Zij Lacht - Bijbel in 1 Jaar
Speciaal voor de Bijbel in een Jaar lezers van Zij Lacht! Salisa heeft elke dag het Bijbelgedeelte van de dag voor je ingesproken zodat je deze waar je ook bent kunt luisteren!
Zij Lacht - Bijbel in 1 Jaar
Dag 153 - Rechters 19 tot en met 21
Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.
Vandaag lezen we Rechters 19 tot en met 21 uit de NBV21.
📱 Volg Zij Lacht ook op Instagram voor een portie Waarheid tijdens het scrollen.
📖 Wil jij samen met andere vrouwen de Bijbel openen? Dat kan! Start een Zij Lacht groep via onze community of sluit je aan bij een bestaande groep.
Je luistert naar de Bijbel in een Jaarpotcast van Zijlacht. Mijn naam is Elisa. Dit is dag 153. We lezen rechters 19 tot en met 21.
SPEAKER_01Rechters 19.
SPEAKER_02Het gastrecht geschonden in Gibea.
SPEAKER_00In die tijd, toen er geen koning in Israël was, woonde er een liviet diep in het bergland van Efraïm. Hij had een meisje uit Betlehem in Juda als bijvrouw genomen. Na een hevige ruzie liep ze van hem weg en ging terug naar het huis van haar vader in Betlehem. Vier maanden later ging haar man haar achterna om haar te overreden bij hem terug te komen. Hij had zijn knecht bij zich en een span ezels. Zijn vrouw liet hem binnen in het huis van haar vader, die zijn schoonzoon allerhartelijkst ontving en er bij hem op aandron om nog wat te blijven. Drie dagen bleef de man bij de vader van zijn vrouw te gast. Hij at en dronk er en bleef overnachten. Op de vierde dag maakte hij zich ochtends vroeg klaar om te vertrekken. Maar zijn schoonvader zei: Eet eerst nog wat, om krachten op te doen voor de reis. Samen zette zij zich aan de maaltijd. Daarna zei de vader van de vrouw: Blijf nog een nacht hier. Gun jezelf dat genoegen. De man wilde eerst toch gaan, maar zijn schoonvader drong zo aan dat hij toegaf en bleef overnachten. Toen hij op de morgen van de vijfde dag wilde vertrekken, zei zijn schoonvader: Eet toch eerst wat, en wacht tot de zon over haar hoogste punt is. En weer aten ze samen. Toen de man aanstalte maakte om met zijn vrouw en zijn knecht te vertrekken, zei de vader van de vrouw: Het is al laat op de dag. Blijf toch hier slapen. Kijk maar, de zon begint al te dalen. Blijf nog een nacht hier. Gun jezelf toch dat genoegen. Dan kunnen jullie morgen vroeg voor dag en daal vertrekken. Maar de man wilde niet nog een nacht blijven. Hij zadelde zijn ezels en ging met zijn vrouw op weg. Toen ze ter hoogte van Jebus waren, het huidige Jeruzalem, stond de zon al zo laag dat de knecht tegen zijn meester zei: Daar ligt de stad van de Jebieten. Zouden we er niet goed aan doen om daar voor vernacht onderdag te zoeken? Nee, antwoordde zijn meester: we gaan geen stad vol vreemde binnen die niet tot het volk van Israël behoren. We kunnen beter doorgaan naar Gibea, en misschien halen we zelfs rama nog. Dan kunnen we in een van die plaatsen overnachten. Ze liepen dus de stad voorbij en gingen verder. Juist bij zonsondergang kwamen ze bij Gibea in het gebied van Benjamin. Ze gingen de stad binnen om er de nacht door te brengen. Op het stadsplein hield de man halt, maar er was niemand die hen uitnodigde om bij hem thuis te overnachten. Juist op dat moment kwam er een oude man aan, die terugkeerde van zijn werk op het land. Hij was afkomstig uit Evreïm en woonde als vreemdeling in Gibea. De inwoners van de stad zelf waren Benjamin. Toen hij de reizigers op het stadsplein zag staan, sprak hij de man aan en vroeg: waar gaat u naartoe? Waar komt u vandaan? Wij zijn op weg van Betlehem in Juda, naar onze woonplaats diep in het bergland van Evreïm, waar ik vandaan kom. Antwoordde de lefiet: Ik ben in Betlem geweest, en nu ben ik op weg naar huis. Maar niemand biedt me onderdak. We hebben zelf alles bij ons heer: stro en voer voor onze ezels en ook voedsel in wijn voor mezelf en voor mijn vrouw hier en mijn knecht. Bij mij bent u welkom, zei de oude man. Maar ik sta erop dat U mij laat zorgen voor alles wat u nodig hebt. Breng in elk geval niet hier op het plein de nacht door. Hij nodigde hen binnen in zijn huis en nadat hij hun ezels had gevoerd, waste ze hun voeten en gingen ze aan tafel. Terwijl de reiziger en zijn gastheer genoeglijk aan de maaltijd zaten, liepen de mannen van de stad bij het huis te hoop. Deze onverlaten bonsten op de deur en riepen tegen de oude heer des huizes laat die gast van u naar buiten komen, we willen hem nemen. De gastheer ging naar buiten en zei tegen hen: Vrienden, begaat toch geen schandaad. Zoiets kunnen jullie niet doen. Deze man is bij mij te gast. Ik heb hier mijn dochter, die nog maagd is, en de bijvrouw van mijn gast. Laat me die naar buiten sturen. Neem hen maar en doe met hen wat jullie willen, maar doe deze man hier zoiets schandelijks niet aan. De belagers gingen daar niet op in, maar toen de leviet zijn vrouw de straat opduwde, naar hen toe, verkrachte en misbruikte ze haar de hele nacht lang. Pas bij het eerst ochtendgloren, lieten ze haar gaan. Terwijl het langzaam licht werd, sleepte ze zich naar het huis waar haar man te gast was. Voor de drempel viel ze neer. Toen haar man die ochtend bij de eerste zonnestrade de deur opende en naar buiten ging om zijn reis te vervolgen, zag hij zijn vrouw daar liggen, haar handen uitgestrekt naar de drempel. Sta op, zei hij tegen haar, kom we vertrekken. Maar er kwam geen antwoord. Hij teelde haar op de ezel en vertrok naar zijn woonplaats. Thuisgekomen nam hij zijn mes en sneed het lichaam van zijn vrouw in twaalf stukken. Naar elk stamgebied van Israël stuurde hij een stuk. En ieder die het zag, zei: Zoiets is nog nooit gebeurd. Nog nooit hebben we in Israël zoiets meegemaakt. Vanaf de uitocht uit Egypte tot op de dag van vandaag. Dit kunnen we niet toestaan. We moeten ons beraden en besluiten wat we zullen doen.
SPEAKER_01Rechter 20.
SPEAKER_00Gibea en Benjamin gestraft. Uit heel Israël, van dan tot Ber Seba en zelfs uit Giliad kwamen de Israëlieten naar Mispa om zich daarvoor de Heer te verzamelen. Deze vergadering van het volk van God, 400 duizend man die de wapens konden hanteren, werd geleid door de aanvoerders van het volk, de hoofden van de stammen van Israël. Het bleef in Benjamin niet onopgemerkt dat de andere Israëlieten naar Mispa waren gekomen. De Israëlieten vroegen: wie kan ons vertellen hoe dit misdrijf heeft plaatsgevonden? De leviet, de man van de vermoorden vrouw, nam het woord en zei: toen ik met mijn bijvrouw op doorreis was in Gibea in Benjamin, kwamen de burgers van de stad mij lastig vallen. Ze liepen s'nachts te hoop bij het huis waar we onderdag hadden gekregen. Mij bedreigde ze met de dood, en mijn vrouw hebben ze zo gruwelijk verkracht dat ze het niet heeft overleefd. Ik heb haar lichaam in stukken gesneden en die naar alle delen van het gebied van Israël gestuurd, om te laten zien dat er een misdaad is begaan die voor Israël geld als een schandelijk en ontoelaatbaar begrijp. U bent hierbij ingekomen, Israëlieten, om gezamenlijk te beslissen wat er moet gebeuren. Hierop stond het hele volk als één man op en verklaarde niemand van ons gaat terug naar zijn tent of huis. We zullen Gibea niet ongemoeid laten. Door loting zullen tien op de honderd van elke stam van Israël worden aangewezen. Ofwel honderd op de duizend of duizend op de tienduizend. Die moeten de proviant bijeenbrengen voor het leger dat in Gibea de schandaad zal vergelden, die de inwoners ervan in Israël hebben begaan. Zo sloten de Israëlieten zich aan een om als één man tegen Gibea op te trekken. De stammen van Israël stuurden bode uit die een heel Benjamin moesten vragen hoe er bij u zo'n misdaad kunnen plaatsvinden. Lever die onverlaten in Gibea aan ons uit. Dan zullen we hen doden en zo afrekenen met het kwaad dat in Israël werd begaan. Maar de Benjamin gaven geen gehoor aan de oproep van hun broeders de Israëlieten. Uit alle steden in hun stamgebied kwamen ze naar Gibea om de strijd aan te binden tegen de andere Israëlieten. Afgezien van de inwoners van Gibea zelf meldden zich uit de steden van Benjamin 26.000 man die de wapens konden hanteren. Zevenhonderd van hen waren uitzonderlijk goede krijgslieden. Dat waren zevenhonderd linkshandige slingeraars, die zo haarscherp konden mikken dat ze hun doel nooit misten. De overige Israëlieten, met uitzondering dus van Benjamin, telden 400.000 man die de wapens konden hanteren. Het waren stuk voor stuk ervaren krijgslieden. Voor de aanvang van de strijd gingen de Israëlieten naar Betel om God te raadplegen. Wie van ons moet als eerste oprukken tegen de Benjemenieten? vroegen ze. Juda, antwoordde de heer. De volgende morgen vroeg sloegen de Israëlieten hun kamp op bij Gibea. Ze rukten uit tegen de Benjaminieten en stelden zich in slagorde op om de stad aan te vallen. Het leger van Benjamin deed een uitval vanuit de stad en doden die dag 22.000 man van Israëls leger. Maar de Israëlieten gaven de moed niet op en stelden op dezelfde plaats als de keer daarvoor nieuwe linies op. Ze waren na afloop van de slag naar Betel gegaan en hadden daar tot de avond viel ten overstaan van de Heer hun leed geklaagd. Ten slotte hadden ze de Heer geraadpleegd en gevraagd of ze hun broeders de Benjamin opnieuw moesten aanvallen. Ja, had de Heer geantwoord: val hen aan. Toen de Israëlieten op de tweede dag nogmaals tot de aanval overgingen, deden de Benjamin opnieuw een uitval vanuit de stad en doden nog eens achttienduizend bedreven Israëliitische krijgslieden. Daarop ging het voltallige leger van de Israëlieten naar Betel. Ze vasten de hele dag en klaagden op de grond gezeten hun leed ten overstaan van de Heer. Toen de avond was gevallen, brachten ze de Heer brandtoffers en vrede offers. Daarna raadpleegden ze de Heer. De ark van het verbond met God bevond zich in die tijd namelijk in Betel. En de priester Pinegas, die een zoon was van Elazar, de zoon van Aarom, deed er dienst in het heiligdom. Moeten we onze broeders, de Benjamin, nog een keer aanvallen of moeten we het opgeven? vroegen ze. En de Heer antwoordde val aan: morgen lever ik hen aan jullie uit. Enkele Israëliitische eenheden stelden zich verdekt op rondom Gibea. Ook op de derde dag rukte de hoofdmacht op tegen de Benemonieten. En net als de vorige keren stelde men zich in slagorde op om de stad aan te vallen. Weer deden de Benjemonieten een uitval naar het leger van Israël, maar nu werden ze weggelokt van de stad. Even buiten de stad, bij de splitsing van de weg naar Gibea en de weg naar Betel, kwam het tot een eerste treffe, waarbij net als de vorige keren slachtoffers vielen onder het leger van Israël. Ongeveer dertig man. De Benjaminieten dachten al dat ze voor de derde maal de overwinning hadden behaald, maar de Israëlieten hadden afgesproken om te doen alsof ze vluchten en zo de Benjamin via de gebaande wegen van de stad weg te lokken. Terwijl de hoofdmacht van de Israëlieten zich terugtrok en zich in slagorde opstelde bij Baal Tamar, kwamen de mannen die zich aan de onbeschermde kant van Gibea schuil hielden tevoorschijn en rukte op naar de stad, tienduizend van de beste Israëlietische krijgslieden. Bij Baal Tamar brandde de strijd nu in alle hevigheid los. De Benjamin wisten nog niet welk onheil hun boven het hoofd hing. Die dag liet de Heer de Benyaminieten een nederlaag leiden tegen Israël. De Israëlieten doden 25.000 en honderd bewapende Benjamin. De Benyaminieten moesten ondervinden dat de strijd voor hen verloren was. De Israëlieten waren immers zo ver teruggeweken omdat ze rekenden op de mannen die zich bij Gibea verdekt hadden opgesteld. Die hadden ondertussen een verrassingsaanval op de stad uitgevoerd en alle inwoners gedood. Met de hoofdmacht van het leger was afgesproken dat er rook uit de stad zou opstijgen wanneer het zover was. De hoofdmacht van het leger week dus terug, en de Benjamin zagen kans om onder de Israëlieten meteen zo'n dertig slachtoffers te maken. Daarom dachten ze al dat ze de slag gewonnen hadden, net als de vorige keren. Maar op dat moment begonnen uit de stad dikke rookwolken op te stijgen. Toen de Benjamin omkeken, zagen ze hoe achter hen de hele stad in vlammen opging. Op hetzelfde moment storte de hoofdmacht van het Israëlietische leger zich op hen. Nu begrepen de Benjamin welk onheil hun boven het hoofd hing. In paniek sloegen ze voor de Israëlieten op de vlucht de kant van de woestijn uit. Maar ze konden de strijd niet ontlopen, want de Israëlieten die uit de stad kwamen, sneden hun de pas af en sloegen hen neer. Ze sloten de Benjemonieten in en achtervolgden hen, zonder hun rust te gunnen, joegen ze hen op tot ver ten oosten van Gibea. Er sneuvelden achttienduizend Benjemonieten, stuk voor stuk, moedige krijgslieden. De overige probeerden te ontkomen in de richting van de woestijn, naar de rotsen van Riemon, maar de Israëlieten haalden hen in en doden nog eens vijfduizend man. Ter hoogte van Gidom versloegen ze er nog twee duizend. Al met al sneuvelden er die dag 25.000 bedreven Benjaminitische soldaten, zonder uitzondering moedige krijgslieden. Slechts zeshonderd Benjamin wisten te ontkomen naar de woestijn, waar ze zich vier maanden lang schuil hielden in de rotsholen van Riemon. De Israëlieten gingen terug om af te rekenen met de Benjamin, die niet aan de strijd hadden deelgenomen. Ze trokken van stad tot stad en doden er mens en dier. Niets of niemand werd ontzien. En elke stad waar ze geweest waren, lieten ze in vlammen opgaan.
SPEAKER_01Rechters 21.
SPEAKER_00Het voortbestaan van de stam Benjamin verzekerd. De Israëlieten hadden in Mispa gezworen dat niemand van hen zijn dochter aan een Benjaminiet tot vrouw zou geven. Nadat ze met Benjamin hadden afgerekend, kwamen de Israëlieten opnieuw in betel bij elkaar. Tot de avond viel zaten ze daar op de grond en kagden ten overstaan van God met groot misbaar hun leed. Heer, God van Israël, vroegen ze: Hoe heeft het zover met ons kunnen komen dat er nu een van de stammen van Israël ontbreekt? De volgende morgen bouwden ze een altaar waarop ze brandoffers en vredeoffers brachten. Daarna vroegen ze: wie van ons heeft er niet deelgenomen aan de volksvergadering in Mispa? De Israëlieten had namelijk plechtig gezworen dat ieder die niet voor de Heer was verschenen in Mispa ter dood zou worden gebracht. Nu voelden ze zich bezwaard vanwege hun broeders, de Benjamin. Een van de stammen van Israël is vandaag te gronden gegaan, zeiden ze: Wat kunnen we doen om de overlevende vrouwen te bezorgen? We hebben immers bij de Heer gezworen dat wij hun onze dochters niet tot vrouw zouden geven. Vandaar de vraag wie van hen er niet aan de volksvergadering in Mispa heeft deelgenomen. Het bleek dat er uit Jabes in Giliad niemand op de afgesproken plek voor de Heer was verschenen. Toen de strijders zich meldden, was er niemand uit Jabes bij. Dus stuurde de Israëlieten twaalfduizend van hun beste soldaten aan Jabes, met als opdracht dood alle inwoners van Jabes. Mannen, vrouwen en kinderen. Letwel, dood alle mannen, maar van de vrouwen alleen degenen die met een man hebben geslapen. In Jabes bleken vier honderd jonge meisjes nog nooit met een mand hebben geslapen. Zij werden overgebracht naar de verzamelplaats in Silo in Canaan. De volksvergadering van de Israëlieten stuurde een afvaardiging naar de Benyeminieten, die zich ophielden in de rotswand van Riemon om vrede met hen te sluiten. Daarop keerde de Benjemonieten terug en de Israëlieten gaven hun de vrouwen uit jabes die ze in leven hadden gelaten. Maar er waren er niet genoeg voor allemaal. De Heer had een brest geslagen in de stammen van Israël, en daarover voelden de Israëlieten zich nu bezwaard. Daarom vroegen de leiders van de volksvergadering wat kunnen we doen om de overlevenden van de stam Benjamin vrouwen te bezorgen, nu al hun vrouwen zijn gedood. Het grondgebied van Benjamin moet kunnen overgaan op een volgende generatie, want er mag geen enkele stam van Israël verloren gaan. Maar wij kunnen hun onze dochters niet tot vrouw geven, want we hebben onder elkaar een vloek afgeroepen over ieder die een vrouw geeft aan een Benjamin. Toen dachten ze aan het feest der Ere van de Heer, dat elk jaar in Silo werd gevierd. Silo ligt ten noorden van Betel en ten zuiden van Lebona, iets ten oosten van de weg van Betel naar Ziegem. En ze raden de Benjamin aan: ga naar silo en houd u daar in de wijngaar verborgen, tot u de meisjes uit de stad in rijdansen naar buiten ziet komen. Kom dan tevoorschijn en roof voor ieder van u een meisje om als vrouw mee te nemen naar uw eigen stamgebied. Wanneer hun vaders of broers zich bij ons komen beklagen, zullen we zeggen: wees zo goed hen aan ons af te staan. Niet iedereen heeft in de strijd een vrouw kunnen bemachtigen. En tenslotte hebt u hun uw dochters niet vrijwillig tot vrouw gegeven, dus u treft geen schuld. De Benjamin deden wat hun was aangeraden. Elk van hen greep een van de dansende meisjes en nam haar als vrouw mee naar zijn eigen stamgebied. Daar teruggekeerd herbouwde ze de steden en ze gingen er weer wonen. De volksvergadering van de Israëlieten werd ontbonden. Ieder keerde terug naar zijn eigen grondgebied, elk naar zijn eigen stam en zijn eigen familie. In die tijd was er geen koning in Israël. Iedereen deed wat goed was in zijn eigen land. Bedankt voor het luisteren naar deze aflevering van de Bijbel in een Jaar podcast van Zeilacht. Luister je morgen weer.
Podcasts we love
Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.
Zij Lacht - Elke Dag
Nederlands - Vlaams Bijbelgenootschap