Zij Lacht - Bijbel in 1 Jaar

Dag 175 - 2 Samuel 18 tot en met 20 en Psalm 141

Zij Lacht Season 2026 Episode 175

Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.

0:00 | 23:05

Vandaag lezen we 2 Samuel 18 tot en met 20 en Psalm 141 uit de NBV21.

📱 Volg Zij Lacht ook op Instagram voor een portie Waarheid tijdens het scrollen.
📖 Wil jij samen met andere vrouwen de Bijbel openen? Dat kan! Start een Zij Lacht groep via onze community of sluit je aan bij een bestaande groep.

SPEAKER_01

Je luistert naar de Bijbel in een jaar podcast van Zijlacht. Mijn naam is Elisa. Dit is dag 175 We lezen 2 Samuel 18 tot en met 20 en Psalm 141, 2 Samuel 18. David monsterde zijn troepen en stelde over elke eenheid van duizend en van honderd man een bevelhewer aan. Hij verdeelde het leger in drieën. Een derde deel kwam onder bevel van Joab, een derde deel onder bevel van diens broer Abisai, en een derde deel onder bevel van de gatiet I. De koning sprak tot de troepen: ik zal persoonlijk met jullie ten strijde trekken. Nee, doe u dat niet, weerpe ze tegen. Als wij moeten vluchten, zal niemand dat erg vinden. Zelfs als de helft van ons sneuvelt, zal niemand dat erg vinden. Maar u bent evenveel waard als tienduizend van ons. Daarom is het beter dat U ons vanuit de stad bijstaat. De koning antwoordde: ik zal doen wat jullie het beste lijkt. Hij stelde zich op bij de poort en de troepen rukte uit in eenheden van honderd en van duizend. Aan Joab, Abisai en Itaai bevall hij: Treed niet te hart op tegen mijn jongen. Tegen Absalom. Heel het leger hoorde wat de koning de bevelhebbers omtrent Absalom optroeg. Het leger trok ten strijde. Israël tegemoet. In de bossen van Efreem kwam het tot een treffe. Daar werd het leger van Israël verslagen door de mannen van David. Het was een zware slag. Er sneuvelde die dag twintig duizend man. De strijdende partijen raakte over het hele gebied verspreid. Er werden daar die dag meer mannen verslonden door het woud dan door het zwaard. Absalom, die op zijn mijdier reed, kwam plotseling oog in oog te staan met een aantal soldaten van David. Toen het mijdier onder een grote tere bind doorging, raakte Absalom met zijn haren verstrikt in de takken. Zo bleef hij hangen tussen hemel en aarde, terwijl het mijldier verder draafde. Een van de soldaten zag het en vertelde het aan Joab: Ik heb Absalom gezien. Hij hangt in een boom. Wat? riep Joab, heb je hem gezien? Waarom heb je hem dan niet meteen gedood? Ik had je er tien shekel zilver en een koppelriem voor gegeven. Maar de soldaat antwoordde Joab, al zou u duizend shekels zilver in mijn hand uitwegen. Dan nog zou ik mijn hand niet opheffen tegen de zoon van de koning. De koning heeft u en Abisai en Ita, immers ten overstaan van ons al, bevolen zijn zoon Absalom te sparen. En zelfs al zou ik tegen dat bevel zijn ingegaan, voor de koning blijft niets verborgen. En dan zou u zich buiten schot houden. In tegendeel, riep Joab, ik ga voorop. Hij greep drie stokken en stootte daarmee Absalom, die nog levend in de boom hing, in de borst. Tien van Joabs soldaten, zijn wapendragers, gingen om Absalom heen staan en sloegen op hem in tot hij dood was. Toen blies Joab op de ramshoorn ten teken dat de achtervolging van het leger van Israël moest worden gestaakt. Ze maakte Absalom los, gooide hem ter plekke in een diep gat en stapelde er een grote berg stenen overeen. Het leger van Israël vluchte, ieder keerde terug naar zijn eigen woonplaats. Absalom had bij zijn leven voor zichzelf een gedenksteen opgericht in de koningsvallei, omdat hij, zoals hij zei, geen zoon had om zijn naam te doen voortleven, gaf hij de gedenksteen zijn eigen naam. Tot op de dag van vandaag wordt deze het gedenkteken van Absalom genoemd. David rouwt over Absalom. Achimaas, de zoon van Sadok, vroeg aan Joab: Laat mij uw koerier zijn en het goede nieuws aan de koning gaan brengen, dat de Heer hem recht heeft gedaan en hem uit de handen van zijn vijanden heeft bevrijd. Joab antwoordde: Maar je hebt geen goed nieuws vandaag. Een andere keer kun je goed nieuws brengen, maar vandaag heb je geen goed nieuws, want de zoon van de koning is dood. En hij gaf een Nubier opdracht om aan de koning te gaan vertellen wat hij gezien had. De Nubier boog voor Joab en rende weg. Maar Agimaas hield aan: toch wil ik ook koerier zijn. Laat mij de Nubier achterna gaan. Joab vroeg, waarom wil je dat dan, mijn jongen? Als je geen nieuws te vertellen hebt dat de moeite waard is. Toch doe ik het. Ga dan maar, zei Joab. En de Agimaals rende weg over de vlakte en haalde de Nubier in. David had plaatsgenomen in het poortgebouw. De wachtpost ging op het dak van de stadspoort op de uitkijk staan. Daar zag hij iemand komen aanrennen, alleen. Hij riep de koning toe wat hij zag. En de koning zei: als hij alleen is, brengt hij goed nieuws. De koerier kwam steeds dichterbij. Toen zag de wachtpost nog iemand rennen en hij riep naar de poortwachter, daar komt nog iemand aanrennen, ook alleen. De koning zei: ook hij brengt goed nieuws. Toen zei de wachtpost: Aan de loop van de eerste koerier herken ik Agimaas, de zoon van Sadok, die is betrouwbaar, zei de koning. Dus hij komt zeker goed nieuws brengen. Alles is goed, riep Achimaas de koning toe, en hij knielde, boog diep voor over en zei: Geprezen zij de Heer, uw God, die degene die hun hand tegen de koning hebben opgeheven, aan ons heeft uitgeleverd. En is alles goed met mijn jongen, met Absalom, vroeg de koning. Agimaals antwoordde: toen Joap de koerier en mij op weg stuurde, zag ik net een grote oploop ontstaan. Maar wat er precies aan de hand was, weet ik niet. Wacht hier even, zei de koning, en dat deed Agimaals. Toen kwam de Nubier binnen, hij zei, Ik breng u goed nieuws, mijn Heer en koning, vandaag heeft de Heer uw recht gedaan, en u bevrijdt uit de handen van degenen die tegen u in opstand waren gekomen. En is alles goed met mijn jongen met Absalom? vroeg de koning. De Nubier antwoordde: mogen het al uw vijanden en al uw tegenstanders vergaan, zoals uw zoon.

SPEAKER_00

2 Zamuel 19.

SPEAKER_01

Toen voer er een ziddering door de koning, jammerend trok hij zich terug in het vertrek boven de poort. Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom, was ik maar dood in plaats van jij. Absalom, mijn zoon, mijn zoon. Men vertelde aan Joab dat de koning helde en rouwde over Absalom. Toen het leger hoorde dat de koning treurde om zijn zoon, sloeg de overwinningsroes om in een rauwstemming. Als dieven in de nacht slopen de soldaten die dag de stad binnen. Als een leger dat zich schaamd dat het de strijd is ontvlucht. De koning had zijn gezicht in zijn handen verborgen en schreeuwde luid: Mijn zoon, Absalom, Absalom, mijn zoon, mijn zoon. Toen ging Joap bij de koning binnen en zei: Vandaag hebt u al uw soldaten te schande gemaakt, terwijl zij uw leven en dat van uw zonen en dochters en dat van uw vrouwen en bijvrouwen hebben gered. U haat degene die u lief hebben, en u hebt degene die uw haten lief. Vandaag hebt u laten merken dat u geen waarde hecht aan uw bevelhebbers, nog aan uw manschappen. Vandaag weet ik zeker dat u het beter zou vinden wanneer Absalom nog in leven was en wij allemaal waren gesneuveld. Kom aan, sta op, ga naar buiten en steek uw mannen een hart onder de riem, want bij de Heer, ik zweer u, als u nu niet naar buiten gaat, is er vannacht geen man meer bij u. En dat zou erger zijn dan al het kwaad dat u tot nu toe in uw leven is overkomen. De koning stond op en ging naar buiten. Men vertelde aan het leger dat de koning in de doorgang van de poort had plaatsgenomen, en het hele leger kwam zijn opwachting maken bij de koning. David keert terug naar Jeruzalem. De Israëlieten waren gevlucht, ieder naar zijn eigen woonplaats. In heel het land, bij alle stammen van Israël, was men druk aan het beraadslagen. De koning heeft ons bevrijd uit de greep van onze vijanden. Hij was het die ons heeft gered uit de handen van de Filistijen. Nu is hij het land uitgevlucht voor Absalom. Maar Absalom, die wij tot koning hadden gezald, is in de strijd gesneuveld. Laten we daarom een daad stellen en de koning naar huis terughalen. De uitspraak van de Israëlieten kwam de koning ter oren. Daarop zond koning David het volgende bericht aan de priesters Sadok en Appjatar. Zeg tegen de oudsten van Juda: Waarom zou u de laatste zijn om de koning naar huis terug te halen? U bent mijn broeders, mijn vlees en bloed. Waarom zou u de laatste zijn om de koning terug te halen? En tegen Amazah moet u zeggen: Bent u niet mijn vlees en bloed? U zult vooraan het bevel over mijn leger voeren in plaats van Joap. En anders mag God met mij doen wat Hij wil. Op die manier won hij de Judeërs als één man voor zich. Ze stuurde bericht naar de koning: keer terug met al uw manschappen. De koning begaf zich op de terugreis. Toen hij bij de Jordaan kwam, stonden de Judeërs bij Gilgal klaar om de koning te verwelkomen en hem te begeleiden bij het oversteken van de rivier. Onder hen bevond zich de Benjamin Simi, de zoon van Chera uit Bachurim. Haastig ging hij koning David tegemoet. Met hem waren duizend Benjamin meegekomen. Ook Sibha, de dienaar van de familie van Sol, was erbij met zijn vijftien zonen en twintig knechten. Nog voor de koning de oever van de Jordaan had bereikt, rende zij de rivier in. Ze waren door het water om de koning en zijn hofhouding naar de overkant te helpen en zo een goede indruk op hem te maken. Toen de koning op het punt stond om de Jordaan over te steken, viel Simi voor hem op zijn knieën en zei: Mijn Heer, vergeef me alstublieft wat ik u heb misdaan. Ik smeek u, vergeet dat ik me tegen u heb misdragen op de dag dat u wegging uit Jeruzalem. Mijn Heer en koning, en reken het me niet aan. Ik, uw dienaar, weet dat ik gezondig heb. Daarom, mijn Heer en Koning, ben ik u vandaag als eerste van alle nakomelingen van Jozef tegemoet gekomen. Abisai, de zoon van Zeruja, nam het woord en zei: verdien toch zeker de dood, hij heeft immers de gezalden van de Heer vervloekt. Maar David antwoordde: wat heb ik met jullie te maken, zonen van Zeruja? Juist vandaag moeten jullie me niet tegenwerken. Vandaag wordt in Israël niemand ter dood gebracht, want vandaag weet ik dat mijn koningschap over Israël is hersteld. En tegen Simi zei de koning, U zult niet sterven. En hij zwoerde hem. Ook Mefi boozed, de kleinzoon van Sal, was de koning tegemoet gekomen. Vanaf de dag dat de koning was weggegaan tot nu, de dag waarop hij ongedeerd terugkeerde, had Mevi Boozet zijn voeten niet gewassen, zijn baard niet verzorgd en zijn kleren niet verschoon. Toen hij de koning vanuit Jeruzalem tegemoet kwam, vroeg deze hem: waarom bent u niet met mij meegegaan, Hij antwoordde: Mijn Heer en koning, mijn dienaar heeft me bedrogen. U moet weten dat ik me had voorgenomen om mijn ezel te zadelen en met u mee te rijden, omdat ik immers kreupel ben. Toen heeft hij me erin laten lopen met zijn valse beschuldiging tegenover u. Maar mijn Heer en koning is als een engel van God. Doet u wat u het beste vindt. U had het in uw macht om heel mijn familie ter dood te brengen, maar u nam mij op aan uw hof. Met welk recht zou uw dienaar zich dan nu nog bij u beklagen? De koning antwoordde genoeg hierover. U en Sibar moeten het land maar delen. Toen zei Mefibozet tegen de koning: nu u ongedeerd bent teruggekomen, mijn Heer en koning, mag Gij wat mij betreft zelfs alles hebben. De Gilead Barzillai was uit Rocheliem gekomen en had de koning vergezeld naar de Jordaan om hem uitgeleide te doen bij de oversteek van de rivier. Hij was al heel oud, wel tachtig jaar. Hij had de koning tijdens diens verblijf in Magenaïm van al het nodige voorzien. Hij was een zeer vermogend man. De koning zei tegen hem: Barzilli, ga met me mee de rivier over. Dan zal ik u, bij mij in Jeruzalem, van al het nodige voorzien. Maar Barzillai antwoordde: ik ben aan het einde van mijn levensdagen. Waarom zou ik nog met de koning meegaan naar Jeruzalem? Ik ben u tachtig jaar. Wat valt er voor mij nog te genieten van het leven? Kan ik nog proeven wat ik eet en drink? Kan ik de stem nog horen van zangers en zangeressen? Waarom zou ik u dan nog tot last zijn, mijn Heer en Koning? Ik zou zelfs nauwelijks in staat zijn met uw rivier over te steken. Waarom zou u mij op die manier belonen? Laat uw dienaar toch teruggaan, zodat ik kan sterven in mijn eigen stad, bij het graf van mijn vader en mijn moeder. Neem liever Kimham met u mee, mijn Heer en Koning, en behandel hem zoals U voor ogen staat. De koning antwoordde: Kimham zal met mij meegaan, en ik zal hem behandelen zoals U voor ogen staat. Ik zal doen zoals u wenst. Ondertussen stak het leger de Jordaan over. Toen de koning aan de beurt was om over te steken, bedankte Hij Barzilla en kuste hem waarwel. Barzillai ging terug naar zijn woonplaats. En de koning vervolgde zijn reis naar Gelchal, Kimham ging met hem mee. Afgunst tussen Juda en Israël. Heel het volk van Juda had de koning bij zijn doortocht begeleid, en de helft van het volk van Israël. De Israëlieten kwamen op de koning af en vroegen hem: waarom hebben onze broeders, de Judeërs, beslag op u gelegd door uw en uw gevolg bij het oversteken van de Jordaan te begeleiden, terwijl u al omringd was door uw manschappen, maar de Judeërs weer betegen, de koning is immers aan ons verwant. Waarom maken jullie je zo kwaad? Laten we ons soms door de koning onderhouden? Worden we soms door hem bevoordeeld? De Israëlieten antwoorden: wij hebben tien keer zoveel aandeel in het koningschap, en ook op David hebben wij meer recht dan jullie. Waarom doen jullie zo gering schattend? Hebben wij soms niet als eerste besloten dat we onze koning zouden terughalen? Maar de Judaiërs stonden sterker dan de Israëlieten.

SPEAKER_00

2 Zamuel 20.

SPEAKER_01

Nu was er onder de Israëlieten ook een echte onrustzoker, een zekere Seba, de zoon van Bigri uit de stam Benjamin. Hij blies op de rams hoorn en zei: Wat hebben wij met David te maken? Wij hebben niets gemeen met de zoon van Isaïe. We breken op volk van Israël. Alle Israëlieten keerden David de rug toe en volgden de Benjamin Seba. Maar de Judeërs bleven hun koning vergezellen van de Jordaan tot aan Jeruzalem. Toen koning David in zijn paleis in Jeruzalem kwam, stelde hij de tien bijvrouwen die hij als huis bewaarsters had achtergelaten, in bewaring in een eigen huis. Hij bleef hen onderhouden, maar had geen omgang meer met hen. Zo bleven zij tot aan de dag van hun dood opgesloten als onbestorven weduwe. De koning zei tegen A: Roep alle mannen van Juda bijeen en meld u binnen drie dagen weer bij mij. Aasa ging op weg om de Judeërs bijeen te roepen, maar op de afgesproken tijd was hij nog niet terug. Toen zei David tegen Abisai: Seba, de zoon van Bichri vormt een nog grotere bedreiging voor ons dan Absalom. Abisai: Neemt u dan mijn leger onder uw bevel en ga achter hem aan, voordat hij onze versterkte steden voor zich wint. Want dan staan wij met lege handen. De mannen van Joab, de Keretite en Peletite en al Davids helden sloten zich bij Abisai aan en zette vanuit Jeruzalem de achtervolging op Seba in. Bij de grote steen in Gibeon kwamen ze Amaza achterop. Joab droeg vechtskleding met daarop een koppelriem, waarin zijn zwaard gestoken was. Toen hij een stap naar voren deed, gleed het zwaard uit de scheden. Is alles goed met je Amaza? vroeg hij, en hij greep hem met zijn rechterhand bij zijn baard om hem te kussen. Amaza was niet verdacht op het zwaard dat Joab in zijn andere hand hield. Joab stak Amaza in de buik, zodat zijn ingewanden naar buiten kwamen. Hij hoefde geen tweede maal te steken. De verwonding was dodelijk. Joab en zijn broer Abisai zette de achtervolging van Seba voort. Een van Joabs wapendragers bleef bij Amaza staan en riep wie het goed meend met Joab, wie voor David is hij volge Joab. Amaza lag op de weg, stuitrekkend in zijn bloed. Toen de wapendrager merkte dat de soldaten stil bleven staan, rolde hij Amaza van de weg af, het veld in, en wiep een kleed over hem heen, omdat iedereen die langs hem kwam stilhield. Toen Amaza van de weg was verwijderd, volgde alle Joab Zeba achterna. Seba was dwars door Israël naar Abel Bed Maag getrokken, alle bigen hadden zich bij hem aangesloten. Toen kwam ook Joab met zijn leger bij Abel Bed Maaga en sloot hem daarin. Ze wierpen een bestoringsdam op tegen de muur van de vesting en bestookte van daar af met man en macht de stadsmuur. Toen riep een wijze vrouw vanuit de stad: luister, luister. Vraag of Joab dichterbij komt, zodat ik met hem praten kan. Joab kwam naderbij en de vrouw vroeg: Bent u Joab? Jaz, zeker, antwoordde hij. Luister naar wat ik u te zeggen heb, zei de vrouw. En Joab antwoordde: Ik luister. Toen zei de vrouw: vroeger bestond er een zegswijze. Wie een abel om raad vraagt, komt nooit bedrogen uit. Wij zijn vrede lievende en getrouwe Israëlieten, maar u, u wilt een stad van de aardbodem wegvagen, die als een wijze moeder is in Israël. Waarom vergrijpt u zich aan het grondgebied van de Heer? Geen sprake van, antwoordde Joap: Ik ben er beslist niet op uit om me aan uw stad te vergrijpen, of haar van de aardbodem weg te vag. Daar is het me niet om te doen. Maar iemand uit het bergland van Ephraim, een zekere Seba, een zoon van Bichri, is in opstand gekomen tegen de koning, tegen David: Lever hem aan mij uit, dan zal ik de stad verder ongemoeid laten. Toen zei de vrouw tegen Joab: Goed, zijn hoofd zal u over de muur worden toegeworpen. De vrouw legde haar wijze raad voor aan de bevolking van de stad, en zij hakte Sebas hoofd af en wirp het Joab toe. Joab blies op de ramshoorn en het beleg van de stad werd opgebroken. De soldaten gingen terug naar hun eigen woonplaats en Joab keerde terug naar Jeruzalem, naar de koning.

SPEAKER_00

Davids ambtenaren.

SPEAKER_01

Joab was opperbevelheber van het leger van Israël. En Benaa de zoon van Jo Jada was bevelheber van de keretite en Peletite. Adoram was opzichter van de Heredienst. Jozefat de zoon van Achilut was kanselier en Zea was hofschrijver. Zadok en Appjatar waren priester.

SPEAKER_00

En ook de Jairiet Ira was priester bij David. Psalm 141. Een Psalm van David.

SPEAKER_01

Heer, u roep ik aan, snel mij te hulp. Luister naar mij, nu ik tot u roep. Laat mijn gebed voor u zijn als een reukwerk, mijn geheven handen als een avondoffer. Zet een wacht voor mijn mond, Heer, een post voor de deur van mijn lippen. Houd mijn hart ver van het kwaad, verleid het niet tot goddeloze daden, met hen die onrecht bedrijven, laat mij niet eten van hun lekkernijen. Zou een rechtvaardige mij slaan, het was mij een weldaad. Zou haar mij straffen het was balsem op mijn hoofd. Zou ik lijden onder de kwade, dan nog bleef ik bidden. En werden hun leiders van de rotsen geworpen, van mij hoorden ze woorden van diernis. Verspreid als de aarde, geploegd en omgewoeld, ligt ons gemeente bij de mel van het doden Rijk. Maar Heer, mijn God, naar U zijn mijn ogen gericht. Bij U schuil ik, giet mijn leven niet weg als water. Behoed mij voor de strik die zij hebben gespannen voor de valkuil van hen die onrecht doen. Laat de Godlozen in hun eigen netten raken en mij alleen ontkomen. Bedankt voor het luisteren naar deze aflevering van de Bijbel in een Jaar Podcast van Zeilacht. Luister je morgen weer.

Podcasts we love

Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.

Zij Lacht - Elke Dag Artwork

Zij Lacht - Elke Dag

Nederlands - Vlaams Bijbelgenootschap
Zij Lacht - Diep Geworteld Artwork

Zij Lacht - Diep Geworteld

Nederlands - Vlaams Bijbelgenootschap