Zij Lacht - Bijbel in 1 Jaar
Speciaal voor de Bijbel in een Jaar lezers van Zij Lacht! Salisa heeft elke dag het Bijbelgedeelte van de dag voor je ingesproken zodat je deze waar je ook bent kunt luisteren!
Zij Lacht - Bijbel in 1 Jaar
Dag 173 - 2 Samuel 13 tot en met 14 en Psalm 142
Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.
Vandaag lezen we 2 Samuel 13 tot en met 14 en Psalm 142 uit de NBV21.
📱 Volg Zij Lacht ook op Instagram voor een portie Waarheid tijdens het scrollen.
📖 Wil jij samen met andere vrouwen de Bijbel openen? Dat kan! Start een Zij Lacht groep via onze community of sluit je aan bij een bestaande groep.
Je luistert naar de Bijbel in een Jaar podcast van Zijlacht. Mijn naam is Elisa. Dit is dag 173. We lezen 2 Samuel 13 en 14 en Psalm 142.
SPEAKER_012 Zamel 13. Amn en Tamar.
SPEAKER_00Enige tijd later gebeurde het volgende. Absalon, een zoon van David, had een zus die Tamar heette. Ze was heel mooi. Amnon, de oudste zoon van David, werd verliefd op haar. Hij werd bijna ziek van verlangen naar zijn half zus, die nog niet was uitgewillig, maar hij zag geen kans om haar te benaderen. Nu was Amn bevriend met zijn neef Jonadap, de zoon van Davids broer Sima. En deze Jonadab was iemand met veel ervaring. Zeg eens Amnon, vroeg hij aan de koningssoon, waarom ben je toch al dagenlang zo neerslachtig? Amnon antwoordde, omdat ik verliefd ben op Tamar, de zus van mijn broer Absalom. Jonadap rade hem aan: ga op je bed liggen en doe alsof je ziek bent. Wanneer je vader dan naar je komt kijken, moet je tegen hem zeggen: Komar maar komen om het te eten te geven. Als zij hier iets versterkens klaarmaakt, zodat ik het met eigen ogen kan zien, dan zal ik wel eten. Dus ging Amon op bed liggen en deed alsof hij ziek was. Toen de koning naar hem kwam kijken, zei Amn tegen hem: Kom tamar maar komen en hier twee harte koeken klaarmaken. Als zij ze me aanreikt, zal ik wel eten. Meteen stuurde David een boodschap naar Tamar. Ga vlucht naar Amn en maak iets versterkens voor hem klaar. Tamar ging naar het huis van haar broer Amn. Terwijl hij op bed bleef liggen, maakte ze deeg, knede het en vormde er onder zijn ogen harte van. Toen ze de hartekoeken gebakken had, zette ze de schaal klaar, maar Amn weigerde te eten. Hij stuurde alle aanwezigen weg en zei toen tegen Tamar: Breng de koeken hier en rijk ze me met je eigen handen aan. Tamar bracht de hartekoeken naar het slaapvertrek van haar broer Amn en hield ze hem voor. Maar hij greep haar beet en zei tegen haar: Kom, mijn zusje, kom bij me liggen. Nee, mijn broer, laat dat, riep ze. Raak me niet aan. Zo iets schandelijks doet men in Israël toch niet. Denk eens aan mij, wat moet er van me worden, als ik van mijn eer ben beroofd. En denk eens aan jezelf, heel Israël zal schande van je spreken. Praat toch eerst met de koning, hij zal jou, mijn hand heus niet weigeren. Maar hij wilde niet luisteren naar wat ze zei, en hij overweldigde haar, verkrachte haar enteerde haar. Meteen welde een diepe haat in Amnon op. Hij hate haar zelfs meer dan hij haar eerst had lief gehad. Stal, ga weg, beed hij haar toe. Tamar riep uit, dat kun je niet doen. Mij wegsturen is nog erger dan het andere dat je me al hebt aangedaan. Maar hij wilde niet naar haar luisteren. Hij riep zijn bediende en zei: Laat die vrouw uit mijn ogen verdwijnen. Zet haar het huis uit en doe de deur achter haar op slot. Tamar droeg een veelkleurig gewaad, zoals huwbare koningsdochters dat als overkleed droegen. Toen Amnons bediende haar op straat had gezet en de deur achter haar had vergrendeld, wp ze stof over haar hoofd en scheurde ze haar veelkleurig kleed. Ze greep naar haar hoofd en liep jammerend naar huis. Daar vroeg haar broer Absalom haar: Is Amnon je te nagekomen? Zwijgt dan, Zusje, hij is je broer. Je doet er beter aan het te laten rusten. Tamar woonde voorttaan in het huis van haar broer Absalom, van het leven afgesneden. Toen Koning David hoorde wat er gebeurd was, werd hij woedend. Absalom sprak er niet met Amn over. Er viel tussen hen geen onvertogen woord. Maar hij hate hem omdat hij zijn zus Tamar had onteerd. Apsalons wraak. Twee jaar later nodigde Absalon alle zonen van de koning uit om bij hem in Baal Gazor in de buurt van Efreem het schapenscheerdersfeest bij te wonen. Hij ging naar de koning en vroeg: Ze zijn bij mij de schapen aan het scheren. Mag ik u en de uwe vragen onze gasten te zijn? De koning antwoordde: Nee, mijn zoon, laten we dat maar niet doen. We zouden je met z'n allen tot last zijn. Hoe Absalom ook aandron, de koning bleef bij zijn weigering en wilde al afscheid nemen. Toen zei Absalom: als u niet wilt komen, laat dan mijn broer Amn met ons meegaan. Waarom dan toch? vroeg de koning. Maar Absalom bleef aandringen. En tenslotte stuurde de koning Amnon en de andere koningszonen met hem mee. Toen beval Absalom zijn dienaren: let op: wanneer Amn zich de wijn goed heeft laten smaken, en ik tegen jullie zeg: Sla Amn dood, dan moeten jullie hem doden. Jullie hebben niets te vrezen, want ik heb jullie zelf bevolen. Houd je flink en aarzel niet. Zodra Absaloms dienaren met Amn hadden gedaan zoals Absalon bevolen had, schoten alle koningzonen overeind, sprongen op hun meldieren en maakte dat ze wegkwamen. Terwijl ze nog onderweg waren, bereikte David het gerucht dat Absalon alle koningszonen had gedood en dat niet één van hen ontkomen was. De koning stond op, scheurde zijn kleren en wip zich op de grond. De hele hofhouding stond met gescheurde kleren om hem heen. Toen nam Jonadap, de zoon van Davids broer Sima, het woord en zei: Het is niet waar dat alle jongens al uw zonen zijn gedood, mijn Heer en koning. Alleen Amn is dood. Vanaf de dag dat Amn zijn zus tamer had onteerd, beschouwde Absalom het immers als zijn plicht om hem te doden. Neem het gerucht dat al uw zonen zijn gedood dus niet ernstig, want alleen Amnon is dood. Even later meldde de wachtpost, die op de uitkijk stond, dat hij in de verte vanuit de bergen een grote menigte zag aankomen. Absalom had inmiddels een veilig heen komen gezocht. Jonedap zei tegen de koning: ziet u wel, daar komen de koningszonen. Wat heb ik u gezegd? Hij was nog niet uitgesproken of inderdaad, daar kwamen de koningszonen al aan. Ze begonnen luid keels te jammeren. En ook de koning en alle hovelingen schreeuwde het uit van verdriet. Ondertussen vond Absalom een veilig heen komen bij Talmay, de zoon van Amiur, de koning van Geesur, terwijl David bleef rauw over zijn zoon. Absaloms terugkeer. Toen Absalom drie jaar in Gesur woonde waar hij een veilig heen komen gevonden had, valte koning David het plan op om tegen Absalom te hem strijde te trekken, want de rauw over de dood van Amnon was voorbij.
SPEAKER_012 Zamuel 14.
SPEAKER_00Het ontging Joap de zoon van Seruja niet dat de koning Absalom vijandig gezind was. Hij liet uit Teo een wijze vrouw komen en zei tegen haar: Doe alsof u in de rauw bent. Trek een rauwkleed aan, wrijf u niet in met olie en gedraag u als een vrouw die al vele jaren om een doden treurt. Ga dan naar de koning en zeg hem wat ik u nu vertel. En hij legde haar woordelijk in de mond wat ze moest zeggen. De vrouw uit The Koa wende zich tot de koning. Ze knielde, boog diep voor over, en zei, mijn koning, help me alsjublie. De koning vroeg wat er aan de hand was, en ze vertelde: Ach Heer, ik ben een weduwe, mijn man is gestorven. Op een keer kregen mijn twee zonen ruzie buiten op het veld, en er was niemand die tussen beide kwam. Toen heeft de een de ander doodgeslagen. Nu is de hele familie tegen mij in het geweer gekomen. Ze zeggen: Lever die broedermoordenaar aan ons uit, dan zullen we hem ter dood brengen om het leven te vergelden van zijn broer, die hij heeft doodgeslagen. Ook al is hij de stamhouder, we zullen hem doden. Zo zullen ze het laatste kooltje dat mij rest uitdoven. En dan zal er op aarde niets meer zijn dat nog aan mijn man en zijn naam herinnert. Ga gerust naar huis, zei de koning. Ik zal zorgen dat het in orde komt. Maar de vrouw uit The Koa hield aan: jawel, maar ik en mijn familie krijgen de schuld, mijn Heer en Koning. U en uw troon zal men niets verwijten. Toen zei de koning: als iemand het er niet mee eens is, verwijst u die maar naar mij. Ik zal zorgen dat ze u niet langer lastig vallen. Maar de vrouw smeekte: mijn Heer en koning, wilt u niet de Heer, uw God, als getuige aanroepen dat er niet door bloedvraak nog meer kwaad wordt aangericht en dat ze mijn zoon niet van het leven boven? En hij zei, zo waar de Heer leeft, uw zoon, zal geen haar worden gekrenkt. Toen zei de vrouw: Als mijn Heer en koning mij toestaat, zou ik graag nog iets zeggen. Spreek vrij uit, antwoordde hij. En de vrouw zei: Waarom wilt U dan wel zoiets doen tegen Gods eigen volk? Wanneer u uw balling niet terughaalt, beschuldigt u met deze uitspraak uzterven zullen we immers allemaal. We zijn als water dat in de aarde wegvloeit, wanneer het niet wordt opgevangen. Zou God niet op middelezinnen en alles in het werk stellen om de balling terug te laten keren? Dat ik gekomen ben om u, mijn Heer en Koning, deze zaak voor te leggen, is omdat de mensen me bang hebben gemaakt. Ik dacht bij mezelf: laat ik mijn zaak aan de koning voorleggen, wellicht voldoet Hij aan mijn verzoek. De koning zal me beslist gehoor geven en zorgen dat niemand mij en mijn zoon van Gods grondgebied verdrijft. Ik zei bij mijzelf: De koning zal het verlossende woord spreken. U bent immers als een engel van God, mijn Heer en koning, zoals u het voor en tegen van een zaak tegen elkaar afweegt, mogen de Heer uw God, u terzijde staan. Hierop zei de koning tegen de vrouw, nu wil ik u iets vragen. En ik verwacht een eerlijk antwoord. Wat wilt u weten, mijn Heer en koning, vroeg ze. En de koning zei: Heeft Joab hier soms de hand in? De vrouw antwoordde: zo waar u leeft, mijn Heer en koning, u hebt het bij het rechte eind. Het is inderdaad uw dienaar Joab, die me dit heeft opgedragen. Hij heeft me deze woorden in de mond gelegd. Dat heeft hij gedaan om uw de zaak op een verhulde manier voor te leggen. U bent werkelijk zo wijs als een engel van God, mijn Heer en koning, zoals u alles doorziet. De koning zei tegen Joab, goed dan, ik zal doen waar u op aanstuurt. U kunt mijn zoon Absalom terughalen. Joab knielde, boog diep voor over en dankte de koning: Nu weet ik zeker, mijn Heer en koning, dat U mij goed gezind bent, omdat u het verzoek van uw knecht hebt ingewilligd. Daarop vertrok hij naar Gezur en haalde Absalom terug naar Jeruzalem. Toen zei de koning, laat hij rechtstreeks naar zijn huis gaan, want ontvangen zal ik hem niet. Zo keerde Absalom naar huis terug, maar door de koning werd hij niet ontvangen. Nu was er in heel Israël geen man die zo onzaan uitelijk bewonderd werd als Absalom. Van voedsel tot kruin was er niets dat hem onsierde. Wanneer hij zijn hoofd haar knipte, hij moest het elk jaar afknippen, anders werd het te zwaar. Woogde dat wel tweehonderd shekel volgens het koninklijk eikgewicht. Absalom had drie zonen en ook een dochter, die Tamer het. Zij groeide op tot een mooie vrouw. Toen Absalom twee jaar in Jeruzalem woonde zonder dat hij door de koning was ontvangen, riep hij Joab bij zich om hem te vragen of hij bij de koning wilde bemiddelen. Maar Joab wilde niet komen. Opnieuw liet hij Joab roepen, en opnieuw weigerde deze. Daarop zei hij tegen zijn knechten: Zien jullie die akk van Joab hiernaast, waar hij gers heeft staan? Ga erheen en steek de akk in brand. De knechten van Absalom deden wat hun was opgedragen. Toen kwam Joab naar het huis van Absalom en vroeg hem: Waarom hebben uw knechten mijn akk in brand gestoken? Absalom antwoordde: Ik heb u laten roepen om u te vragen naar de koning te gaan en hem uit mijn naam te zeggen: Waarom ben ik eigenlijk uit Gezer teruggekomen? Het was beter geweest als ik daar was gebleven. Ik wil nu dat u mij ontvangt. Als mij iets te verwijten valt, laat me dan ter dood brengen. Joab ging naar de koning en vertelde het hem. Toen liet de koning Absalom komen. Hij knielde voor de koning en boog diep voor over, en de koning kuste Absalom.
SPEAKER_01Zalm 142.
SPEAKER_00Een kunstig lied van David: een gebed toen hij in de spelenke was. Hoho, luid roep ik tot de Heer. Luid smeek ik de Heer om genade. Bij Hem stort ik mijn hart uit. Bij Hem klag ik mijn nood. Ik ben ten einderaad, u kent de weg die ik moet volgen, U weet dat op mijn pad een strik verborgen ligt. Ik kijk om me heen en zie niemand die om mij geeft, nergens een toevlucht voor mij, niemand die hecht aan mijn leven. Ik roep tot uw Heer, U bent mijn schelplaats, al wat ik heb in het land der levenden. Hoor mijn noodkreet, ik ben uitgeput en moe. Verlos mij van mijn vervolgers, zij zijn sterker dan ik. Bevrijd mij uit de kerker dat ik uw naam mag loven in de kring van de rechtvaardigen. U hebt naar mij om gezien. Bedankt voor het luisteren naar deze aflevering van de Bijbel in een jaar podcast van Zeilag. Luister je morgen weer.
Podcasts we love
Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.
Zij Lacht - Elke Dag
Nederlands - Vlaams Bijbelgenootschap