Zij Lacht - Bijbel in 1 Jaar

Dag 176 - 2 Samuel 21 tot en met 24

Zij Lacht Season 2026 Episode 176

Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.

0:00 | 21:56

Vandaag lezen we 2 Samuel 21 tot en met 24  uit de NBV21.

📱 Volg Zij Lacht ook op Instagram voor een portie Waarheid tijdens het scrollen.
📖 Wil jij samen met andere vrouwen de Bijbel openen? Dat kan! Start een Zij Lacht groep via onze community of sluit je aan bij een bestaande groep.

SPEAKER_01

Je luistert naar de Bijbel in een Jaar podcast van Zijlacht. Mijn naam is Elisa. Dit is dag 176. We lezen 2 samel 21 tot en met 24.

SPEAKER_00

2zamel 21. Het lot van de nakomelingen van Salde.

SPEAKER_01

Tijdens de regering van David heerste er eens drie jaar achtereen hongersnood. David wende zich tot de Heer, en de Heer antwoordde: Het komt, doordat er bloed schuld rust op Saal en zijn familie, omdat hij de Gibionieten heeft vermoord. De Gibionieten, namelijk, behoorde niet tot het volk van Israël. Het waren overlevenden van de Amorieten, en de Israëlieten hadden hun gezworen dat ze hen met rust zouden laten. Maar Saal had in zijn ijver voor Israël en Juda geprobeerd hen uit te roeien. David liet de Gibionieten bij zich komen en vroeg hun: Wat kan ik doen om de schuld uit te wissen, zodat u weer zegen brengt over het grondgebied van de Heer. De Gibionieten antwoorden: wij willen geen recht doen gelden op het goud en zilver van Sal en zijn familie, en we hebben het recht niet om iemand uit Israël te doden. De koning zei: wat u ook vraagt, ik zal het u toestaan. De man die ons heeft willen verdelgen en plannen heeft beraamd om ons uit heel Israël weg te vagen, antwoorden ze: Lever zeven van zijn mannelijke nakomelingen aan ons uit. Dan zullen wij die in Sals woonplaats Gibea terechtstellen en ophangen ten overstaan van de Heer, die ooit Sal had uitverkozen. Goed, zei de koning: Hij sparde echter de zoon van Sals zoon Jonathan, Mefibozet, vanwege de eet die David en Jonathan elkaar bij de Heer gezworen hadden. Daarom nam hij Armonie en Mefibozet, de twee zonen die Sal had gekregen bij Rispa, de dochter van Aja, en de vijf zonen die Sals dochter Merap had gekregen van Adriel, de zoon van Barzillai uit Mechola. Hij leverde hen uit aan de Gibionieten, die hen bovenop een berg ophingen ten overstaan van de Heer. Ze werden alle zeven tegelijk der dood gebracht in het begin van de oogstheid, in de tijd van de chersoogst. Rispa, de bijvrouw van Sal, spreide en kleed op de rotsen en bleef daar van het begin van de oogstheid, totdat de eerste hersregens vielen om overdag de roofvogels van de lijken te verjagen en s'nachts de wilde dieren. Toen David hoorde wat Rispa had gedaan, liet hij het gebeente van Sal en dien zoon Jonetan weghalen bij de burgers van Jabes in Giliad. Die hadden immers heimelijk de lichamen geborgen van Sal en Jonathan, die na de slag bij Gilboa door de Filistijen waren opgehangen op het plein van bedsan. Hij liet hun gebente overbrengen naar Sela en Benjamin en begroef hen samen met de lichamen van de gehangenen in het graf van Saals vader Kis. Alles gebeurde zoals de koning het beval, en God liet zich ten gunste van het land vermuurven. Helde daden tegen het reuze geslacht van de refaïten. Tijdens een van de veldslagen tussen Israël en de Filistijen trok David met zijn leger ten strijde en vocht tegen de Filistijen tot hij uitgeput raakte. Ispie Benop en refait, die een nieuwe wapenrusting droeg met een bronzen speer die wel driehonderd shekel woog, dreigde dat hij David zou doden. Abisai, de zoon van Seruja, kwam David te hulp. Hij sloeg de Filistijn neer en dodde hem. Daarop bezwoeren de soldaten David: Trek niet meer met ons ten strijde, opdat het licht van Israël niet wordt gedoofd. Enige tijd later, tijdens een veldslag tegen de Filistijen bij Gob, werd de revaid zaf gedood, door Sibegai uit Gusza. Tijdens een andere veldslag tegen de Filistijen opnieuw bij Gob, werd Goliad uit gat gedood door Elgenan, de zoon van Jari uit Betlehem. De scha van Goliads speer was zo dik als de boom van een weefgetouw. Tijdens weer een andere veldslag, ditmaal bij Gad, was er een vechtersbaas die aan elke hand zes vingers had en aan elke voet zes tenen, 24 in totaal. Ook hij was een refaiet. Hij hoonde Israël en werd gedood door Jonathan, een zoon van Davidse broer Sima. Dit waren de vier refaieten uit Gat die werden geveld door David en zijn soldaten.

SPEAKER_00

2 Samuel 22. Het overwinningslied van David.

SPEAKER_01

Dit zijn de woorden van het lied dat David voor de Heer aanhief toen de Heer hem aan de greep van zijn vijanden had ontrukt, ook aan die van zal. Hij zei: Heer, mijn rots, mijn vesting, mijn bevrijder. God mijn steenrots, bij u kan ik schuilen. Mijn schild, kracht die mij red, mijn burg, mijn toevlucht, mijn redder, U red mij van het geweld. Ik roep geloofd zij de Heer, want ik ben van mijn vijanden verlost. Mij omsloten de golven van de dood, de kolkende afgrond joch mijn angst aan. De banden van het dodenrijk omklemde mij. Op mijn weg lagen de walstrikken van de dood. In mijn nood riep ik tot de Heer, ik riep mijn God om hulp en in zijn paleis hoorde Hij mijn stem. Mijn groep klonk in zijn oren. Toen schudde en schokte de aarde, de hemel trilde op zijn grond vesten, ze beefde omdat hij vlamde van woede. Rook steeg op uit zijn neus. Verterend vuur kwam uit zijn mond, hij spuurde de hete as. Hij schoof de hemel open en daalde af duisternis onder zijn voeten. Hij besteegde gerup en vloog. Da verscheen hij op vleugels van de wind. Hij maakte van het donker een tent om zich heen, een waaier van water, dichte wolken. Een vuurgloed ging voor hem uit en verbrandde alles tot gloeiende as. De donder van de Heer klonk uit de hemel. De Allerhoogste verhief zijn stem. Hij schoot pijlen en sloeg de vijanden u een met zijn bliksem verdreef hij hen. De beddingen van de zee werden zichtbaar, de grondvesten van de wereld kwamen bloot onder de dreigende blik van de Heer door de briesende adem uit zijn neus. Hij bood hulp van omhoog, greep mij vast en trok mij op uit de woeste wateren, ontrukte mij aan mijn machtige vijand, aan mijn haters, die sterker waren dan ik. Op de dag van mijn ondergang vielen zij aan, maar de Heer was mijn steun. Hij leidde mij uit de nood en gaf mij ruimte, bevrijdde mij omdat Hij mij lief had. De Heer heeft mijn onschuld vergolden, mij beloond voor mijn reine handen. Ik volgde de wegen die de Heer had gewezen en werd mijn God niet ontrouw. Zijn voorschriften hield ik voor ogen, van zijn wetten week ik nooit af. Ik was hem volkomen toegewaaid en hoede mij steeds voor het kwaad. Daarom heeft de Heer mijn onschuld beloond. Hij zag mijn reinheid. U bent trouw voor de trouwe, volmaakt voor de volmaakte, zuiver voor de zuivere, maar voor de slüwe ongrijpbaar. U red het vertrapte volk, maar ziet op de hoogmoedige neer. U bent mijn lamp, Heer, uw Heer verlicht mijn duisternis. Met u storm ik af op een leger bende. Met mijn God spring ik over de hoogste muur. Gods weg is volmaakt. Het woord van de Heer is zuiver, en schild is Hij voor alle die bij Hem schuilen. Wie anders is God dan de Heer, wie anders een rots dan onze God. De God die mijn sterke vesting is, baand een volmaakte weg voor mij. Hij geeft mij voeten snel als hinden, doet mij op toppen van bergen staan, oefent mijn handen voor de strijd, mijn armen spannen de bronzen boog. U was het schild dat mij redde, uw antwoord maakte mij sterk, u baande de weg voor mijn voeten, ik wankelde niet. Ik achtervolgde mijn vijanden en verdelgde hen, ik keerde niet terug voor ik hen had vernicht. Ik vernietigde, verpletterde hen, ze stonden niet meer op, dood lagen ze onder mijn voeten. U hebt mij om God met kracht voor de strijd, mijn tegenstanders voor mij doen buigen. U liet mij de rug van mijn vijanden zien, mijn haters, ik roeide ze uit. Ze zagen om naar hulp, maar er was geen redder. Ze riepen de heer, maar hij antwoordde niet. Ik verpulverde hem tot fijn stof, ik vertrad ze, vaagde hen weg als vuil van de straat. U bevrijde mij van een opstandig volk. Onder uw hoede bleef ik het hoofd van naties, een volk dat ik niet kende, onderwierp zich. Vreemdelingen toonde zich onderdanig, ze gehoorzaamde mij zodra ze van mij hoorden. Vreemde volken verloren hun kracht, wankelend kwamen zij uit hun beugde. De Heer leeft, geprezen zijn mijn rots, hoog verheven is God, de rots die mij red. De God die mij wraak liet nemen, bracht volken onder mijn gezeg, schudde mij vijanden van mij af, verhief mij boven mijn tegenstanders, ontdrukte mij aan mannen van geweld. Daarom wil ik u prijzen, Heer, te midden van de volken. Een lof liet zingen tot eer van uw naam. Hij schenkt zijn koning grote overwinningen, betoont zich trouw aan zijn gezalfde, aan David en zijn nageslacht voor altijd.

SPEAKER_00

2 Samuel 23.

SPEAKER_01

David laatste woorden. Dit zijn de laatste woorden van David. Zo spreekt David de zoon van Isaí: zo spreekt hij tot hoge macht verheven, de gezalde van de God van Jacob, de geliefde zanger van Israël. De geest van de Heer sprak in mij. Zijn woorden zijn op mijn tong. De God van Israël heeft gesproken, de rots van Israël heeft over mij gezegd wie rechtvaardig heerst over de mensen, heerst in diep ontzag voor God. Hij is als een stralende morgenzon die naar de regens opkomt aan een wolkeloze hemel, en met zijn warmte het jonge groen laat opschieten. Zo met Gods hulp is ook mijn koningshuis, want een eeuwig verbond heeft Hij met mij gesloten, nauwkeurig opgesteld en onverbrekelijk. Op zijn hulp kan ik me verlaten. Wat mij dierbaar is, laat hij gedijen. Maar de nietswaardigen. Zij zijn als doorstruiken, ontworteld door de wind, met blote handen raakt men ze niet aan. Wie ze wil opruimen, neemt een stok met ijzeren punt ter hand om ze in het vuur te werpen en ter plekke te verbranden. Davids helde. Dit zijn de namen van Davids helden. Isposet uit Gagmon was de belangrijkste van het beroemde drietal. Hij doorboorde met zijn speer achthonderd mannen in één gevecht. De tweede van de drie helden was Elazar, de zoon van dodo uit Achoach. Hij was erbij toen David en zijn mannen de Filistijen honend uitdaagden. Daarop trokken de Filistijen hun troepen samen voor de strijd en Israël moest zich terugtrekken. Maar Elazar hield stand en sloeg op de Filistijen in. Zelfs toen hij niet meer kon, liet hij het zwaard niet los. Zo schonk de Heer Israël die dag een grote overwinning. Het leger sloot zich weer bij Elazar aan, maar alleen nog om te plunderen. De derde was Sama, de zoon van Age uit Harar. De Filistijen hadden op een keer hun troepen samengetrokken bij Lechy, waar een akk met linzen was. Het leger van Israël was op de vlucht geslagen, maar Samma stelde zich op de akker en wist die te behouden. Hij versloeg de Filistijen, en de Heer schon Israël een grote overwinning. Drie van de dertig hoofdmannen kwamen eens voor de oogst bij David, in de grot bij Adulam. In de vallei van Revaï was toen een Filistijnse afdeling gelegerd. David hield zich in die tijd verschanst in de bergen, terwijl in Betlehem een Filistijnse wachtpos was uitgezet. Op een keer toen hij smachte van dorst, verzuchte David: wie geef me wat te drinken uit de waterput in de poort van Betlehem? De drie helden baande zich een weg door het Filisteinse kamp en haalde water uit de put in de poort van Betlehem. Maar toen ze ermee bij David kwamen, wilde hij er niet van drinken. Hij goot het uit voor de Heer en zei: De Heer verhoede dat ik hiervan drink. Dat zou zijn alsof ik het bloed dronk van de mannen die hun leven hebben gewaagd om het te halen. Hij weigerde dus te drinken. Zulke heldenaden verrichten dit drietal. Abisai, een broer van Joab en een zoon van Seruja, was de belangrijkste van deze drie. Hij doorboorde met zijn speer driehonderd mannen. Zo maakte hij naam bij het beroemde drietal. Van de drie hoofdmannen stond hij het meest in aanzien. Hij was hun aanvoerder, maar met het beroemde drietal kon hij zich niet meten. Ook Benaja, de zoon van Jada uit Kapseel, was een dapper en krijgshaftig man. Hij versloeg de twee zonen van Ariël uit Moab. Een andere keer toen het sneeuwde, liet hij zich in een put zakken en doden daar een leeuw. Ook versloeg hij eens een Egyptenaar, een reus van een kerel. De Egyptenaar was gewapend met een speer, maar Benaa ging op hem af met een stok, sloeg hem de speer uit handen en dodde hem ermee. Zulke heldedaden verrichtte Benaaja de zoon van Jojad, en zo maakte hij naam bij het beroemde trietal. Hij was een van de aanzienlijkste van de dertig helden, maar met het beroemde trietal kon hij zich niet meten. David benoemde hem tot commandant van zijn lijfwacht. Tot de dertig helden behoorde verder Asael, een broer van Joab, Elganam, de zoon van Dodo uit Betlehem, Sama en Elika uit Garod, Geles uit Pelet, Ira, de zoon van Iges uit Tekoa, Albezer uit Anatot, Mebunai uit Gusa, Salmon uit Agoag, Maharai en Geleb, de zoon van Baana, beide uit Netova, Itai, de zoon van Ribai uit Gibea en Benjamin, Benaya uit Piraton, Hedai, Abialbon uit de Jordaanvallei, Asmavet uit Bargum, El Jagba uit Saalbon, Jazen uit Gun, Jonathan de zoon van Sama en Achiam de zoon van Sarar, beide uit Harar, Elivelet, de zoon van Agasbai, uit Maag, Eliam de zoon van Achitofel uit Gilo, Gesray uit Karmel, Baarai uit Arba, Yal de zoon van Natan uit Soba, Banny uit Gat, de Amonit Zelek, Nachraj uit Beerot, de wapendrager van Joab, de zoon van Serya, Ira en Garab uit Jeter en de hetit Uria, bij elkaar waren het er 37. 2 samen wel 24, de volksstelling, opnieuw ontstak de Heer in toon tegen Israël. Hij zette David tegen het volk op met de woorden Ga in Israël en Juda een volksstelling houden. De koning zei tegen Joab, de opperbevelhebber van zijn leger: Ga alle stammen van Israël af, van dan tot Ber Seba, en schrijf de weerbare mannen in, zodat ik weet hoe groot mijn leger is. Joab antwoordde: Mogen de Heer, uw God, uw leger, tijdens uw leven nog honderd maal zo sterk maken als nu, mijn Heer en koning. Maar waarom wilt u dit eigenlijk? Maar het woord van de koning was wet, dus trokken Joab en de bevelhebbers van het leger erop uit om een volstelling te houden onder het volk van Israël. Ze staken de Jordaan over en begonnen bij Aroer, bij een gadietische stad in het dal. Vandaar gingen ze naar jazer, naar Giliad en in de richting van het gebied van de hetieten bij Kades. Vanuit dan Jaan bogen ze af naar Sion. Vervolgens deden ze de vestingsstad Tyris aan en alle steden van de Giviet en Canaanieten. En tenslotte trokken ze naar de Negev in Juda tot aan Bersea. Zo gingen ze het hele land rond, en na negen maanden en twintig dagen kwamen ze weer terug in Jeruzalem. Joab meldde de uitkomst van de volkstelling aan de koning. Israël telde acht honderd duizend weerbare mannen die de wapens konden hanteren en Juda vijfhonderdduizend. Toen het tot David doordron wat hij had gedaan, sloeg de schrik hem om het hart. Hij zei tegen de Heer: Ik heb ernstige gezondigd met mijn daad. Ach Heer, vergeef uw dienaar zijn zonde, ik ben dwaas geweest. De Heer richtte zich tot de profeet Gad, de ziener van David. Ga naar David en zeg hem: Dit zegt de Heer: Drie straffen leg ik je voor. Kies er één uit, die zal ik je opleggen. Toen David de volgende morgen opstond, kwam Gat hem vragen: Wat hebt u liever? Zeven jaar hongersnood in uw rijk, drie maanden op de vlucht voor een belager, die u in het nauw drijft, of drie dagen de pest in uw land? Denk goed na, en zeg me dan wat voor antwoord ik moet geven aan degene die mij gezonden heeft. David antwoordde: Ik ben in het nauw gedreven. Liever vallen wij in de handen van de Heer, want groot is zijn medeogen dan dat ik in mensen handen val. Diezelfde morgen nog liet de Heer in Israël de pest uitspreken die duurde tot de vastgestelde tijd. Van dan tot Berzeba vonden zeventig duizend mensen de dood. Maar toen de engel zijn hand naar Jeruzalem uitstrekte om ook daar dood en verderf te zaaien, begon de Heer het onheil dat was aangericht te betreuren. Genoeg, zei hij tegen de engel, laat je hand zakken. De engel van de Heer stond bij het bergterras, waar de Jebusiet Arauna zijn graan dorste. Toen David de engel die dood en verderven onder het volk zeiden zag staan, zei hij tegen de Heer, ik ben het die gezondigd heeft, ik ben het, die een zonde heeft begaan. Maar deze arme schapen, wat hebben zij misdaan? Hef uw hand toch op tegen mij en mijn familie. Diezelfde dag kwam Gad bij David en zei tegen hem: Ga naar de dorstvloer van de Jebusiet af Rauna en richt daar voor de Heer een altar op. David ging naar boven zoals de Heer hem bij monden van Gad had bevolen. Toen Araona de koning en zijn gevolg zag naderen, ging hij hun tegemoet en knielde voor de koning neer. Wat is de reden van uw komst, mijn Heer en koning? vroeg hij. En David antwoordde, ik wil van u deze dorsvloer kopen om er een altaar te bouwen voor de Heer, zodat het volk van deze plaag wordt verlost. Araona zei: Neem toch wat u voor uw offer nodig hebt, mijn Heer en koning, als ublieft. Mijn runderen voor het brandoff, en hun juk en de dorsleden kunnen dienen als brandhoud. Dit alles schenk ik u, mijn Heer. En hij voegde eraan toe: mogen de Heer, uw God, uw goed gezind zijn. Nee, antwoordde de koning, ik wil ervoor betalen. Ik ga niet de Heer, mijn God, een brandoff brengen dat me niets heeft gekost. Daarop kocht David de dorsvloeren en de runderen voor vijftig schekel zilver. Hij bouwde er een altaar voor de Heer en bracht brantoffers en vrede offers. Daardoor liet de Heer zich ten gunsten van het land vermuurwen en werd Israël van de plaag verlost. Bedankt voor het luisteren naar deze aflevering van de Bijbel in een jaar podcast van Zeilacht. Luister je morgen weer.

Podcasts we love

Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.

Zij Lacht - Elke Dag Artwork

Zij Lacht - Elke Dag

Nederlands - Vlaams Bijbelgenootschap
Zij Lacht - Diep Geworteld Artwork

Zij Lacht - Diep Geworteld

Nederlands - Vlaams Bijbelgenootschap