Zij Lacht - Bijbel in 1 Jaar
Speciaal voor de Bijbel in een Jaar lezers van Zij Lacht! Salisa heeft elke dag het Bijbelgedeelte van de dag voor je ingesproken zodat je deze waar je ook bent kunt luisteren!
Zij Lacht - Bijbel in 1 Jaar
Dag 147 - Rechters 4 en 5 en Psalm 71
Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.
Vandaag lezen we Rechters 4 en 5 en Psalm 71 uit de NBV21.
📱 Volg Zij Lacht ook op Instagram voor een portie Waarheid tijdens het scrollen.
📖 Wil jij samen met andere vrouwen de Bijbel openen? Dat kan! Start een Zij Lacht groep via onze community of sluit je aan bij een bestaande groep.
Je luistert naar de Bijbel in een Jaar podcast van Zijlacht. Mijn naam is Elisa. Dit is dag 147. We lezen rechters 4 en 5 en Psalm 71.
SPEAKER_00Rechters 4. Deborah en Barab.
SPEAKER_01Na de dood van Ehut deden de Israëlieten weer wat slecht is in de ogen van de Heer. Daarom leverde de Heer hen uit aan koning Jabin van Canaan, die regeerde in Hazor. De bevelhebber van dienst leger hete Sisera. Hij had zijn legerkamp in Garoset Haccoim. Jabin beschikte over negen honderd ijzere strijdwagens en heerste met harde hand over Israël. Wel twintig jaar lang. Daarom riepen de Israëlieten de Heer te hulp. In die tijd was de profetes De Bora degene die Israël als rechter leidde. Zij was de vrouw van Lapidot. Ze hield zitting onder de Deborapalm tussen Rama en Betel, in het bergland van Ephraim. En daar kwamen de Israëlieten haar hun rechtsgeschillen voorleggen. De Bora liet Barak, de zoon van Abi Noam, afkomstig uit Kedes in Naftali, bij zich komen en zei tegen hem: De Heer de God van Israël, gebied u trek met tienduizend man uit de stammen Naftali en Zebulon op naar de Tabor. Dan zal ik, Jabins bevelhebber, Sisera met al zijn strijdwagens en soldaten laten optrekken tot in het dal van de kieson en hem aan je uitleveren. Als u meegaat, zal ik gaan, antwoordde Barak. Maar als u niet meegaat, ga ik niet. Goed, zei Deborah ik zal met u meegaan. Maar let wel, u zult geen eer behalen aan deze veltocht, want de Heer zal Sysera uitleveren aan een vrouw. Zo besloot Debora met Barak mee te gaan naar Kedes. Barak riep de mannen van Zebelon en Naftali onder de wapenen in Kedes en trok op aan het hoofd van tienduizend man. Deebora ging met hem mee. In de buurt van Kedes had een zekere geber zijn tente opgeslagen bij de eik in Saananin. Deze geber was een keniet die zich had afgescheiden van zijn stamgenoten, nakomelingen van Mozes schoonvader Goobab. Sisera kreeg bericht dat Barak de Tabor opgegaan was. Daarom riep hij zijn soldaten onder de wapen en trok met al zijn negenhonderd ijzeren strijdwagens en zijn hele leger vanuit Garoset Haccoyim op naar het dal van de quizon. De Bora spoorde Barak aan: vooruit! Vandaag levert de Heer Sisera aan u uit. Hij zal voor u uitgaan. Toen kwam Barak de taber af met tienduizend man achter zich aan. Op het moment dat de manschappen van Sisera Barak zagen verschijnen, zaide de Heer paniek onder hen, en ontstond er grote verwarring. Sisera sprong van zijn wagen en maakte zich uit de voeten. Barak achtervolgde de strijdwagens en de soldaten tot in Garosset Hagoim. Alle soldaten van Sisera sneuvelde, niet één bleef er in leven. Sisera vluchte te voet naar de tent van Jael, de vrouw van de keniet Geber, want hij wist dat de familie van Geber op goede voet stond met koning Jabin van Hazor. Jael kwam hem tegemoet en zei: kom binnen, Heer, kom binnen. Wees niet bang. Hij ging bij haar de tent binnen en zij verborg hem onder een deken. Geef me wat water te drinken, vroeg hij. Ik heb zo'n dorst. Jael opende een melkzak, gaf hem te drinken en dekte hem weer toe. Toen zei hij, ga in de tentopening staan. Als er dan iemand komt vragen of er een man bij u is, moet u zeggen: Nee, er is hier niemand. Jael nam een tentpin en een hamer en sloop de tent binnen. Ze sloeg terwijl hij daar uitgeput in slaap lag, de tentpin dwars door zijn hoofd de grond in, zodat hij stierf. Op dat moment kwam Barak eraan, op jacht naar Sisera. Jael ging hem tegemoet en zei: Kom, ik zal u de man laten zien die u zoekt. Barak ging met haar naar binnen en daar lag Cisera dood, met de tentpin door zijn hoofd. Zo bracht God koning Jabin van Kaan in zijn strijd met de Israëlieten een zware nederlaag toe. Daarna wist Israël koning Jabin steeds verder terug te dringen, totdat ze hem hadden vernietigd.
SPEAKER_00Rechter 5.
SPEAKER_01Die dag zongen de Bora en Barak, de zoon van Abi Noam, dit lied: Loof de Heer, omdat Israël zijn haren dreigend loswierp. Loof de Heer, omdat Israël zich melde voor de strijd. Koningen en vorsten, luister en hoor toe hoe ik de Heer bezing. Een lied zing voor de Heer, de God van Israël. Heer, de aarde beefde, toen U voortstreed vanuit zeier, toen U optrok vanuit Edom, stortte water uit de hemel en de wolken neer. Voor de Heer die verscheen op de Sinaï, wankelde de bergen. Voor u, Heer, U, de God van Israël. Onder Samgar, de zoon van Anat, in de tijd van Jael begaf geen karavaan zich nog op weg, wie toch op reis moest, nam de kronkelpaden. Aanvoerders ontbraken, het land kende geen leiding, totdat jij de Bora Israël leidde als een moeder, verkoos men andere Goden dan stond de vijand voor de poorten. Ons leger telde veertig duizend man, maar van schild of speer geen spoor. Loof de Heer, ik dank hen die niet aarzelde de strijders aan te voeren, reizigers, gezeten op gezadelde ezelinnen, en ook jullie die te voet moeten gaan. Overstem met je verhalen het gekletst bij de bronnen en laat ieder bij het drenken zingen van de Heer die overwon, van de overwinning door zijn aanvoerders voor Israël behaald. Daar trok het volk van de Heer ten strijde, voorwaarts vanuit de steden. Ga voorop, Debora, vuur ons aan en zing een lied. Barak, val aan, grijp de vijand, jij zoon van Abi Noam. Daar trok wie ontkomen was mee met de aanvoerders, het volk van de Heer kwam naar mij, met zijn helden. Uit Ephraim kwamen zij die in Amalek wonen. Ze voegden zich bij jou en je verwante Benjamin. Uit Machier kwamen aanvoerders, uit Zebulon de leiders van het leger. Uit Isagar sloten de vorste zich bij Deborah aan. Na Isagar kwam Barak, hij ging het volk voor in de vlakte. Maar de stam Ruben bleef steeds maar overleggen. Wat hield je bij je schaapskooi en het fluitspel van je hedders. Ruben bleef maar overleggen. Giliad kwam de Jordaan niet over. Dan bleef bij zijn schepen. Azer bleef aan zee en verliet zijn havens niet, maar Zebulon en Naftali waagden hun levens op de heuvels. Daar kwamen de koningen, de stadsvorsten van Kanaan. Zij streden bij de Aanach, bij Megido aan de oever van de stroom, maar er viel voor hen geen zilver buiten maken. De sterren aan de hemel streden mee tegen de vijand. Zij hadden in hun baan zich tegen Sisera gekeerd. Vorsten werden meegesleurd door het water van de Kieson, de Kizon, die al oude en snel stromde rivier. Ga voort, mijn ziel, ga voort. Treunend klonk de hoefslag van zijn wegstormende paarden, van zijn schitterende paarden, in onstuimige galop. Vervloekt zijn merels, dat de Heer geen hulp boot. Vervloekt, zo spreekt de engel van de Heer, vervloekt zijn inwoners, zij slooten zich niet bij de helden aan. Gezegend zij Jael boven alle vrouwen. Jael, de vrouw van Geber, de keniet, was ooit een tent gezegend met een vrouw als zij. Sisera vroeg om water, en zij gaf hem melk te drinken. Room bracht ze hem te drinken in een rijk versierde schaal. Met een hand vatte ze een tentpin, met de andere een hamer. Ze dref de tentpin door zijn slaap, spleet met een hamerslag zijn hoofd. Aan haar voeten viel neer, bezweek hij en bleef liggen. Aan haar voeten bezweek hij. Daar viel Hij neer. Waar hij bezweek, daar bleef hij liggen, verpletterend verslagen. Aan haar venster stond zijn moeder. Ze tuurde en ze klagde: waar blijft zijn wagen toch? Klinkt het geratel van de wielen al? De wijste van haar vrouwen gaf haar antwoord en zei haar wat zij zelf reeds had bedacht. Wellicht zijn ze nog bezig om hun schatten te verdelen, elke man een meisje, of misschien wel twee. En voor Cisera gekleurde stoffen met borduursel, stoffen met borduursel waarmee hij zijn schatjes dooit. Heer, laat zo al uw vijanden ten ondergaan en maak wie u liefheb, onstuitbaar als de opgaande zon.
SPEAKER_00Veertig jaar had het land rust. Psalm 71.
SPEAKER_01Bij uw Heer, schuil ik. Maak mij nooit te schanden. Red en bevrijd mij. Doe mij recht. Hoor mij en kom mij te hulp. Wees de rots waarop ik kan wonen, waar ik altijd heen kan gaan. U hebt mijn redding bevolen, mijn rots en mijn beurt, dat bent U. Mijn God, bevrijd mij uit de hand van schurken, uit de greep van vrede onderdrukkers. U bent mijn enige hoop, Heer, mijn God, van jongs af vertrouw ik op u. Al vanaf mijn geboorte steun ik op u, al in de moederschoot was U het die mij droeg. U wil ik altijd loven. Voor velen ben ik een teken, u bent mijn veilige schuilblaats. Heel de dag is mijn mond vervuld van uw lof en uw luister. Verstoot mij niet, nu ik oud word. Verlaat mij niet, nu mijn kracht bezwijkt. Mijn vijanden spreken over mij, ze loeren op mij en spannen samen. Ze zeggen, God heeft Hem verlaten, jaag op Hem, grijp hem, niemand die Hem red. God, blijf niet ver van mij. Mijn God, kom mij haastig te hulp. Laat mijn tegenstanders van schaamte bezwijken, wie mijn ongeluk zoeken, met schande worden bedekt. Ik blijf naar U uitzien, altijd uw lof brengen, meer en meer. Mijn mond verhaalt van uw gerechtigheid, van uw reddende dade, dag aan dag, hun aantal kan ik niet tellen. Spreken zal ik over uw macht, Heer, mijn God, de rechtvaardigheid roemen van U alleen. God, U onderwees mij van jongs af aan, en steeds nog vertel ik uw wonderen. Nu ik oud en grijs ben, verlaat mij niet, O God, zodat ik het nageslacht elk nieuw kind kan verhalen van de macht van uw arm. Uw gerechtigheid reist hoog op, O God, U hebt grootste daden verricht, God, wie is aan u gelijk? U hebt mij doen zien veel ellende en nood. Laat mij nu herleven, laat mij herreizen uit de diepte van de aarde. Verhoog mij in aanzien, omgeef mij met uw troost. Dan zal ik u loven bij het spel op de harp, U en uw trouw, mijn God. Ik zal voor u zingen bij de Lier, Heilige van Israël. Mijn lippen zullen juichen wanneer ik voor u zing. Ik zal jubelen omdat U mij hebt verlost. Mijn tong zal heel de dag van uw gerechtigheid spreken. Wie mijn ongeluk zoekt, zal te schande staan. Bedankt voor het luisteren naar deze aflevering van de Bijbel in een jaar podcast van Zeilacht. Luister je morgen weer.
Podcasts we love
Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.
Zij Lacht - Elke Dag
Nederlands - Vlaams Bijbelgenootschap