Zij Lacht - Bijbel in 1 Jaar
Speciaal voor de Bijbel in een Jaar lezers van Zij Lacht! Salisa heeft elke dag het Bijbelgedeelte van de dag voor je ingesproken zodat je deze waar je ook bent kunt luisteren!
Zij Lacht - Bijbel in 1 Jaar
Dag 149 - Rechters 9 en 10 en Psalm 74
Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.
Vandaag lezen we Rechters 9 en 10 en Psalm 74 uit de NBV21.
📱 Volg Zij Lacht ook op Instagram voor een portie Waarheid tijdens het scrollen.
📖 Wil jij samen met andere vrouwen de Bijbel openen? Dat kan! Start een Zij Lacht groep via onze community of sluit je aan bij een bestaande groep.
Je luistert naar de Bijbel in een Jaar podcast van Zeilnacht. Mijn naam is Alisa. Dit is dag 149. We lezen rechters 9 en 10 en Psalm 74. Rechters 9. Abimeleg de zoon van Jeru Baal ging naar Ziekem, waar de familie van zijn moeder woonde. En zei tegen zijn ooms en zijn neven: leg de burgers van Ziekem de vraag voor wie ze liever als heerser hebben. De zeventig zonen van Jeru Baal gezamenlijk of één man, die bovendien hun bloed verwant is. Toen zijn oom zijn vraag voorlegde aan de burgers van Ziekem, spraken die hun voorkeur uit voor Abimeleg, met als argument dat hij familie van hen was. Ze gaven hem zeventig zekel uit de tempel van Baal Berit. Met dat geld huurde Abimeleg een stel geweteloze schurken. Daarmee ging hij naar Ofra, naar het huis van zijn vader, waar hij zijn broers, de zeventig zonen van Jeru Baal, stuk voor stuk ter dood bracht op één en dezelfde steen. Alleen Jodam, de jongste, wist te ontkomen, want hij had zich verstopt. Daarop kwamen de burgers van Siekem en Bedmillow bij de eik bij het gedenkteken in Ziegem bijeen en riepen Abimeleg tot koning uit. Toen Jodam dit vernam, ging hij de Gerisiem op en riep met stemverheffing vanaf de top: Hoor mij aan, burgers van Ziekem, en God zal u verhoren. Eens gingen de bomen erop uit om een van hen tot koning te zalven. Ze vroegen de olijfboom, wilt u onze koning zijn? Maar de olijfboom antwoordde: Zou ik ophouden mijn olie af te staan, waarmee Goden en mensen worden vereerd, om wat te wiven boven de andere bomen uit? Toen vroegen ze het aan de vijgen boom, en u wilt u onze koning zijn? Maar de veilige boom antwoordde: zou ik ophouden mijn zoete vruchten af te staan om wat te wiven boven de andere bomen uit? Toen vroegen ze het aan de wijnstok, en u wilt u onze koning zijn. Maar de wijnstok antwoordde: Zou ik ophouden mijn sap af te staan, dat goden en mensen verblijht om wat te wiven boven de andere bomen uit. Ten slotte vroegen de bomen aan de doronstruik, en u wilt u onze koning zijn. En de dorornstruik antwoordde: als u mij werkelijk tot uw koning wilt zalven, kom dan maar hier. In mijn schaduw is het goed toeven. Maar zo niet, dan zal er uit mijn takken een vuur komen dat de zeders van de Libanon zal verteren. Wel nu burgers van Ziegem, als u te goeder trouw gehandeld hebt toen u Abimeleg tot koning uitriep, als u Jerubaal en zijn familie goed hebt behandeld, als u mijn vader naar zijn verdiensten hebt beloond. Hij is immers voor u ten strijde getrokken. Hij heeft voor uw zijn leven op het spel gezet, Hij heeft u bevrijd uit de greep van Midjan. Maar u bent vandaag tegen mijn familie in opstand gekomen. U hebt de zonen van mijn vader, zeventig man, op een in dezelfde steen ter dood gebracht. U hebt Abimeleg, de zoon van zijn slavin, tot uw koning uitgeroepen, omdat hij familie van u is. Als u kortom, vandaag de goede trouw gehandeld hebt ten opzichte van Jerubaal en zijn familie, dan wens ik u veel geluk met Abimeleg en hem met u. Maar zo niet, dan zal er uit Abimeleg een vuur komen dat de burgers van Ziegem en Bedmelo zal verteren. En er zal uit de burgers van Ziegem en Bedmelo een vuur komen dat Abimeleg zal verteren. Daarop nam Jotam de vlucht. Hij week uit naar Beer en bleef daar wonen, buiten bereik van zijn broer Aimeleg. Drie jaar had Abimeleg het in Israël voor het zeggen. Toen zeide God oneenigheid tussen Abimeleg en de burgers van Ziechem. Zodat de burgers van Ziechem hun belofte van trouw aan Abimeleg braken. Dat was om de gewelddadige dood van de zeventig zonen van Jeru Baal te wreken op hun broer Abimeleg, die hen had vermoord en op de burgers van Ziegem, die hem daarbij hadden geholpen. Om Abimeleg te benadelen, lieten de burgers van Ziechem een groep mannen zich hoog in de bergen verdekt opstellen. Vanuit hun hinderlaag beroofden die iedereen die daar langskwam. Dit kwam Abimeleg ter oren. In diezelfde tijd kwam Gaal, de zoon van Ebed, met zijn verwanten in Ziegem aan en de burgers van Ziegem schonken hem hun vertrouwen. Ze gingen weer naar hun wijngaarden, plukten de druen en perste die uit. Daarna hielden ze een oogstfeest en tijdens het feestmaal in de tempel van hun God begonnen ze Abimeleg te beschimpen. Gaal zei: Wie is die Abimeleg eigenlijk? Waarom zou een stad als Zychem onderworpen zijn aan de zoon van Jeru Baal en Zebel, zijn gevolmachtigde. Zouden wij er niet beter aan doen de nakomelingen van Gamor, de vader van Sychem te dienen? Als ik het hiervoor te zeggen had, zou ik Aimeleg afzetten. Ik zou tegen hem zeggen: kom erop met je leger, hoe groot het ook is. Zebel, de stadskommandant van Ziechem, werd woedend bij het horen van deze woorden. Heimelijk stuurde hij bodem naar Abimeleg om hem te zeggen, Gaal, de zoon van Ebed, is met zijn verwanten naar Zichem gekomen. En nu stoken zij de stad tegen u op. Kom daarom vannacht nog met uw leger hierheen en stel u verdekt op in het veld. Doe morgen bij zonsopgang een aanval op de stad. Als gij dan met zijn manschappen een uitval naar u doet, kunt u uw kans grijpen. Diezelfde nacht betrok Aimeleg met zijn leger vier verdekte stellingen in de buurt van Zichem. Toen Gaal de volgende morgen in de stadsport verscheen, kwamen Abimeleg en zijn soldaten uit hun stellingen tevoorschijn. Gaal zag hen en zei tegen Zebel: Kijk, daar komt een leger aan vanuit de bergen. Zebel antwoordde, dat is de schaduw van de bergen, die u voor een mensmassa aanziet. Maar Gaal hield vol nee, kijk maar, er komt een leger aanzetten vanaf de berg in het midden van het land. En daar gins komt nog een eenheid aan van de kant van de waarzeggersijk. Toen zei Zebel tegen hem: U moest toch zo nodig zeggen, wie is die Abimeleg eigenlijk, dat wij aan hem onderworpen zouden zijn? Hier is het leger, waarover u zo laaddunkend hebt gesproken. Vooruit, bind nu de strijd maar met hem aan. Gaal rukte uit aan het hoofd van de burgers van Ziegem en bond de strijd aan met Abimeleg. Abimeleg sloeg hem terug en joeg hem op de vlucht. Het slagveld was tot aan de stadsport toe met lijken bezaid. Abimeleg woonde in Aruma. Gaal en zijn verwanten werden door zebel uit Ziegem verbannen. De volgende dag gingen de inwoners van Ziechem weer aan het werk op het land. Toen Abimeleg hiervan op de hoogte werd gesteld, verdeelde hij zijn leger in drie groepen en stelde zich verdekt op in het veld. Zodra hij de mensen de stad uit zag komen, overview hij hen. Terwijl Abimeleg met zijn groep een aanval op de stadsport deed en die bezette, overweldigden de twee andere groepen de mensen op het land. Na een dag van strijd nam Abimeleg de stad in. Hij dodde er iedereen, maakte de stad met de grond gelijk en bestrooide de resten met zout. Toen de inwoners van Middalsegem dit vernamen, trokken zij zich terug in de gewelve onder de tempel van Elberit. Abimeleg werd ervan op de hoogte gesteld dat de inwoners van Middalsegem zich hadden verschanst. Hij ging met al zijn manschappen de salmon op. Daar kapte hij met zijn bel wat kreupel houdt, legde de takken op zijn schouder en gaf zijn soldaten bevel vlug zijn voorbeeld te volgen. Ook de soldaten kapten allemaal een bos takken en volgden Aby Meleg terug naar beneden. Ze plaatsten hun takkenbossen bij de ingang van de gewelve en staken die in brand, zodat de mensen da binnen in de vlammen omkwamen. Zo vonden ook alle inwoners van migddal Ziegem de dood. Ongeveer duizend mannen en vrouwen. Enige tijd later trok Abi Meleg op tegen Thebes. Hij belegerde de stad en nam haar in. In het midden van de stad stond een versterkte toren en daarin namen de burgers van de stad hun toevlucht, zowel mannen als vrouwen. Ze vergrendelden de poort en klommen naar het dak. Abi Meleg bestookte de toren van dichtbij. Toen hij de poort naderde om de toren in brand te steken, gooide een vrouw een maalsteen op zijn hoofd, waardoor zijn schedel werd verbrijzeld. Hij kon nog net zijn wapendrager roepen en vragen: trek je zwaard en dood mij, zodat er niet van mij gezegd zal worden, een vrouw heeft hem gedood. Zijn wapendrager doorstak hem en hij stierf. Toen het leger van Israël zag dat Abimeleg dood was, keerde de soldaten naar huis terug. Zo vergold God Abileg het kwaad dat hij tegen zijn vader had begaan door zijn zeventig broers te doden, en liet hij ook het kwaad van de burgers van Ziehem op hun eigen hoofd neerkomen. Zo werd de vloek van Jodam, de zoon van Jerobaal, aan hen voltrokken.
SPEAKER_00Rechter. Tola en Jair.
SPEAKER_01Na Abimelech kwam Tola, die optrat als bevrijder van Israël. Hij was een zoon van Pua, de zoon van Dodo, en behoorde tot de stam Isegar. Maar hij woonde in Samir in het bergland van Efreem. 23 jaar leidde hij Israël als rechter. Toen stierf hij en werd begraven in Samir. Na hem kwam Jaï uit Giliad. 22 jaar leidde hij Israël als rechter. Hij had dertig zonen, die allemaal een ezelshengst als rijdier hadden en aan het hoofd van een nederzetting stonden. Tot op de dag van vandaag worden deze dorpen in Giliad de dorpen van Jair genoemd. Na zijn dood werd Jair begraven in Kamon. Jefta als leider aangezocht. Weer deden de Israëlieten wat slecht is in de ogen van de Heer. Weer begonnen ze de Baals en Astartes te vereeren, en ook de goden van Aram, Sidon en Moab en de goden van de Amonieten en de Filistijen. Ze keerden de Heer de rug toe en diende hem niet meer. De Heer ontstak in woede en leverde hem uit aan de Filistijen en de Amonieten. Nog datzelfde jaar begonnen zij Israël te knechten en te knevelen, achttien jaar lang onderdrukte ze de Israëlieten die aan de overkant van de Jordaan woonden, in Giliad, het gebied dat ooit aan de Amorieten had toe behoord. Uiteindelijk staken de Amonieten zelfs de Jordaan over om de strijd aan te binden met Juda, Benjamin en Ephraim. De Israëlieten kregen het zo zwaar te verduren dat ze de Heer te hulp riepen en zeiden: we hebben tegen u onze God gezondigd door u de rug toe te keren en de baals te dienen. De Heer antwoordde: ik heb jullie vaak genoeg gered van de Egyptenaren en de Amorieten en van de Amonieten en de Filistijen. Ook toen jullie onderdrukt werden, door de Sidoniërs, de Amelekieten en de Maonieten, hebben jullie mij te hulp geroepen en heb ik jullie uit hun greep bevrijd. Maar telkens keren jullie mij weer de rug toe om andere goden te dienen, daarom bevrijd ik jullie niet meer. Roep die Goden maar te hulp, aan wie jullie de voorkeur hebben gegeven. Laten zij jullie maar redden in deze tijd van nood. Toen zeiden de Israëlieten tegen de Heer: we hebben gezondigd. Doe met ons wat U goed dunkt. Alleen bevrijd ons nog deze ene keer. En ze deden de vreemde Goden weg en diende de Heer. Toen kon de Heer niet langer aanzien hoe moeilijk Israël het had. De Amonieten brachten een leger op de been en sloegen hun kamp op in Giliad. De Israëlieten verzamelden zich en sloegen hun kamp op in Mispa. De leiders van Giliad zeiden tegen elkaar: degene die als eerste de strijd durft aan te binden met de Amonieten, komt aan het hoofd te staan van heel Giliat.
SPEAKER_00Zalm 74. Een gunstig lied van Asaf.
SPEAKER_01Waarom, God, hebt u ons voor altijd verstoten? Brand uw woede tegen de schapen die uw hoed. Denk aan het volk dat u ooit hebt verworven, de stam die u hebt vrijgekocht, uw eigen bezit, de Sionsberg waar u ging wonen. Kom naar de stad die voor altijd een puin ligt. De vijand liep niets van het heiligdom heel. In het hart van uw huis brulden uw tegenstanders. Zij zette er hun zegentekens neer, zoals met kapmessen wordt ingehakt, op struikgewas en kreupelhout, zo sloegen zij met bijl en breekijzer al het snijwerk kort en klein. Ze hebben uw heiligdom in de as gelegd, de plaats waar uw naam woont verwoest en ontwijdt. We vagen alles weg, zeiden ze, en alle godshuizen in het land hebben zij verbrand. Een gunstig teken zien wij niet, niet één profeet meer, en geen van ons weet voor hoe lang. Hoe lang nog, God, zal de tegenstander u bespotten, zal de vijand uw naam voor altijd beschimpen. Waarom houd uw hand zich in bedwang? Hef uw machtige hand en sla toe, God mijn koning van oudser, die verlosing brengt in het hart van het land. U heb door uw kracht de zee gespleten, en de koppen van monsters op het water verpletterd. U hebt de schedels van Leviathan verbrijzeld, hem als voedsel gegeven aan de dieren in de woestijn. U hebt bronnen en beken laten ontspringen, altijd stromende rivieren droog gelegd. Van u is de dag, van u is de nacht. U hebt maan en zon een vaste plaats gegeven, u hebt de grenzen van de aarde bepaald, zomer en winter, u hebt ze gevormd. Bedenk, Heer, hoe de vijand u bespot en dwazen uw naam beschimpen. Geef uw duifje niet prijs aan de wilde dieren. Vergeet uw vernederd volk niet voor goed. Houd uw verbond voor ogen. V is het land met duistere orden, hole van geweld. Laat verdrukte niet teleurgesteld heen gaan. Laat zwakke en arme uw naam loven. Sta op, God. Verdedig uw zaak. Bedenk dat wazen uw dag na dag bespotten. Vergeet het razen van uw tegenstanders niet. Het dieren van uw vijanden. Het klinkt voortdurend. Bedankt voor het luisteren naar deze aflevering van de Bijbel in een jaar podcast van Zeilag. Luister je morgen weer.
Podcasts we love
Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.
Zij Lacht - Elke Dag
Nederlands - Vlaams Bijbelgenootschap