Andre Manuel's De Eenzame Ziel

De Wandelende Hond

Andre Manuel Season 1 Episode 4

Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.

0:00 | 25:48

Over Dylan. Namens Dylan. Zoals Dylan. En langer dan Dylan. En dan valt er ook nog eens nergens het woordje Bob. Hoe is het mogelijk!

SPEAKER_02

Ja fijn luister, u bent weer rechtstreeks verbonden met mij, André Manuel, de eenzame ziel. Ik heb vandaag weer drie liedjes gemaakt voor jullie. Hoewel liedjes: die zijn meer muzikale uitspattingen. In ieder geval één ervan. Als eerste ik heb niet zoveel tijd, want het zijn nogal lange dingen. Dus als eerste een nummer geïnspireerd op. Ik was van de week een televisieserie aan het kijken, De Boys. En agressieve, anarchistische, vrolijke, humoristische. Super heldenachtige porpie. En helemaal op het einde van een aflevering is dat een liedje waarvan ik dacht van hé, dat is Bob Dylan. Met het liedje in my time of dying. En toen dacht ik bij mezelf van, hé, dat moet Bob Dylan nog te verstaan. Misschien moet ik zelf ook deze keer maken dat het te verstaan is. Dus bij deze liedje dat te verstaan is. Bob Dylan in my time of dying. In mijn geval is dat veranderen in de Engelse derven als een hond, ik wil vallen als een hemel bij de grond. Ik wil leven als een luis. Ik wil sterren. Ik wil sterren, ik heb nu al nerg spuit van, het is zo als is, ik hoef geen mij afgener. Geen vergeffenis. Nee, ik zoek geen vergevenis. Voor wie leeft zonder het vrees komt de ergen ook als straf. Maar loot in eigen handen. Ik graaf mijn eigen graf.

SPEAKER_01

Oeh ik graf mijn eigen graf. Ik wil heel veel.

SPEAKER_02

Ik wil alleen blijven steran. Sterkkande vorgen voor vreemde met te vrij. Stuur je terug naar la terre. Niemand sterft voor mij. Niemand sterft voor mij. Niet te lang gevoel gehad. Niet de armo kijk. Ik doe de tonga in de schaduw van werk. Ik ga sterven, maar die mooi is, die best die houden, ik wil sterven. Ik wil sterven sterven als een hond, dat hele vingerprikking gedoe met zo'n duimpje dat men voor blijft bewegen als een op zichzelf staand, masturberend lichaamsdeel. Daar is nog wel even oefenen. Maar ik ben nog maar 60. Het volgende ding is een wat langer ding. Het is een verslag van een avondwandeling. Ik wandel nogal. En ik dacht bij mezelf, misschien vond ik heel leuk om een wandeling al wandelende op tekst te zetten en dan vervolgens die tekst uit te werken en die tekst dan weer op muziek te zetten. En dat is het volgende lichtje geworden de avondeten. Iedere avond, Iedere avond trek ik de deur achter mee, de deur van mijn huis. En dan zet ik het op lopen. En mijn huis is niet zomaar een huis, maar een zaak van een potantie een voormalige kapenza van kap op die vloer. Op je vloer vinger in het oor zonde kinderen echt bijna nooit een kapelvloer als een kapers hebben een gat in vloer, ik verzin dan niet een gat in de vloer heb ik een hool in mijn flor. Maar al het haren van mijn dorps genooting verdween, alle afgeknip daarat ik zorgvuldig blijf, dat u niet denk dat ze er nog aan vast zaten, zoals ik ook vanuit diezelfde zorgvuldigheid moet vermelden. Dat kapper op je vloer slechts twee manieren van knipen had lang of kort, lang. En er stond een rekje op de toonbank, op een toonbank met een rekje, zo'n ronddraaiend rekje met kondoom, zodat ik nog steeds als ik ergens in een kapperstoel plaats neem, niet alleen een beetje draaierig word, maar ook nog een erectie krijg, maar dat is een ander verhaal voor hele andere leeftijden. Ider aftrek ik de deur achter me dicht, de deur van dat huis en dan zet ik het op een loop. En in het dorp wat je geen dorp mag noem, maar een stedek van een hele chique omschrijft is voor een dorp. Maar in die dorp sta je dus op het moment dat je top zet, direct standen bij buiten in de wij, in de wee. En als ik zeg, buiten dan bedoel ik het buiten zoals iemand die weet wat het buiten is, zegt: ik is het buiten zoals het buiten bedoel ik. In het groener blauw, tussen de bomen de weilanden en het water, tussen de rond spuiteren de roze bosjes. De rood bosjes die een stukje met je opvliegen, die je de goede kant op sturen, zodat je niet vertwaalt. Tussen de kikkers en de koeien de kwik staatjes het buiten waarin ik de eerste 20 jaar van mijn leven niet één keer op mijn telefoon heb gekeken. En wat ik heb leren adem, wat ik heb leren lezen, Wor ik heb leren luister, wat ik leren denk ik aan Jan Bokes denk. Wor ik aan de broer van Janwoekers denk, aan de boeken van je wokers een diertje als een vrouw en ik bedenk dat Jan Wokers schreef zoals ro ik elke gitaar speel. Voor op de bekker. En ik pist tegen een boom aan de rand aan de rand van de wei van King de weide van zal man King maar ooit zo lute belofte. Du jeeën zullen bloeien. En ik kijk naar de weerspiegeling van een witte rode dron in het kabelende water van de molenbeek. En ik weet nog hoe mijn moeder ons leden zwemt. In diezelfde molenbeken zwembroek met een ringje. Alles op de groei. En dat verleden om een half uur onze adem in te houden. Om een half uur met onze kinderkopjes onder water te blijven. Om zo te ontsnap aan de razen. De blind raar zijn. Van de huisend, fuerieuze bloedarstig, rachende, blind vliegen, steek je vliegen. En iets verderop in de kolk van de Malenbeek heb ik ooit met een plak brood op een karpel gevist: die ene karpe die daar al duizend jaar zwon. Ik heb op hem gevist met een plak brood die op het water dreeft, een sneerstoet een plat gedrukt plak brood, bagage dragen brood. En terwijl ik aan het vissen was, op die eenhaal duizend maal gevangen karpen, zag ik plots liefde topper de lucht ingaan echt, ik zier, ik zwe het, ik zag mijn dobber de lucht in gaan. En verbouwerer als toch ergens het woord verbouwereerd op zijn plek was. Verbouwer zag ik een eind wegvliegen met mijn sneestoel. Met mijn dobber en met mijntje, een uitschuibaar engeltje moet echt alles op de groei, en weer iets verderop boven de zandvang. Bov de zandvang van de schip zou ik een zon ondergaan zoals een zon altijd onder zou moeten gaan voor alles een oorlog is een ondegaande zon alles zoveel draagelijk gemaakt. In een oorlog van oorlog moet je draag maken, omdat het anders niet te doen is, en het is altijd wel ergens oorlog. Ook hier, ook hier is het altijd wel ergens oorlog, je moet alleen wel even opletten. Ook hier, want let op, er zit hier russen te vissen, russen zijn rach. Er zitten russen tussen de padeboem langs de zandvang. Vissen de russen. Zoals je ooit Duitsers zaten te vissen. Duitsers die visten door een panzervoest in de schielweg te gooien. En de aan de oppervlakte drijvende vissen. De verdoofde vissen, te duizend verdoofde vissen in een arma, in een middageloze armen na, om die dan aan Hieten te kunnen laten zien. Op maar Onkel Adolf, ik heb hier een vis met gebracht een vis vuur de vaten lang zonder schaat, zonder vroeging mee de hoge oor. En wij bestaan bij en we kijken en nan zo gaat het met ons, de pacifisten. De Passivisten hebben de oorlog al verloren voordat die oorlog begonnen is, voordat die oorlog begonnen is en een van die panzervouwsten een van die duizend panzervoisten heeft 45 jaar na de Tweede Wereldoorlog nog een klasgeno van mij weten te vermoorden. Een klasgenoot van mij, ja, het was mijn klasgenoot. Die in zijn garage met een hamen, een werkbank en een inschattingsfout. 45 jaar na de bevrijding alsnog toe wisten treden tot het gezelschap ter gevallen. Een alsmaar uitdijende gezelschap ter gevallen. Zoals Gelgen viel, zoals wolkes viel, zoals vrienden viel. On inmiddels zijn we belangrijk. We allemaal zullen beland. Keurig in de rij. Ook de algemene begraafplaats. Niet te verwarren met de bijzondere begraafplaats iets verderop. Of de hele bijzondere begraafplaats nog iets verderop. Nee, dit is de algemene begraafplaats waar een uil namen zit te schreeuwen. Dat ik naar huis moet. En waar ik elke avond nog even bij het graf van en die vrienden sta, even. En dan fluister ik de peil. Van jou. Het is het vrolijkste graf ter wereld. Met z'n duizenbloemen en geen enkele granaar. Het is al. Zo zij dan liggen: schuin tegenover het graf van Alexis van Julietje. Schuin achter over het graf van Joopiem. Rechts liggen mijn grote oude. Links liggt mijn moeder. En daar liggen de twee jongens die dit dorp hebben bevrijd. Twee jongens die een heel dorp hebben bevrijd. Daar komt u nog. En in die dorp kan je dus helemaal geen dorp mag noemen. Het dorp tot al 921 jaar geen millimeter van zijn plek is gekomen. In die dorp ben ik geboren. En in die dorp van de bovendoor de bovendoor van de kerk van de aardigheid. En again en again en again en again en again. Tot slot, dames en heren. Een liedje uit waarschijnlijk mijn nieuwe voorstelling weet ik nog niet over het inderdaad terechtkomt, maar het is in ieder geval qua thema gewoon geschikte om daarin te geplaatst te worden. Een liedje over de laatste mensen op aarde. Dat lijkt mij geweldig om een voorstelling te maken over de laatste mensen op aarde en allemaal gelangheid typen. Worden dan natuurlijk de laatste woorden bij gesproken namen van de mensheid. And daar gaat het volgende liedje over. Ik wens u allemaal weldig dag doen en veel zonderheid. Avertoe buiten van de dingetjes worden ook blijven groeien.

SPEAKER_00

Wordt het allemaal de eerste klaar worden, solution voor ons raar wordt het rijige zondaag of een duivel.

SPEAKER_02

Een zijat. Wat een Duits Intritie Rozen Nacht een hele Acht Joast Zeker Oberlijke Almachtige ook de laatste zullen wordt een heilig soldaat een man een gitaar. Over my child. Have my love no more.