en Megido en de omliggende dorpen niet. In dit gebied handhaafde de Kanaanieten zich. Toen de Israëlieten sterker werden, legden ze de Kanaanieten heredienst op, maar ze verdreven hen niet. De stam Ephraim heeft de inwoners van Gezer niet verdreven. De Kanaanieten daar bleven in hun midden wonen. De stam Zebulon heeft de inwoners van Kitron en de Halol niet verdreven. De Kanaanieten bleven in hun midden wonen en werden gedwongen tot heredienst. De stam Azer heeft de inwoners van Acco en Sidon niet verdreven. En Aglab, Agziep, Gelba, Afek en regop niet veroverd. De azarieten vestigden zich te midden van de Kanaanieten die er woonden en verdreven hen niet. De stam Naftelie heeft de inwoners van Bet Zemes en Betanat niet verdreven. Ze vestigden zich te midden van de Kanaanieten die er woonden en dwongen hen tot hededienst. De stam Dan werd door de Amorieten teruggedrongen tot in het bergland en kreeg geen kans naar de laagvlakte af te dalen. De Amorieten handhaafden zich in Hargeres, Ajalon en Saalbim, maar toen de nakomelingen van Jozef sterker werden, dwongen zij hen tot Heredienst. Het gebied van de Amorieten rijkte tot aan de Schorpioenenpas, tot aan Sela en verder.

SPEAKER_00

Rechter 2.

SPEAKER_01

De engel van de Heer kwam uit Gilgal naar Bochiem. Daar zei hij: Ik heb jullie uit Egypte geleid, naar het land dat ik jullie voorouders onder ede had beloofd. Ik heb gezegd dat ik mijn verbond met jullie nooit zou verbreken. Maar jullie mochten geen verdragen sluiten met de inwoners van dit land en hun altaren moesten jullie afbreken, maar jullie hebben niet geluisterd naar wat ik heb gezegd. Hoe hebben jullie dat kunnen doen? Ik heb jullie toch gewaarschuwd dat ik de inwoners van dit land niet voor jullie zou verdrijven, en dat zij jullie in hun netten zouden verstrikken en hun Goden jullie ondergang zouden worden? Toen de Engel van de Heer deze woorden tot de Israëlieten had gesproken, barste het volk een jammer uit. Ze noemden die plaats Bochiem en brachten er offers aan de Heer. Israël verbreekt het verbond. Toen Jozwa de volksvergadering had ontbonden, waren de Israëlieten erop uitgetrokken om het land in bezit te nemen, elke stam het gebied dat hun was toegewezen. Zolang Jozwa leefde, had het volk de Heer giend. Ook na zijn dood waren ze de Heer blijven dienen, zolang er oudsten waren die met eigen ogen hadden gezien welke machtige dade de Heer voor Israël had verricht. Joswaar de zoon van Nun, de dienaar van de Heer, was gestorven toen hij 110 jaar oud was. Hij was begraven in het gebied dat hem was toegewezen in Timnat Gerees in het bergland van Efreim, ten noorden van de chaals. Toen ook zijn generatiegenoten met hun voorouders waren vereenigd, kwam er een volgende generatie, die niet vertrouwd was met de Heer en wat hij voor Israël had gedaan. De Israëlieten begonnen te doen wat slecht is in de ogen van de Heer. Ze gingen de Baals dienen. Ze keerden de Heer de rug toe, de God van hun voorouders die hen uit Egypte had geleid. En begonnen achter andere goden aan te lopen, die werden vereerd door de volken waartussen ze woonden, door voor die vreemde goden neer te knielen, krenkten ze de Heer. Ze keerden hem de rug toe om Baal en de Astartes te dienen. Toen ontstak de Heer in woede tegen de Israëlieten. Hij leverde hen uit aan roversbenden en aan de hen omringende vijanden, zodat ze daartegen geen stand meer hielden. Telkens als ze iets tegen hun vijanden ondernamen, keerde de Heer zich tegen hen, zoals hij hun gezegd en gezworen had. Steeds weer kregen de Israëlieten het zwaar te verduren. Dan liet de Heer een rechter optreden om het volk te leiden en het te bevrijden van de rovers benden. Maar ook na hun rechters luisterden ze niet. Ze gaven zich af met andere goden en bogen zich voor hen neer. Binnen de kortste keren dwaalde ze weer af van de weg die hun voorouders waren gegaan. Die hadden de geboden van de Heer gehoorzaamd, maar zij niet. Steeds wanneer de Heer een rechter liet optreden, stond hij die bij. Want wanneer het volk zuchte onder het juk van onderdrukkers, kreeg de Heer medelijden en verloste hij hen van hun vijanden zolang die rechter leefde. Maar wanneer de rechter dan stierf, verviel het volk van kwaad tot erger. Meer nog dan de generatie voor hen liepen ze achter andere goden aan om die te dienen en bogen ze zich voor hen neer. Ze weigerden hartnekkig hun kwalijke praktijken op te geven. De Heer ontstak in woede tegen Israël en zei: Dit volk overtreed de regels van het verbond die ik hun voorouders heb opgelegd, en het luistert niet naar mij. Ik zal daarom geen enkel volk meer verdrijven dat nog in het land woonde toen Jozwa stierf. De Heer had die volken namelijk in het land laten blijven en ze niet onmiddellijk verdreven omdat hij de Israëlieten op de proef wilde stellen. Hij had ze niet aan Jozwa uitgeleverd omdat hij wilde zien of de Israëlieten zich net als hun voorouders zouden houden aan de weg die hij hun had gewezen, of niet.

SPEAKER_00

Rechters drie.

SPEAKER_01

Om de Israëlieten, die de strijd tegen de Kanaanieten niet hadden meegemaakt, te leren hoe het er in de oorlog aan toegaat, dus alleen om de nieuwe generaties, die nog geen ervaring met de strijd hadden opgedaan daarmee vertrouwd te maken, had de Heer de volgende volken in het land laten blijven: de Filistijen in hun vijf vorste dommen en verder de Kanaanieten, de Sidoniërs en de Giiten, die in het Libanongebergde leefden, vanaf de Baal Hermon tot aan Lebo Hamad. Deze volken waren overgebleven om de Israëlieten op de proef te stellen, opdat de Heer te weten zou komen of zij de geboden zouden gehoorzamen die Hij hun voorouders bij monden van Mozes had opgelegd. Maar toen de Israëlieten eenmaal tussen de volken van Cana aanwoonden, tussen de Hetieten, Amorieten, Perizieten, Givieten en Jebusieten, namen ze hun dochters tot vrouw en gaven ze hun eigen dochters aan de zonen van die volken en diende hun goden. De eerste rechters. De Israëlieten deden wat slecht is in de ogen van de Heer. Ze vergaten de Heer hun God en diende de Baals en de ascheras. De Heer werd woedend op de Israëlieten en leverde ze uit aan Kusan Riseta Aim, de koning van Aram naar Haraim. Acht jaar moesten ze hem dienen. De Israëlien riepen de Heer te hulp, en de Heer zond iemand om hen te bevrijden. Odniel, een zoon van Kalebs jongere broer Kenas. Gedreven door de geest van de Heer leidde hij Israël als rechter. Hij trok ten strijde, en de Heer leverde koning Kuson Riseta aim van Aram aan hem uit, zodat hij hem een zware nederlaag kon toebrengen. Veertig jaar had het land rust. Weer deden de Israëlieten wat slecht is in de ogen van de Heer. Daarom gaf de Heer koning Echelon van Moab macht over Israël. Echelon wist de Amonieten en de Amalekieten op zijn hand te krijgen, en in een gezamenlijke aanval versloegen ze Israël en maakte zich meester van de palmstad. Achttien jaar moesten de Israëlieten koning Echelon van Moab dienen. Toen riepen ze de Heer te hulp, en de heer zond iemand om hen te bevrijden. De zoon van Gera uit de stam Benjamin, een linkshandige. Deze ehud ging namens de Israëlieten schatting afdragen aan koning Echelon. Maar eerst liet hij zich een kort twee snijden zwaard maken, dat hij onder zijn kleding verborg op zijn rechter heup. Nadat hij de schatting aan de vat zich dikke koning Echelon had aangeboden, deed hij zijn dragers uitgeleiden. Maar zelf maakte hij bij de stenen beelden bij Gilgal rechtsomkeerd. Hij liet zich bij de koning aandienen met de mededeling dat hij een geheime boodschap voor hem had. Op een wenk van de koning lieten alle aanwezigen hem alleen. Ehud ging naar de koning, die zich had teruggetrokken in de koelte van zijn boven vertrek, en zei: Ik heb voor u een boodschap van God. Toen de koning opstond van zijn troon, trok EHud met zijn linkerhand het zwaard van zijn rechterheup en stak het in Egels buik. Het zwaard drong met gevesten al naar binnen. De vetkwabben slooten zich om de kling, want Ehud trok het zwaard niet terug. En de hele inhoud van zijn darmen liep eruit. Ehud vluchte via de galerij nadat hij de deuren van het vertrek vergrendeld had. Hij was nog niet weg of de dienaren van de koning kwamen aangelopen. Ze merkten dat de deuren van het bovenvertrek waren vergrendeld en zeiden tegen elkaar: Hij heeft zich zeker afgezonderd om zijn behoefte te doen. Ze wachten een hele tijd, maar de deuren van het vertrek werden niet geopend. Ten slotte haalde ze een sleutel en opende de deur van buitenaf. En daar lag hun heer, dood op de grond. Eud had van hun getal gebruik gemaakt om te ontsnappen. Hij passeerde de stenen beelden en ontkwam naar Seira. Bij zijn aankomst in het bergland van Efraim blies hij op de ramshoorn. Onder zijn aanvoering kwamen de Israëlieten uit de bergen. Hij zei tegen hen: Volg mij, want de Heer heeft uw vijanden de Moabieten aan u uitgeleverd. Ze volgden hem en bezette de oversteek plaatsen in de Jordaan, zodat er geen Moabiet meer langskom. De Israëlieten versloegen ongeveer tienduizend Moabieten, hoewel het stuk voor stuk stevige, strijdbare mannen waren, ontkwam er niet één. Moab moest die dag buigen voor Israël en het land had tachtig jaar rust. Na Ehut kwam Samgar, de zoon van Anat. Hij dodde 600 filistijnen met een osprik. Zo bevrijde ook hij, Israël. Bedankt voor het luisteren naar deze aflevering van de Bijbel in een Jaar podcast van Zeilacht. Luister je morgen weer.

Podcasts we love

Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.

Zij Lacht - Elke Dag Artwork

Zij Lacht - Elke Dag

Nederlands - Vlaams Bijbelgenootschap
Zij Lacht - Diep Geworteld Artwork

Zij Lacht - Diep Geworteld

Nederlands - Vlaams Bijbelgenootschap