Eerlijk duurt het langst
Een podcast op het grensvlak van recht, theologie en hermeneutiek
Eerlijk duurt het langst
8 Terug naar de tekst - moeilijk, of onmogelijk?
Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.
In deze aflevering ga ik uit van de stelling dat we bij het Bijbellezen moeten aansluiten bij het ‘originalism’. In komende afleveringen wil ik die stelling aan de hand van verschillende theologen uit het verleden toetsen. In de tweede helft van aflevering 8 illustreer ik de moeilijkheid om een ingang in de tekst te vinden. Dit aan de hand van ‘Voor de wet’ van Franz Kafka.
Zemet.
SPEAKER_00Zulke moeilijkheden had de man van puiten niet verwacht. De wet moet toch voor iedereen en altijd toegankelijk zijn, denkt hij. Dit is een citaat uit het korte verhaal met de titel Voor de wet van Frans Kafka. Dit verhaal staat centraal in deze aflevering van Eerder duurt het langst, die de titel heeft Terug naar de tekst. Moeilijk of onmogelijk. Fijn dat u luistert. In de eerste helft van deze aflevering kunt u een pleidooi verwachten om inderdaad terug te gaan naar de tekst. In de tweede helft ga ik in op de vraag of dit eigenlijk wel mogelijk is. En dat doe ik dan in de tweede helft aan de hand van het verhaal voor de wet van Kafka. Op basis van wat in eerdere afleveringen aan de orde kwam, wil ik nu eerst een hypothese formuleren voor wat in verdere afleveringen nog komt. En de hypothese is dus de veronderstelling dat de uitgangspunten van het originalisme, zoals dat eerder aan de orde kwam, ook toegepast moeten worden op het lezen en begrijpen van de Bijbel. Dat zou dan betekenen dat de drie valkuilen die eerder aan de orde kwamen aan de hand van Scalia ook door Bijbelezers moeten worden vermeden. De eerste valkuil is dat de menselijke auteur van de Bijbel niet gebruikt moet worden om de betekenis van de tekst aan te passen. De tweede valkuil is dat we ons eigen subjectieve oordeel niet leidend moeten maken bij de waardering van Bijbelse geschriften. En de derde valkuil is om de uitleg van de Bijbel niet aan te passen aan de tijdgeest. Iets wat vaak als vooruitgang wordt gepresenteerd. De bedoeling is om op die manier zo dicht mogelijk te blijven bij de tekst zelf en bij de betekenis die deze tekst oorspronkelijk had. Het is misschien wel in lijn met de laatste woorden van de Bijbel zelf uit openbaringen, waarin de oproep klinkt om niets aan het boek toe te voegen en er ook niets aan af te doen. De vraag is natuurlijk wel of dit mogelijk is en hoe dit dan mogelijk is. Ik wil deze hypothese om het originalisme toe te passen op het lezen van de Bijbel in komende afleveringen testen toetsen aan de hand van theologen uit het verleden en de manier waarop zij de schrift hebben uitgelegd. Ik begin daarmee met Augustinus. Maar voordat dit in andere afleveringen aan bod komt, wil ik eerst de moeilijkheid nog eens benadrukken waar iedereen mee te maken krijgt die terug wil naar een tekst zelf, of dat nu een wettest is, of een tekst uit de Bijbel. En om die moeilijkheid te benadrukken, daarvoor gebruik ik dan de korte parabel het korte verhaal. Voor de wet van Frans Kafka. Kafka was een in Oostenrijk geboren Joodse schrijver. Zijn boeken zijn na zijn dood beroemd geworden. Hij schrijft aan de ene kant heel precies, aan de andere kant gebeuren er voortdurend dingen in zijn verhalen die bij de lezer vervreemding oproepen. Mij gaat het in deze aflevering dus vooral om dat korte verhaal voor de wet. Wat staat daarin? We lezen dat er een man van buiten wil toegang tot de wet. Maar voor de wet staat een wachter. De man van buiten komt er niet langs. En die wachter weet ook nog te vertellen dat als je wel naar binnen zou gaan, dat er op veel plekken nog veel grotere wachten staan dan hijzelf. De man verbaas zich. De wet is er wel. Hij staat voor de ingang. Maar de wet is voor hem niet toegankelijk. Zijn leven lang blijft hij bij die ingang wachten. En kort voor hij sterft, krijgt hij van de wachten nog te horen dat hij de ingang nu zal sluiten. Want die ingang was namelijk alleen voor deze man bedoeld. Nou, dat is best een ongemakkelijk verhaal. Wat ook op heel verschillende manieren is gelezen later. Bijvoorbeeld door juristen die menen dat de strekking van het verhaal waarschuwt tegen een overvloed aan regels en bureaucratie. Het is gelezen door filosofen als Agamben en Derida. Die het verhaal betrekken op de werkelijkheid. Het is ook al vroeg gelezen met een theologische bril. Daar gaat het mij het meest om in deze aflevering. En ik denk dan aan een discussie die er al was tussen Geshom Solem en Walter Ben in de jaren 30 van de vorige eeuw. Benjamin en Solem waren beide in Duitsland geboren en hadden een Joodse achtergrond. In de jaren 30 bevond Behemin zich in Europa en Solem in Jeruzalem. Ze schrijven elkaar brieven. Beide hebben een filosofische en theologische interesse. Je merkte in die briefwisseling iets van de drukkende sfeer zo kort voor de Tweede Wereldoorlog. Maar in die brieven komt ook iets aan bod van de discussie die zij hadden over het werk van Kafka. BeMin schreef daar toen ook een essay over. Even over Kafka, wie meer van hem gelezen heeft, weet hoe onheilspellend dat werk van hem kan overkomen. Ik denk bijvoorbeeld aan zijn roman Het Proces. Wain een zekere Jozef K. zijn achternaam wordt niet voluit genoemd, wordt aangeklaagd. Maar hij komt er nooit achter waar voor precies. In die roman gebruikt Kafka trouwens ook dat korte verhaal van voor de wet. En hij laat een priester. Laat hij dit aan de hoofdpersoon vertellen. En die priester geeft er daarna ook verklaringen van dat verhaal voor de wet. Maar dat zijn ook tegenstrijdige verklaringen. De priester geeft dat trouwens zelf niet toe en zegt dat hij juist heel dicht bij de tekst blijft. Maar dan blijkt ook die korte tekst van voor de wet, die man die naar binnen wil en de wachten die hem tegenhoudt, ook die korte tekst blijkt ambigu. Hermenuid is het interessant. Kafka geeft zelf alle verschillende duidingen van het verhaal dat hij zelf verzonnen heeft. Hij is eigenlijk de eerste die in een roman interpretaties geeft van zijn eigen verhaal. Maar daarmee maakt hij het ook alleen maar onmogelijk om die wet echt binnen te gaan. Want dit verhaal zou dan ook iets zeggen over hoe je de wet moet lezen. Maar dat Kafka al zelf verschillende verklaringen geeft, wordt het nog moeilijker om daar één heldere uitleg aan te geven. Nou, Behemin en Solem. En die verbinden de wet zoals het in het verhaal voorkomt. De man die toegang wil tot de wet. Dat verbinden zij aan de wet van God, aan de oude geschriften. En wat Christen het Oude Testament noemen. Die worgt voor schuld. Maar lukt het ook om door die wet terug te gaan naar God zelf. Kun je daar binnenkomen? Benjamin is daar iets hoopvoller nog over dan Solen. Benjamin houdt de mogelijkheid open van een vage Messianse hoop. Het is wel mooi als zij dat doet aan de hand van een verhaal. Hij zegt het verhaal dat een rabbi eens vertelde van een prinses die verbannen was naar een vreemd land. Ze woonde daar in een dorp en ze sprak de taal van de mensen niet. Op een dag kreeg zij een brief van haar verloofde dat hij haar niet had vergeten en naar haar onderweg was. Uit blijdschap kookt zijn heerlijke maaltijd omdat ze verder de taal van de mensen het dorp niet spreekt. De uitleg de verloofde die de brief schrijft, is de messias. De prinses is de ziel. En het vreemde dorp is haar lichaam. Het lichaam is er dus vervreemd. Is er ook een kloof tussen de messias en haarzelf. Een mooi verhaal waar je op zichzelf al lang over door kan praten, dat zal ik hier niet doen. Behalve dan dat Benin zegt dat Kafka te maken had met de sfeer van het dorp. Met een vervreemding. In dat dorp is God afwezig. Maar door dit verhaal wekt Behemin tegelijk de gedachte dat er toch eens een Messias zou kunnen komen van buitenaf. Solem is in zijn duiding van Kafka pessimistisch. Volgens hem is het duidelijk dat Kafka rekent met de wet als religieus systeem. Die wet is er ook. En die wet werkt op zichzelf ook wel. Alleen mensen weten niet hoe die wet werkt. En ze hebben er uiteindelijk ook geen toegang toe. Solem zegt het gaat Kafka niet om de afwezigheid van God en zijn wet. Maar in de aanwezigheid van de wet is het tragische dat de mens zich ervan bewust is, maar geen toegang heeft. De wet is ontoegankelijk en onuitvoerbaar. Onmogelijk uitvoerbaar. En tegelijk dringt hij zich wel op. Voor deze aflevering gebruik ik het verhaal van Kafka als beeld voor de Bijbeltekst die wij wel in handen hebben, maar waarin wij geen ingang vinden. Met andere woorden, in het verband van deze aflevering, je kunt wel pleiten voor een terugkeer naar de tekst zelf met originalisme in gedachten. Maar de vraag dringt zich dan op: is er wel een ingang? Wil God zelf ons toegang verlenen? In christelijk denken kom dan al snel de gedachte op aan de Heilige Geest? Het is tot de Geest van God, die ons toegang verleent tot zijn woorden en die woorden duidelijk maakt. Maar de vervolgvraag is wat dat dan precies zegt. Hoe kun je met een beroep op de Heilige Geest toegang hebben tot de Bijbel, tot het woord van God? In de komende afleveringen zal die spanning steeds terugkomen. Je bent op zoek naar de ingang van de tekst. Het gaat je om de tekst zelf. Maar hoe kom je eigenlijk binnen? Bedankt voor het luisteren en graag tot de volgende keer.