Zij Lacht - Bijbel in 1 Jaar
Speciaal voor de Bijbel in een Jaar lezers van Zij Lacht! Salisa heeft elke dag het Bijbelgedeelte van de dag voor je ingesproken zodat je deze waar je ook bent kunt luisteren!
Zij Lacht - Bijbel in 1 Jaar
Dag 174 - 2 Samuel 15 tot en met 17 en Psalm 129
Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.
Vandaag lezen we 2 Samuël 15 tot en met 17 en Psalm 129 uit de NBV21.
📱 Volg Zij Lacht ook op Instagram voor een portie Waarheid tijdens het scrollen.
📖 Wil jij samen met andere vrouwen de Bijbel openen? Dat kan! Start een Zij Lacht groep via onze community of sluit je aan bij een bestaande groep.
Je luistert naar de Bijbel in een Jaar podcast van Zijlacht. Mijn naam is Elisa. Dit is dag 174. We lezen 2 Samuel 15 tot en met 17 en Psalm 129.
SPEAKER_012 Samuel 15. Absalon grijpt naar de macht.
SPEAKER_00Enige tijd later liet Absalon een wagen maken, schafte zich paarden aan en nam een escorte van 50 man in dienst. Elke ochtend vroeg, stelde hij zich op bij de stadspoort. Hij sprak iedereen aan die op weg was naar de koning om een uitspraak te vragen in een rechtsgeschil. Waar komt u vandaan? vroeg hij dan. En wanneer het antwoord luide: uit dat in dat stamgebied van Israël: dan zei Absalom: Hoor eens, ook al hebt u volkomen gelijk, bij de koning zult u geen gehoor vinden. En hij vervolgde: Waarom word ik niet aangesteld tot de rechter van dit land? Ik zou iedereen recht verschaffen die een geschil of een rechtsvordering aan me kwam voorleggen. Wanneer zo iemand dan voor Absalom wilde neerknielen, breide Absalom zijn armen uit en omhelzde hem. Zo trad hij iedereen uit Israël tegemoet die in uitspraak kwam vragen bij de koning. En op die manier palmde hij het volk van Israël in. Toen er vier jaar verstreken waren, zei Absalom tegen de koning: Ik vraag uw toestemming om naar Hebron te gaan en de gelofte in te lossen die ik de Heer heb gedaan. Ik heb tijdens mijn verblijfde, Geezer in Aram, namelijk aan de Heer, beloofd, dat ik hem eer zou bewijzen, wanneer hij ervoor zorgde dat ik in Jeruzalem terugkeerde. De koning antwoordde: ga gerust. Absalom ging op weg naar Hebron. Hij stuurde handlangers vooruit naar alle stamgebieden van Israël met de boodschap: zodra het geluid van de ramshoorn klinkt, moeten jullie dit bekendmaken. Absalom is in Hebron tot koning uitgeroepen. Twee honderd genodigden uit Jeruzalem, vergezelde Absalom op weg naar Hebron. Ze gingen niets vermoedend en volkomen te goede trouw met hem mee. Ook al liet hij achitofel, de raadseer van David, uit diens woonplaats Gilo overkomen voor het offermauw. Steeds meer mensen sloten zich bij Absalom aan. Zo ontstond een wijdvertakte samenswering. David vlucht uit Jeruzalem. Toen David bericht kreeg dat het volk van Israël de kant van Absalom had gekozen, zei hij tegen zijn hovelingen: kom, we moeten vluchten. Willen we aan Absalom omkomen. Snel, we moeten hem voorblijven, want als hij ons hier in Jeruzalem overvalt, zal hij een bloedebad aanrichten, en is het met ons gedaan. Zoals u wilt, mijn Heer en koning, antwoordde de hovelingen: wij staan tot uw beschikking. De koning vertrok en zijn hele hofhouding volgde hem. Hij liet echter tien van zijn bijvrouwen achter om zorg te dragen voor het paleis. De koning vertrok en al zijn soldaten volgden hem. In bed Hammergak hielden ze halt. Nadat de lijfwacht van kerentiete en Peletite aan de koning voorbij getrokken was, kwamen ook zeshonderd gatieten voorbij, die zich bij hem hadden aangesloten. De koning zei tegen hun leider, Itaai, maar u hoeft toch niet met ons mee te gaan. Keer terug en voeg u bij de nieuwe koning. U bent immers een vreemdeling, verbannen uit uw eigen woonplaats. U bent pas onlangs aangekomen, dan kan ik toch niet van u verlangen dat u nu weer met ons meegaat. Ik weet zelf niet eens waar ik terecht zal komen. Keer terug en neem uw mensen met u mee. Mogen de Heer uw goed en welwillend behandelen. Maar Itaai antwoordde: Zo waar de Heer leeft, en zo waar u leeft, mijn Heer en koning, ik zal u volgen waar u ook gaat, in leven of dood. Goed, zei David tegen Itaai, u kunt meegaan. Daarop ging Itaai weer verder, met iedereen die bij hem was mannen, vrouwen en kinderen. Het volk jammerde luid keels terwijl het leger voorbij trok. Toen de koning de kiedron overstak en het leger de weg naar de woestijn insloeg, zag hij Sadok en de Levite, die de ark van het verbond met God droegen. Ze zette de ark van God neer en Appjatar bracht brandoffers tot iedereen vanuit de stad voorbij getrokken was. De koning zei tegen Sadok: Breng de ark van God terug naar de stad. Als de Heer mijn gunstige zind is, zal Hij zorgen dat ik terugkeer en de ark terugzie op zijn eigen plaats. Maar als de Heer mij afwijst, dan zal ik me daarbij neerleggen. Hij mag met me doen wat Hij het beste vindt. En Hij vervolgde: uw en Appar kunnen gerust teruggaan naar de stad en dan uw zone Agimaas en Jonathan met u meenemen. Ikzelf zal wachten in de woestijn, waar men de Jordaan kan oversteken, tot ik bericht van u krijg. Sadok en Appar brachten de ark van God dus terug naar Jeruzalem en bleven in de stad. David ging de helling van de olijfberg op. Jammerend klom hij naar boven, zijn hoofd bedekt en barren voets. Alle die met hem meegingen, hadden hun hoofd bedekt en klommen jammerend naar boven. Toen kreeg David bericht dat Achitoel zich bij de samenswering van Absalom had gevoegd. En hij riep uit: Ach, Heer, verijdel toch de plannen van Achitovel. Toen David de gebedsplaats op de top van de berg had bereikt, kwam de arquiet Gusai hem tegemoet. Hij had zijn kleren gescheurd en stof over zijn hoofd geworpen. David zei tegen hem: Als u met meegaat, bent u me alleen maar tot last. Gaat u liever terug naar de stad en zegt tegen Absalom: Mijn koning, uw dienaar zal ik zijn. Zoals ik vroeger uw vader heb giend, zo zal ik nu u dienen. Op die manier kunt u voor mij de plannen van Architoel verijden. De priesters Sadok en Appjatar zijn daar namelijk ook. Alles wat u in het paleis ter oren komt, moet u aan hen beide doorvertellen. Zij hebben hun twee zonen bij zich, Achimaas en Jonathan. Laat hen alles aan mij doorgeven wat u ter oren komt. Gezai, de vertrouwing van David, kwam in Jeruzalem aan juist toen Absalom de stad binnentrok, 2 Samuel 16. Naulijks was David de top van de berg over, of daar kwam Sibba, de dienaar van me boos, hem met een span ezels tegemoet. Deze waren bepakt met twee honderd broden, honderd plakken rozijnen, honderd verse vruchten en een zak wijn. Wat hebt u daar? vroeg de koning, en Sibba zei: De ezels zijn voor de koninklijke familie om erop te rijden. Het brood en de vruchten zijn voor de soldaten om te eten en de wijn is om te drinken voor wie uitgeput raakt in de woestijn. De koning vroeg, en waar is de kleinzoon van uw meester Sal? Siva antwoordde: Die is in Jeruzalem gebleven, omdat, zoals hij zei, het volk van Israël hem vandaag het koningschap van zijn grootvader teruggeeft. Toen zei de koning tegen Siva: dan is alles wat Mevi bozet bezit, voortaan van u. En Siva zei: Ik dank mijn Heer en koning Nederig dat hij mij zo gunstig gezind is. Zodra David bij Bagurim was aangekomen, kwam er iemand aanlopen uit de familie van Sal, een zekere Simi, de zoon van Gera. Vloekend en tierend kwam hij aanlopen. En hoewel David door zijn lijfwacht van heldhaftige soldaten was omringd, bekogelde hij de koning en zijn gevolg met stenen. Hij vloekte en schreeuwde, maak dat je wegkomt, moordenaar. Stuk ongeluk: je hebt je de troon van Sal toegeëigend. Nu wreek de Heer het bloed van Sal en zijn familie aan jou, en geeft Hij het koningschap aan Absalom, je zoon. Dat is je verdiende loon, moordenaar die je bent. Albisai, de zoon van Seruja, zei tegen de koning, Hoe waagt dat hondsvod, het mijn Heer en koning te vervloeken. opzij, ik sla zijn kopper af. Maar de koning zei: Wat heb ik met jullie te maken, zonen van Seruja? Hij vervloekt mij, en wat dan nog? Dat heeft de Heer hem natuurlijk ingegeven. Wat vraag je dan, hoe waagt hij het? En tegen het hele gezelschap vervolgde David: luister, mijn bloed eigen zoon staat me naar het leven. Zou deze afstammeling van Benjamin me dan met rust laten? Laat hem maar vloeken. De Heer heeft het hem immers ingegeven. Misschien merkt de Heer mijn ellende op en vergoed Hij me later de vervloeking van vandaag. Toen zette David en zijn gevolg zich weer in beweging. Simi bleef op een iets hoger gelegen bergriegel, vloekend en tierend met hem meelopen, gooide met stenen en joeg stofwolken op. Ten slotte kwamen de koning en zijn soldaten aan in Aïjevim. Daar konden ze uitrusten. Krijgsraad bij Absalom. Intussen kwamen Absalom en zijn manschappen, het leger van Israël in Jeruzalem aan. Ook Achito was bij hem. Toen kwam Gusij, de vertrouwing van David, naar Absalom toe. Leven de koning, leven de koning, riep hij uit. Absalom vroeg hem, is dat nu vriend het trouw? Had u niet met uw vriend mee moeten gaan? Nee, antwoordde Gusij. Wien zijde de Heer en het volk en het leger van Israël kiezen, aan diens zijde sta ik en aan diens zijde blijf ik. Bovendien, u bent toch zijn zoon, wie zou ik anders dienen? Zoals ik vroeger in dienst stond van uw vader, zo zal ik ook u van dienst zijn. Daarna wende Absalom zich tot Achitovel: Geeft u ons raad, hoe moet het nu verder? Achitovel sprak: Ga naar de bijvrouwen die uw vader heeft achtergelaten, om zorg te dragen voor het paleis. Dan zal heel Israël vernemen dat U het gewaagd hebt uw vader te trotseren, en dat zal al uw aanhangers moed geven. Dus werd er voor Absalom een tent neergezet op het dak van het paleis, en voor de ogen van heel Israël nam Absalom bezit van de bijvrouwen van zijn vader. In die dagen nam men een raadgeving van Achitovel even zeer ter harte als wanneer men God zelf om een uitspraak vroeg. Dat God voor elke raad van Achitovel, zowel voor David als voor Absalom.
SPEAKER_0127.
SPEAKER_00Achitovel zei tegen Absalom: laat mij twaalfduizend mannen uitkiezen en achter David aangaan, vannacht nog. Ik zal hem overrompelen wanneer hij uitgeput en ontmoedigd is, zodat al zijn soldaten op de vlucht slaan. Ik zal alleen de koning doden en het leger naar u terugsturen. De dood van de man die u naar het leven staat, betekent immers dat het leger kan terugkeren. Alle zullen ongedeerd blijven. Dit voorstel vond instemming bij Absalom en de oudste van Israël. Toch liet Absalom ook de arquiet Gusij roepen. Laten we horen wat hij ervan denkt. Toen Gusij bij Absalom kwam, vroeg deze hem: dit is het voorstel van Achito. Moeten we doen wat hij zegt, of denkt u er anders over? Ditmaal is de raad die Achofel gegeven heeft, niet goed. En hij vervolgde: U kent uw vader en zijn mannen, U weet, het zijn heldhaftige soldaten. Bovendien zijn ze verbitterd, als een berin die beroofd is van haar jongen. Uw vader is trouwens een ervaren krijgsman. Hij zal de nacht niet doorbrengen bij zijn manschappen. Hij houdt zich natuurlijk ergens schuil, in een spelonk of op een andere goede plek. Wanneer hij dan als eerste aanvalt, zal zich het gerucht verspreiden dat er een slachting is aangericht onder de aanhangers van Absalom. Zelfs wie zo dapper is als een leeuw, zal sidderen, want heel Israël weet dat uw vader een held is en zijn aanhangers dappere krijgers. Daarom raad ik u aan. Roep alle troepen van Israël op, van Dan tot Perseba, zoveel mannen als er zand is bij de zee, en trek zelf mee ten strijden. Waar hij ook is, we zullen hem vinden, we zullen hem overvallen zoals dauw op de aarde valt. En niemand zal in leven blijven. Hij nog een van zijn aanhangers. En mocht hij zich in een of andere stad verschansen, dan laten we uit heel Israël touwen aandragen. En slepen we die stad het ravijn in, tot er geen steen meer van over is. Absalom en de Israëlieten vonden de raad van Gusai beter dan die van Achito. Zo beschikte de heer dat het goede krijgsplan van Achito werd verijdeld, omdat hij Absalom te gronden wilde richten. David gewaarschuwd. Gusai vertelde aan de priesters Sadok en Appjatar welke raad Achito aan Absalom en de oudste van Israël had gegeven, en wat hij zelf had aangeraden. Toen zei hij: zend zo snel mogelijk bericht naar David dat hij de nacht niet doorbrengt aan deze kant van de Jordaan, maar onmiddellijk oversteekt. Anders worden hij en iedereen die bij hem is van de aardbodem weggevaagd. Jonathan en Agimaas stonden bij de rogelbron te wachten tot een slavin hun het nieuws kon vertellen. Zij zouden het dan weer overbrengen aan koning David. In de stad konden ze zich natuurlijk niet laten zien. Maar een jongen zag ze toch en vertelde dat aan Absalom. Jonathan en Agimaas haasten zich naar Bachurim. Daar kwamen ze bij een man die op het erf van zijn huis een put had, waarin ze zich verstopten. Zijn vrouw spreide een zak over de opening van de put en strooide daar gerst over uit, zodat er niets te zien was. Toen de mannen van Absalom bij het huis aankwamen, vroegen ze haar: waar zijn Agimaals? En Jonathan, die zijn de watergang overgestoken, antwoorden ze. De mannen zochten, maar ze konden hen niet vinden en keerden terug naar Jeruzalem. Toen ze waren verdwenen, klommen Jonathan en Agimaals weer uit de put. Ze gingen naar Koning David en brachten hem het bericht over. Snel, steek onmiddellijk het water over, want Achito heeft aangeraden u te overrompelen. David en het volk dat bij hem was, begonnen onmiddellijk de Jordaan over te steken. En toen de morgen aanbrak, bevond iedereen zich aan de overkant van de rivier. Toen Achito merkte dat zijn raad niet werd opgevolgd, zadelde hij zijn ezel en ging terug naar huis, naar Gilo. Thuis wikkelde hij zijn zaken af en daarna verhing hij zich. Hij werd begraven in het graf van zijn vader. De dood van Absalom. David was inmiddels gevorderd tot Machanaim, toen Absalom de Jordaan overstak met heel het leger van Israël bij zich. In Joabs plaats had Absalom Haza als opperbevelheber aangesteld. Deze Amaza was een zoon van de Israëliet Jitra en Abichol, de dochter van Nagas en een zus van Joabs moeder Seruja. Absalom sloeg met het leger van Israël zijn kamp op in Giliad. Toen David in Magenaï aankwam, werd hij bevoorraad door Sobi, de zoon van Nagas uit Rabba, de hoofdstad van Ammon, door Machir, de zoon van Amiel uit Lod Debar en door de Gileadiet Barzilla, uit Rochelim. Ze brachten hem en zijn mannen dekens, kookerij en voedsel, tarwe, gers, meel, geroosterd graan, bonen en linzen en honing, boter, kaas en schapen en geiten. Want, zeiden ze, u alle zult in de woestijn wel uitgeput zijn geraakt en hongerig en dorstig, Psalm 129. Een pelgrimslied: Dikwijs werd ik gweld, van mijn jeugd af aan. Israël blijft het herhalen. Dickwels werd ik geweld, van mijn jeugd afaan, maar gebroken hebben ze mij niet. Ze trokken hun ploeg over mijn rug en maakten lange voren, maar de Heer die rechtvaardig is, sneed de riemen van de drijvers door. Beschaamd deinen ze terug alle die Sion haten. Ze zijn als gras op de daken dat verdort nog voor het opschiet. De maaier vult er zijn hand niet mee, nog de schoven binder zijn armen en geen voorbijganger zegt: mog de Heer u zegen. Wij zegen u in de naam van de Heer. Bedankt voor het luisteren naar deze aflevering van de Bijbel in een Jaar podcast van Zijlacht. Luister je morgen weer.
Podcasts we love
Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.
Zij Lacht - Elke Dag
Nederlands - Vlaams Bijbelgenootschap