Zij Lacht - Bijbel in 1 Jaar

Dag 148 - Rechters 6 tot en met 8

Zij Lacht Season 2026 Episode 148

Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.

0:00 | 20:44

Vandaag lezen we Rechters 6 tot en met 8 uit de NBV21.

📱 Volg Zij Lacht ook op Instagram voor een portie Waarheid tijdens het scrollen.
📖 Wil jij samen met andere vrouwen de Bijbel openen? Dat kan! Start een Zij Lacht groep via onze community of sluit je aan bij een bestaande groep.

SPEAKER_02

Je luistert naar de Bijbel in een Jaarpotcast van Zijlacht. Mijn naam is Elisa. Dit is dag 148.

SPEAKER_01

We lezen rechter 6 tot en met 8.

SPEAKER_00

Rechter 6. Gidon geroepen.

SPEAKER_02

Maar de Israëlieten deden wat slecht is in de ogen van de Heer. Daarom leverde hij hen uit aan het volk van Midian, dat hen zeven jaar achterheen kwam plunderen. Uit angst voor de Midianieten richten de Israëlieten in bergspleten, grotten en op andere moeilijk bereikbare plekken schelplaatsen in. Elk jaar, wanneer het gewas op het veld stond, kwamen de Midianieten, de Amelekieten en nog andere woestijnvolken uit het oosten aanzetten en vielen ze Israël binnen. Ze sloegen er hun tenten op en vernietigden de oogsten tot helemaal in Gaza. Als een zwerm springganen kwamen ze aanzetten met hun vee en hun tenten, een onafzienbare massa mensen en Dromedaren die het land binnenviel en alles verwoesten. Door toedoen van Midjan verviel Israël tot bittere armoede. En het volk riep de Heer te hulp. Toen de Israëlieten de Heer tegen de Midianieten te hulp riepen, stuurde hij een profeet, die hun zei: Dit zegt de Heer, de God van Israël: ik ben het, die jullie uit Egypte heeft geleid. Ik heb jullie verlost uit de slavernij, ik heb jullie bevrijd uit de greep van de Egyptenaren en van de volken die jullie hier bedreigden. Die heb ik voor jullie weggejaagd en ik heb jullie hun land gegeven. En ik heb jullie gezegd: ook al wonen jullie nu in het land van de Amorieten, hun goden mogen jullie niet vere, want ik, de Heer, ben jullie God. Maar jullie hebben niet geluisterd naar wat ik zei. Toen kwam de engel van de Heer, en hij nam plaats onder de terenbind bij Ofra op het land van Joas, een afstammeling van Abiezer. Joas zoon Gideon was juist bezig tarwe te dorsen. Om ervoor te zorgen dat de Midianieten de tarw niet zouden zien, deed hij dat in de wijnpers. De engel van de Heer vertoonde zich aan hem en zei: De Heer zijn met je, dappere krijgsman. Mag ik u vragen, antwoordde Gideon, als de Heer ons werkelijk bijstaat, waarom overkomt dit ons dan allemaal? Waar blijft Hij dan met zijn wonderbaarlijke daden, waarover onze voorouders hebben verteld? Uit Egypte heeft hij zich geleid, zeiden ze toch, maar nu heeft Hij ons in de steek gelaten en uitgeleverd aan de Midianieten. Toen wende de Heer zich tot Gideon en zei: toon je moed en bevrijd Israël. Dat is mijn opdracht. Mag ik u vragen, antwoordde Gideon, hoe zou ik Israël kunnen bevrijden? Mijn familie heeft in onze stam manasse niets in te brengen, en ikzelf ben de jongste van de familie. De Heer antwoordde, dat kun je, omdat ik je bijsta. Je zult de midjan niet te verslaan, alsof je met niet meer dan één man te doen had. Toen zei Gidion: Heer, als u het bent die tot mij spreekt, en ik uw gunst geniet, geef me dan een teken. Gaat u vooral niet weg, ik wil iets halen om u aan te bieden. Goed, antwoordde de Heer, ik blijf hier totdat je terugkomt. Gidion ging snel naar huis, maakte een geitenboekje klaar en bakte ongedezemd brood van een even tarwebloem. Hij legde het vlees in een mand en goot het kookvocht in een kom, bracht het naar degene die onder de terenbind zat te wachten, en bood het hem aan. De engel van God zei tegen hem: Leg het vlees en de brode hier op dit rotsblok en giet het kookvocht erover uit. Gidion deed wat hem gevraagd was. Toen raakte de engel van de Heer met het uiteinde van zijn staf het voedsel aan en meteen leidde er een vuur uit het rotsblok op dat het vlees en de brode verteerden. Tegelijk was ook de engel van de Heer verdwenen. Toen begreep Gidion dat het de engel van de Heer was geweest, en hij riep uit: Ach, Heer, mijn God, ik heb oog in oog gestaan met de engel van de Heer. Maar de Heer stelde hem gerust: Je hoeft niet bang te zijn, je zult niet sterven. Gidion bouwde op die plek een altaar voor de Heer en noemde het De Heer geeft rust. Tot op de dag van vandaag staat dat altaar in offra, waar de afstammelingen van Abiezer wonen. Diezelfde nacht zei de Heer tegen Gideon: Neem de stier van je vader, dat prachtbeest dat nu al zeven jaar gespaard is. Sloop het altaar dat je vader voor Baal heeft opgericht en hak de asherapaal die er naast staat om. Bouw voor de Heer je God een altaar op het hoogste punt van het onmuurde terrein, zoals het hoort. Maak met het hout van de ongehakte asherapaal een vuur om de stier te offeren. Gidion nam tien van zijn knechten mee en deed wat de Heer hem had opgedragen. Uit vrees voor zijn familie en stadsgenoten durfde hij het niet overdachten te doen. Daarom deed hij het s'nachts. De volgende ochtend zagen de inwoners van de stad dat het altaar van Baal was afgebroken en dat de ascherapaal ernaast was omgehakt. Ze zagen ook dat de stier was geofferd en wel op een nieuw altaar. Ze vroegen zich af wie dat gedaan kon hebben. En na enig onderzoek kwamen ze erachter dat Gideon, de zoon van Joas, de schuldige was. Toen eisden ze van Joas: Lever uw zoon aan ons uit. Hij moet sterven, want hij heeft het altaar van Baal gesloopt en de paal omgehakt. Maar Joas zei tegen de mensen die bij zijn huis te hoop waren gelopen: U wilt het voor Baal opnemen? U wilt hem te hulp komen? Wie het voor Baal opneemt, zal nog voor de ochtend sterven. Als Baal een God is, zal hij wel voor zichzelf opkomen wanneer iemand zijn altaar heeft gesloopt. En hij gaf Gideon de naam Jeru Baal en zei: laat Baal het maar tegen hem opnemen, omdat hij zijn altaar heeft gesloopt. Weer sloten de Midianieten, de Amelikieten en andere woestijnvolken uit het oosten zich aan een. Ze staken de Jordaan over en sloegen hun tenten op in de vallei van Jezreël. Toen kwam de geest van de Heer over Gidion. Hij blies op de ramshoorn om de afstamelingen van Abezer onder de wapenen te roepen, en zond boden naar het gebied van Manasse om daar iedereen op te roepen. Hij stuurde ook bode naar de stammen Azer, Zebulon en Naftali, en ook die voegden zich bij hem. Toen zei Gideon tegen God: Ik wil graag weten of het werkelijk uw bedoeling is door mijn toedoen Israël te bevrijden, zoals u hebt gezegd. Daarom leg ik hier op de dorstvloer een wolle vacht. Als er morgenochtend duw licht op de wol, terwijl de grond er omheen droog is, dan weet ik zeker dat U inderdaad door mijn toedoen Israël zult bevrijden. En zo gebeurde het. De volgende morgen vroeg Gidion de wol uit. En er kwam water uit, wel een kom vol. Toen zei Gidion tegen God: U moet niet kwaad op me worden, als ik nog één keer aandring, maar ik wil nog een laatste proef nemen. Nu moet de wol droog blijven en de grond eromheen nat zijn van de duw. Die nacht deed God wat Gidion had gevraagd. De wol bleef droog en de grond eromheen werd nat van de Dwell, rechter zeven.

SPEAKER_00

Gidion overval de Midianiet.

SPEAKER_02

De volgende morgen vroeg, sloeg Jerubaal Gidion dus met zijn troepen zijn kamp op bij de Garotbron. De Midjanieten lagen iets noordelijker, in de vallei aan de voet van de moren. Toen zei de Heer tegen Gidion: het leger dat je bij je hebt, is te groot. Ik lever de Midjanieten niet aan jullie uit, want ik wil niet dat Israël zich erop beroemt dat het zich op eigen kracht heeft bevrijd. Maak daarom bekend dat iedereen die bang is, kan vertrekken en via het bergland van Giliad terug naar huis kan gaan. Daarop vertrokken 22.000 man. Tienduizend bleven erover. Maar de Heer zei tegen Gideon: Het leger is nog steeds te groot. Laat je manschappen naar het water gaan. Daar zal ik voor jou een keus uit hen maken. Ik zal je zeggen wie er met je mee moeten gaan en wie niet. Gideon liet de mannen naar het water gaan, en de Heer zei tegen hem: Degenen die het water met hun tong oplikken, zoals honden doen, die moet je apart zetten van degenen die knielen om te drinken. Driehonderd man likten het water op met hun tong. De overige knielden om te drinken en schepte het water op met hun hand. Met die driehonderd man die het water met hun tong oplikten, zal ik jullie bevrijden, zei de heer tegen Gideon. Door hun toedoen zal ik Midjan aan je uitleveren. De rest van het leger kan naar huis terugkeren. Gidion hield dus alleen die driehonderd man bij zich en stuurde de rest van de Israëlieten weg. Elk naar zijn eigen woonplaats. Maar eerst had hij hun proviant overgenomen en al hun ramshoorns. Het kamp van de Midianieten lag beneden hem in de vallei. Die nacht zei de heer tegen Gideon: Het is zover. Doe een aanval op hun kamp: ik geef het je in handen. En als je geen aanval durft te wagen, sluip dan met je knechtpura naar beneden om te horen waar ze het over hebben. Dat zal je moed geven voor de aanval. Samen met zijn knechtpura sloop Gidion tot vlak bij de voorposten van de vijand. De Midianieten waren met de amelekieten en nog andere woestijnvolken als springhanen over de vlakte uitgezwermd. Ze hadden zoveel drommedares als er zand is op het strand langs de zee. Toen Gidion aankwam, was er juist iemand aan het vertellen wat hij had gedroomd. Wat ik nu toch gedroomd heb, zei hij. Een gerste brood rolde razends snel rond door het kamp, botste tegen een tent aan en kegelde die omver, zodat hij in elkaar zakte. Dat kan niets anders zijn dan het zwaard van de Israëliet Gidion, de zoon van Joas, verklaarde zijn kameraad. Dat betekent dat God hem ons met ons hele kamp in handen heeft gegeven. Zodra Gideon de droom en de uitleg ervan had gehoord, boog hij zich dankbaar neer. Terug in het kamp spoorde hij de Israëlieten aan: Het is zover. De Heer geeft jullie het kamp van Midjan in handen. Hij verdeelde de driehonderd man in drie groepen en gaf ieder van hen een ramshoorn en een lege kruik met een brandende vakkel erin. Toen zei hij: let goed op wat ik doe. Wanneer ik de voorposten van het kamp ben genaderd, moeten jullie precies hetzelfde doen als ik. Blazen wij, ik en mijn groep, op de ramshoorn, dan moeten jullie ook op je ramshoorn blazen. rond heel het kamp en schreeuwen voor de Heer en Gideon. Aan het begin van de middelste nachtwaken, vlak na de wisseling van de wacht, kwam Gideon met zijn groep van honderd man bij de voorposten van het kamp. Ze bliezen op hun ramshoorns en sloegen de kruiken die ze bij zich hadden aan stukken. Alle drie de groepen bliezen nu op hun ramshorns en sloegen hun kruiken kapot. Ze hielden hun vakkels in de linkerhand en hun ramshoorns in de rechter en schreeuwden te wapen voor de Heer en Gideon. Ze bleven rond het kamp staan en brachten de Midianieten in rep en roer. Terwijl de driehonderd Israëlieten op hun ramshoorns blizen, liet de Heer de Midianieten en heel het kamp het zwaard tegen elkaar opnemen. Tot ze uiteindelijk op de vlucht sloegen in de richting van Seraera naar Bet Hassitta tot aan de rivierover bij Abel Mechola boven Tabat.

SPEAKER_01

Efreim slaat de Midjanieten terug.

SPEAKER_02

Gideon liet de weerbare Israëlieten uit Nafeli, azer en Manasse terugroepen om de Midjanieten te achtervolgen. Ook liet hij in heel het bergland van Efreim de volgende boodschap overbrengen: Ga de Midjanieten tegemoet en snijd hun de pas af door de Jordaanover te bezetten tot aan Bed Bara. Na deze oproep bezette de mannen van Efraim de Jordaanover tot aan Bed Bara. Ze overmeesterden Oreb en Zeeb, de beide legeraanvoeders van de Midjanieten. Oreb werd gedood bij de rots van Oreb en Zeeb bij de perskup van Zeeb. Ze zette de achtervolging op de Midjanieten in en brachten de hoofden van Oreb en Zeeb naar Gidion, die inmiddels de Jordaan was overgestoken.

SPEAKER_00

Rechters acht.

SPEAKER_02

Daarbij zeiden ze: waarom hebt u ons er niet bij betrokken toen u tegen Midjan ten strijde trok? Dat is toch geen manier van doen? Ze maakte hem de heftigste verwijten, maar Gideon antwoordde, wat ik deed, is toch niets vergeleken bij wat u gedaan hebt. Efraïm heeft de kroon gezet op het werk van Abizer. God heeft de beide legeraanvoerders van Midjan, orep en zeep, aan u uitgeleverd. Daarbij valt alles wat ik heb kunnen doen, toch in het niet. Toen Gidion de zaak zo voorstelde, bedaarde de woede van de mannen van Efreem. Gidion rekent af met Midjan, Sukot en Penuel. Ook Gidion was dus met zijn driehonderd manschappen de Jordaan overgestoken om de Midianieten te achtervolgen, hoewel ze de uitputting nabij waren. Daarom vroeg hij aan de burgers van Sukkot: Ik zit Zeebag en Salmonna achterna, de koningen van Midjan, geef mijn soldaten wat te eten, want ze zijn uitgebut. Maar het stadsbestuur van Sukkot zei: Waarom zouden wij uw leger te eten geven? Hebt u Zebach en Salmon soms al in handen gekregen? Nee, dat niet, antwoordde Gideon. Maar zodra de Heer Zeebag en Salmonna aan mij uitlevert, zal ik u komen afranselen met doortakken en distels uit de woestijn. Daar kunt u van op aan. Van Sukkald ging hij verder naar Penuel. Hij deed de burgers van Penuel hetzelfde verzoek als hij de burgers van Sukkot had gedaan en kreeg van hen hetzelfde antwoord. Daarop bedreigde hij ook de burgers van Penuel met de woorden: zodra ik ongedeerd terugkeer, zal ik uw toren met de grond gelijk maken. Zebach en Salmuna hadden intussen hun kamp opgeslagen in Karkor. Ze waren met ongeveer vijftien duizend man. Meer was er van het leger van de woestijnvolken niet over. 120.000 geoefende krijgslieden waren al gesneuveld. Gidion volgde de nomade route ten oosten van Noobach en Jochboa en slaagde erin het kamp van de Midianieten, die zich veilig waande, te overrompelen. De beide koningen, Zeebach en Salmuna, probeerden in de algemene verwarring te ontkomen, maar hij haalde ze in en nam ze gevangen. Gidion, de zoon van Joas, keerde via de Gerispas uit de strijd terug. Onderweg kreeg hij een jongen uit Sukkot te pakken. Hij hoorde hem uit en liet hem de namen opschrijven van de oudsten en de leden van het stadsbestuur. Het waren er 77. Toen ging hij naar Zukkot en zei: Kijk, hier heb ik zeebach en Salmonna, met wie u mij hebt gehoond, door te zeggen: waarom zouden wij uw leger te eten geven? Hebt u zeebag en Salmonna soms al in handen gekregen? Hij nam de oudste gevangen en liet doortakken en distels uit de woestijn halen. En de burgers van Zukkot hebben het geweten. Ook haalde hij de toren van Penuel omver en dodde hij de inwoners van die stad. Gidion vroeg aan zeebag en Salmonna, wat waren dat voor mannen, die u bij de tabor hebt gedood. Ze zagen er net zo uit als u, antwoorden ze. Het leek stuk voor stuk wel koningszonen. Toen zei Gidion: dat waren mijn volle broers, de zonen van mijn eigen moeder. Zo waar de Heer leeft, als u hen toen in leven had gelaten, zou ik u nu niet doden. En hij droeg zijn oudste zoon Jeeter op, vooruit dood ze. Maar de jongen trok zijn zwaard niet, hij durfde niet, omdat hij nog zo jong was. Zebach en Salmuna zeiden: Doe u het dan zelf, u bent mans genoeg. Toen dode Gidion hen zelf, de gouden maandjes, die de nek van hun Drommedagen sierden, nam hij mee. Gidion weigert te heersen over Israël. De Israëlieten zeiden tegen Gideon: U hebt ons bevrijd uit de greep van Midjan. Wees daarom onze heerser en na uw zoon en de zoon van uw zoon. Maar Gidion antwoordde: Ik zal uw heerser niet zijn, en mijn zoon zal uw heerser niet zijn, want de Heer is uw heerser. Maar ik wil u iets anders vragen. Laat ieder mij een ring geven uit de buit die hij op de Mietjanieten heeft behaald. Deze afstammelingen van Ismaël droegen hun rijkdomme immers in de vorm van gouden sieraden bij zich. Maar natuurlijk antwoorden ze: En er werd een mantel uitgespreid waarin iedereen een ring weerp. De gouden ringen die hij van de Israëlieten ontving, wogen samen wel zeventienhonderd shekel. Daar kwamen dan nog beide gouden maandjes en oorringen en de peurige mantels van de Midjanitische koningen en de halseraden van hun Domme Daresen. Gidion liet van dit alles een priester gewaad maken. Hij gaf het een plaats in offra, waar heel Israël het als een afgod kwam vere. Dit zou uiteindelijk leiden tot de ondergang van Gidion en zijn familie. Midjan kwam de nederlaag niet meer te boven en moest het hoofd buigen voor Israël. Onder Gidion had het land veertig jaar rust. Gidion zelf, de zoon van Joas, die ook wel Jerubaal wordt genoemd, ging weer in Ofra wonen. Hij verwekte zeventig zonen, want hij had vele vrouwen. Van zijn bijvrouwen woonde er één in Siekem. Ook zij schon hem een zoon, en die gaf hij de naam Abimelech. Gidion, de zoon van Joas, stierf in gezegende ouderdom. Hij werd bijgezet in het grach van zijn vader Joas in Ofra, waar de afstammelingen van Abi Jezer wonen. Abimeleg koning in Sichem. Na de dood van Gidion begonnen de Israëlieten opnieuw achter de Baals aan te lopen. Ze verhieven Baal bered tot God en vergaten de Heer hun God die hen had bevrijd van de hen omringende vijanden. Ook bewezen ze de familie van Jeru Baal niet de verschuldigde dankbaarheid voor al het goede dat hij, Gidion, voor Israël had gedaan. Bedankt voor het luisteren naar deze aflevering van de Bijbel in een Jaar podcast van Zeilnacht luister je morgen weer.

Podcasts we love

Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.

Zij Lacht - Elke Dag Artwork

Zij Lacht - Elke Dag

Nederlands - Vlaams Bijbelgenootschap
Zij Lacht - Diep Geworteld Artwork

Zij Lacht - Diep Geworteld

Nederlands - Vlaams Bijbelgenootschap