Zij Lacht - Bijbel in 1 Jaar
Speciaal voor de Bijbel in een Jaar lezers van Zij Lacht! Salisa heeft elke dag het Bijbelgedeelte van de dag voor je ingesproken zodat je deze waar je ook bent kunt luisteren!
Zij Lacht - Bijbel in 1 Jaar
Dag 150 - Rechters 11 en 12 en Spreuken 26
Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.
Vandaag lezen we Rechters 11 en 12 en Spreuken 26 uit de NBV21.
📱 Volg Zij Lacht ook op Instagram voor een portie Waarheid tijdens het scrollen.
📖 Wil jij samen met andere vrouwen de Bijbel openen? Dat kan! Start een Zij Lacht groep via onze community of sluit je aan bij een bestaande groep.
Je luistert naar de Bijbel in een Jaar podcast van Zijlacht. Mijn naam is Elisa. Dit is dag 150, we lezen rechters 11 en 12 en spreuken 26, rechters 11. Nu was er in die tijd een zekere Jefta, een krijgshaftig man, afkomstig uit Giliad. Hij was door zijn vader Giliad verwekt bij een hoer. Maar Giliat had ook zonen bij zijn eigen vrouw. Toen die volwassen waren, had ze Jefta weggejaagd met de woorden: Jij krijgt geen erfdeel uit het bezit van onze vader, want je bent de zoon van een andere vrouw. Jefta had voor zijn broers de wijk moeten nemen en zich gevestigd in de streek top. Daar sloot zich een stel schurken bij hem aan, die met hem erop uittrokken. Enige tijd nadat de Amonieten hun kamp hadden opgeslagen in Giliad, bonden ze de strijd aan met Israël. Toen de oorlog eenmaal was uitgebroken, gingen de oudsten van Giliat naar top om Jefta terug te halen. Kom terug, zeiden ze tegen hem, en wees onze aanvoerder in de strijd tegen de Amonieten. Maar Jefta zei, uit minachting hebt u mij uit het huis van mijn vader verdreven. En nu u in het nauw zit, komt u bij mij. U hebt gelijk, antwoordde de oudsten van Giliat. Maar nu willen we ons met u verzoenen. Als u met ons meegaat en de strijd aanbindt met de Amonieten, komt u aan het hoofd te staan van heel Giliad. Jefta antwoordde: als u me terughaalt om de strijd aan te binden met de Amonieten, en als de Heer ze in mijn macht geeft, mag ik dus uw leider zijn? Daar kunt u op rekenen, zoere ze. Het zal gebeuren zoals u zegt: de Heer is onze getuige. Jefta ging met de oudste mee naar Giliad, waar hij door het volk tot aanvoerder en leider werd aangesteld. En in mispa herhaalde hij ten overstaan van de Heer nog eens alles wat Hij had gezegd. Jefta slaat de Amoniten terug. Jefta stuurde gezanten naar de koning van de Amonieten met de vraag: wat bezielt u om mij op mijn eigen grondgebied aan te vallen. De koning van Amon antwoordde de afgezanten van Jefta, dat weet u heel goed. Israël heeft, toen het uit Egypte wegtrok, land van mij in bezit genomen. Het hele gebied vanaf de Arnon tot aan de Jabok en de Jordaan. Ik raad u aan mij dat nu zonder slag of stoot terug te geven. Toen stuurde Jefta opnieuw gezand naar de koning van de Amonieten. Ditmaal moesten ze de volgende boodschap overbrengen. Dit zegt Jefta: Israël heeft nooit land van de Moabieten of de Amonieten afgenomen. Zo is het gegaan. Toen de Israëlieten weggingen uit Egypte, trokken ze door de woestijn naar de rietzee en kwamen daarna bij Kades. Israël stuurde gezanten naar de koning van Edom met het verzoek of ze door zijn land mochten trekken. Maar hij gaf daaraan geen gehoor. Aan de koning van Moab werd hetzelfde verzoek voorgelegd. Maar ook hij willigde het niet in. Dus moest Israël in Kades blijven. Ten slotte kozen ze hun weg door de woestijn om het gebied van Edom en Moab heen. Ze bleven ten oosten van Moab en sloegen hun tenten op aan de overkant van de Arnon. Ze zijn dus nooit op het grondgebied van Moab geweest, want ze zijn de grensrivier de Arnon niet overgestoken. Vervolgens stuurde Israël gezanten naar Gespon, naar koning Sigon van de Amorieten, met het verzoek of ze over zijn grondgebied naar hun eigen land mochten trekken. Sigon vertrouwde Israël echter niet binnen zijn grenzen. Hij verzamelde zijn troepen, sloeg zijn kamp op in Jaas en deed een aanval op Israël. Maar de Heer, de God van Israël, leverde Sigon met zijn hele leger aan Israël uit, zodat ze werden verslagen. Israël nam het hele gebied in bezit dat aan de Amorieten had toe behoord. Ze namen al het land van de Amorieten in bezit, het hele gebied van de Arnon tot aan de Jabok en van de woestijn tot aan de Jordaan. Wel nu de Heer, de God van Israël, heeft de Amorieten voor zijn eigen volk vertreven en u meent aanspraak te kunnen maken op hun bezit? Nee, wat u dankzij uw God Chemos in bezit hebt gekregen, kunt u uw eigendom noemen. Maar het bezit van degene die de Heer, onze God, voor ons verdreven heeft, is ons eigendom. Bent u soms meer dan koning Balak van Moab, de zoon van Sipor, heeft Hij ons ooit ons grondgebied betwist en ons daarom aangevallen? De Israëlieten wonen nu al driehonderd jaar in Gespon en Aruer en de omliggende dorpen en in de steden langs de Arnon. Waarom hebben de Amonieten dan niet eerder geprobeerd dat gebied te bevrijden? Ik heb u niets misdaan, maar U doet mij onrecht door mij aan te vallen. Laat de Heer de hoogste rechter vandaag rechtspreken tussen de Israëlieten en de Amonieten. Maar de koning van de Amonieten trok zich niets aan van de boodschap die Jefta hem had laten overbrengen. Toen werd Jefta gegrepen door de geest van de Heer. Hij trok door heel Giliad en Manasse, ging daarna weer terug naar Mispa in Giliad en trok van daar naar het gebied van de Amonieten. Hij beloofde de Heer, als u de Amonieten aan mij uitlevert en ik behoud de terugkeer, dan zal de eerste die me vanuit mijn huis tegemoet komt voor u zijn. Die zal ik als brandoff aan u opdragen. Toen trok hij op tegen de Amonieten en bond de strijd met hen aan. En de Heer leverde ze aan hem uit. Jefta sloeg G terug van Arouer tot minit en Abel Keramim en nam daarwij niet minder dan twintig steden in. Zo bracht hij een zware nederlaag toe aan de Amonen, die het hoofd moesten buigen voor de Israëlieten. Toen Jefta terugkwam bij zijn huis in Mispa, werd hij met rijdansen en trommelspel verwelkomd. Zijn dochter ging voorop. Zij was zijn enige kind, andere zonen of dochters had hij niet. Meteen toen hij haar zag, scheurde hij zijn kleren en riep uit: ach, mijn kind, dat jij me deze slag moet toebrengen, dat juist jij het bent, die me in het ongeluk stort. Ik heb de Heer een gelofte gedaan, en daar kan ik niet op terugkomen. U hebt de Heer een gelofte gedaan, vader, antwoordde ze, nu Hij u gewroken heeft op uw vijanden, de amonieten, moet U met mij doen zoals u hebt beloofd. Maar dit wil ik nog vragen: gun me voordat u uw gelofte ten uitvoer brengt nog twee maanden tijd, zodat ik met mijn vriendinnen de bergen in kan trekken om erover te treuren dat ik nooit iemands vrouw zal zijn. Goed, zei Jefta. En hij liet haar voor twee maanden de bergen ingaan om met haar vriendinnen, om haar maagdelijkheid te treuren. Toen die twee maanden voorbij waren, keerde ze naar haar vader terug en hij bracht zijn gelofte ten uitvoer, nooit had ze met een man geslapen. Sindsdien is het in Israël de gewoonte dat de jonge meisjes elk jaar vier dagen lang rauw klagen om Jefta's dochter.
SPEAKER_00Rechter 12. Conflict met Efraïm.
SPEAKER_01De Efreemieten brachten een leger op de been en staken de Jordaan over naar Savon. Waarom bent u tegen de Amonieten opgetrokken zonder ons erbij te betrekken, wilden ze van Jefta weten. We zullen u met huis en al verbranden. Jefta antwoordde hun: Toen mijn volk en ik in oorlog waren met de Amonieten, heb ik u opgeroepen, maar u bent me niet te hulp gekomen. Dus toen ik merkte dat er van uw kant geen hulp te verwachten was, ben ik met gevaar voor eigen leven zelf tegen de Amonieten ten strijde getrokken. En de Heer heeft ze aan mij uitgeleverd. Waarom valt u mij nu dan aan? Daarop riep hij alle mannen van Giliad op, bond de strijd aan met de Efraïmieten en versloeg hen. De Efraïmieten hadden namelijk gezegd: jullie zijn niets anders dan een stelgevluchte Efraïmiete. Giliad hoort bij Manasse en dus evengoed bij Efreem. Daarna bezette de Giliadieten de oversteekplaatsen van de Jordaan om de Efraïmieten de terugtocht te beletten. Wanneer een Efraïmiet die wilde vluchten, vroeg of hij de rivier mocht oversteken, vroegen ze hem: Kom jij uit Efraïm? Dat ontkende hij natuurlijk. Maar dan vroegen ze: Zeg eens Schibolet? Als hij dan Sibelet zei en het woord dus niet goed uitsprak, grepen ze hem en doden ze hem ter plekke. Er sneuvelde in deze strijd niet minder dan 42.000 Efraïmieten. Zes jaar leidde de Gileadiet Jefta Israël als rechter. Toen stierf hij en werd begraven in zijn woonplaats in Giliad. Ipsan, Elon en Abdom. Na Jefta leidde Ipsan uit Bedlichem Israël als rechter. Hij had dertig zonen. Zijn dertig dochters huwelijkste hij buiten zijn eigen familie uit. En ook voor zijn zonen koos hij dertig bruiden van buiten de familie. Zeven jaar leidde hij Israël. Toen stierf hij en werd begraven in Betlegem. Naem leidde Elon uit de stam Zebulon Israël als rechter. Tien jaar leidde hij het land. Toen stierf hij en werd begraven in Ajalon, in Zebulon. Nahem leidde Abdon, de zoon van Hillel uit Piraton Israël als rechter. Hij had veertig zonen en dertig kleinzonen, die allemaal een ezels hengst als rijdier hadden. Acht jaar lang leidde hij Israël. Toen stierf hij en werd begraven in Piraton in Ephraim, in het bergland dat ooit aan de Amelieken had toe behoort, spreuken 26. Zoals sneeuw niet bij de zomer past en regen niet bij de oogst, zo past eer niet bij een dwaas. Zoals een vogel wegvliegt, zoals een zwaluw weg wiekt, zo vervliegt een ongegronde vloek: een zweep voor het paard, een teugel voor de ezel, een stok voor de rug van een dwaas. Antwoord een dwaas niet met dwaasheid, anders ben je net als hij. Antwoord een dwaas naar zijn dwaasheid, anders denkt hij dat Hij wijs is. Wie een dwaas een boodschap laat bezorgen, brengt zichzelf veel schade toe. Hij is als iemand die zijn eigen voeten afhakt. Een spreuk in de mond van een dwaas is even slab als de benen van een lammen. Wie eergeeft aan een dwaas, is als iemand die de slinger om de steen knoopt. Een spreuk in de mond van een dwaas prikt even weinig als een dorn in de hand van een dronkaard. Wie een dwaas in dienst neemt, of een onbekende, is als een boogschutter die blindeling schiet. Zoals een hond terugkeert naar zijn eigen braksel, zo herkoudt een dwaas zijn dwaasheid. Ken je iemand die zichzelf veel wijsheid toedicht? Voor een dwaas is er meer hoop dan voor hem. Een luiaard zegt: er zwerft een leeuw door de straten. Buiten sluipt hij rond. Zoals een deur in zijn scharnieren draait, zo draait een luiard zich om in zijn bed. Al heeft een luiwaard zijn hand in de schaal. Hij vindt het te vermoeiend om hem naar zijn mond te brengen. Een luiaard vindt zichzelf veel wijzer dan zeven mensen met een afgewogen oordeel. Wie zich in een ruzie mengt die hem niet aangaat, trekt aan de oren van een hond die rustig voorbij loopt. Zoals een dolle man maar in het wilde weg schiet met brandende pijlen dood en verderf zaait, zo is iemand die zijn vriend bedriegt en zegt het was maar voor de grap. Als er geen hout meer is, dooft het vuur. Als de lastenraar verdwijnt, eindigt de ruzie. Kolen laat te gloeien, hout doet vlammen, een onruststoker laat een twist ontbranden. De woorden van een lastenraar zijn als lekkernijen, die makkelijk in de maag verdwijnen. Als zilver glazuur op een aarde pot, zo zijn warme woorden uit een keel hart. Al verbloemt iemand zijn haat met mooie woorden, ten diepste is hij een bedrieger. Al spreekt Hij vriendelijk, vertrouw H niet, zijn hart is door en doorvals. Al verhult hij zijn haat met leugens, zijn kwaadaardigheid komt toch aan het licht. Wie een kel graaft voor een ander valt er zelf in. Wie een steen op iemand afrolt, komt er zelf onder. Wie kwaad spreekt haat zijn slachtoffers. Een vlijer wil hun ondergrond bedankt voor het luisteren naar deze aflevering van de Bijbel in een jaar podcast van Zeilacht. Luister je morgen weer.
Podcasts we love
Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.
Zij Lacht - Elke Dag
Nederlands - Vlaams Bijbelgenootschap