Eerlijk duurt het langst
Een podcast op het grensvlak van recht, theologie en hermeneutiek
Eerlijk duurt het langst
13 De hermeneutiek van Augustinus 2: De regula fidei
Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.
Allereerst een droom van Monica, de moeder van Augustinus. Om vervolgens dieper in te gaan op de regels die Augustinus gebruikt om de Bijbel uit te leggen.
In deze aflevering begin ik bij een droom van Morica, de moeder van Augustinus. Om uiteindelijk uit te komen bij een kernregel hoe Augustinus zelf de Bijbel interpreteert. Welkom bij aflevering 13 van Ere duurt het langst. De tweede aflevering over de hermeneutiek van Augustinus. En in het bijzonder over de Regula fidee. Latijnse term die ik gelijk even zal verhelderen. Eerst maar dat woordje regula. In een droom ziet Monica zichzelf op een regula staan. Wat is dat dan? Je kunt het vertalen met houten lineaal. Met een houten meetlat. De Franse onderzoekster Suzanne de Pok stelt zelfs dat we hier moeten denken aan een houten waterpas die wel 6 meter lang was. Zo'n waterpas werd gebruikt om te kijken of een aquaduct in aanbouw wel recht lag. Monica staat er dus bovenop. En terwijl ze op die regula staat, huilt zij van verdriet. In haar droom komt de jongeman naar haar toe en vraagt wat eraan scheelt. Ze vertelt dat ze huilt om haar zoon Augustinus. Die zich bij de secte van de Manigeus heeft aangesloten in plaats van bij de Katholieke kerk. De jongeman troost haar en zegt: Je zoon staat waar jij nu ook staat. En inderdaad, ze ziet hem naast zich staan op dezelfde plek. Augustinus vertelt hierover in boek 3 van zijn beleidenissen. Hij vertelt ook dat hij er op dat moment niet aan wil. Als zijn moeder dit zegt. Je zult wel bedoelen, zegt hij tegen haar, dat jij nog eens een keer op de plek komt waar ik al ben. Nee, zegt zijn moeder. Nee. De jongeman zei dat jij komt te staan waar ik al sta. Jij komt op mijn plek te staan. Dat is op zichzelf wel aardig, Augustines. Die de droom van zijn moeder hoort, wilde men zijn eigen voordeel uitleggen. Maar zijn moeder houdt vast aan wat er letterlijk gezegd werd. En zij blijkt ook gelijk te hebben. Aan het eind van boek 8 van de belijdenissen schrijft Augustines over zijn bekering. In een tuin in Milaan hoort hij een kind zingen. Hij ziet het niet, maar hij hoort het wel. Neem eens. Neem er ees. Hij ziet het als een aanwijzing en slaat er gedeelte op en leest uit Romeine 13, vers 13 tot 14. Ik lees die verse even voor uit de Erinestatenvertaling. Paulus schrijft daar. Laten wij als op klaarliggende dag op een gepaste wijze wandelen. Niet in zwelgpartijen en dronkenschappen, niet in slaapkamers en losbandigheden, niet in ruzie en afgunst. Maar bekleed u met de Heer Jezus Christus en verzorg het vlees niet om begeerd op te wekken. Augustinus, die daar de Bijbel opengeslagen heeft, betrekt dit woord gelijk ook op zichzelf. En het is voor hem het moment van zijn definitieve omkeer. Daar hebt u mij bekeerd tot uzelf. Schrijft hij even later zijn beleideris. En gelijk herinnert hij zich dan ook de droom van zoveel jaar geleden. De droom van zijn moeder. Nu sta ik ook op de meetlat. Op de waterpas. Op de regula. Precies zoals u o God jaren eerder aan mijn moeder had laten zien. Al voegt de Augustinus er nu nog iets aan toe. We staan. Ik sta op de regula fidee, zegt hij Heer. Hij zegt er dus nog iets bij. En dat betekent niet de meetlat, zo kun je het wel vertalen, regula op zich. Maar als fidee erbij is, dan betekent dat de regel van het geloof. Het was een bekende term in de vroege kerk. De waterpas waar ze samen op stonden, is niets anders dan de regel van het christelijk geloof. Je kan daarbij denken aan een korte, verhalende samenvatting van wat het geloof betekent. Als een voorloper op de latere beleider is die men deed bij de doop. In de tijd van Augustinus is het al zo dat je dan bij de regulare fidee kunt denken aan de korte beleidenis die bij de doop wordt uitgesproken. Het geloof in de Vader, de Zon en de Heilige Geest, het verlossende werk van Christus. Het tokomende oordeel, de wederkomst en de kernpunten van het christelijk geloof. Later krijg je dan de apostolische geloofsbleidenis. Da kun je wel aan denken bij de regulare fidee die in een veel vroeger stadium daaraan vooraf gaat. Al in de tijd zelfs dat de kaan nog niet helemaal af is en tot ontstand komt. Iemand als Ireneus in de tweede eeuw spreekt er al over. Als iemand de regel van het geloof kent, dus waar het op neerkomt, waar het op aankomt, en die regel ook persoonlijk beleid. Dan kun je hem of haar herkennen als iemand die staat op dezelfde grondslag. Dat het woord ook waterpas betekent, zelfs zo'n grote waterpas die voor een aquaduct gebruikt werd, geeft er nog een extra laag aan. Aan de regel kun je nagaan of je eigen geloof of het geloof van iemand anders in overeenstemming is. Gelijklicht aan het orthodoxe geloof van de kerk dat gefundeerd is op de Bijbel. Het heeft dus ook een normatieve betekenis. Later komt in de geschriften van Augustinus die term weer terug. Regula fidee. Met name in zijn belangrijke boek De Doctrina Christiana. Over de christelijke leer of eigenlijk over de vraag hoe je de Bijbel moet en kunt lezen. Een uitisch boek bij uitstek van Augustinus. Hij zegt in het boek daar heel veel over. Hoe de Bijbel kunt lezen, maar twee hoofdregels vallen op de regel van de liefde. En de regel van het geloof. Die laatste is dus de regula waarover we het steeds hebben. Wat betekent dit hemmen uit? Allereerst dat Augustinus in zijn boek twee criteria geeft. Die je zou kunnen noemen een uitkomstcriterium en een inhoudscriterium. Ik leg het even toe. Eerst het uitkomstcriterium. Daaraan kun je denken bij de regel van de liefde. Augustinus zegt: als je de Bijbel uitlegt, moet elke uitleg ten goede komen aan het dubbelgebod van de liefde tot God en tot het naaste. Als je uitleg daartoe leidt, dan is het goed. En zelfs als je misschien nog niet helemaal goed begrepen hebt wat er staat, maar je uitleg leidt wel tot de liefde. Dan ben je misschien bij een omweg, moet je er wel wat bijleren, maar dan ben je alsnog goed uitgekomen. En als een letterlijke lezing van de schrift ons niet bij zo'n uitleg brengt, dan heb je toch het hulpmiddel van de allegorische lezing. Een voorbeeld daarvan van zijn allegorie. Is bijvoorbeeld dat ik tegenkwam in de studie van Ari Swiep over de Bijbelse herbenatiek, de geschiedenis daarvan. Een korte allegorische duiding is de vijf stenen die David uitzoekt in de beek om met zijn slinger de reus Goliat te verslaan. Die vijf stenen, zegt de Augustes. Die staan voor de vijf boeken van Mozes. Voor de wet. De vijf boeken van Mozes. Als je je daar aan houdt, is dat de manier waarop je de vijand kunt verslaan. Dat is zo'n toepassing, waar je eigenlijk anders niet gelijk iets uit haalt, de letterlijke lezing van die vijf stenen. Maar op deze manier wel. Het inhoudscriterium is de regel van het geloof? Die ontvangen we vanuit het schrift en vanuit het gezag van de kerk, schrijft Augustinus. En deze regel bepaalt vooraf welke interpretaties sowieso buiten de boot vallen. Ze roept gelijk een interessante vraag op. Want waar komt die regula vandaan? Die regel van het geloof. Als je bijvoorbeeld denkt aan de beleleidenis die daaruit voortgekomen is. Bepaalt de Bijbel de beleidenis? Of bepaalt de belijdenis de Bijbel? De regula fedei, de regel van het geloof, leidt een soort richting aanwijzen van bovenaf. Maar wie heeft ze eigenlijk opgesteld? Komt ze allereerst ook niet van onderop? Dat is een spanning om in deze aflevering niet gelijk op te lossen, maar nog even te laten staan. Vooral omdat er een parallel is met hoe juristen de wet lezen. En die parallel wil ik later nog bespreken. Voor nu is het ook nog aardig om even Scadia in het achterhoofd te nemen. Met een inhoudscriterium zou hij waarschijnlijk wel instemmen. Hoe moet een tekst gelezen worden? Naar de maatstaf van de tijd waarin hij werd opgesteld. Inderdaad. Scadia pleit daarvoor. De manier om een tekst te interpreteren, is uit te gaan van de tekst zelf, maar dan zoals die tekst begrepen werd in algemene zin grammaticaal inhoudelijk in de tijd waarin het tot stand kwam. Hoe moet de Bijbel gelezen worden naar de maatstaf van het apostolische geloof? In de tijd dat de schrift ontvangen werd. Op die manier zou je de regel van het geloof kunnen verdedigen binnen de kaders van het originalisme. Maar hoe zit dat met een uitkomstcriterium? Daar zou Scelia wellicht meer moeite mee hebben. Dan heb je namelijk een open norm. Augustine zegt het dus: elke uitleg van de schrift moet bijdragen tot de liefde tot God en tot de naaste. En zelfs als je misschien dan wat vergistende exegezen, maar je komt wel bij de liefde uit, is het alsnog goed. Maar nodigt een open norm niet uit tot voortschrijdende interpretatie? Aan de hand van veranderende opvattingen over wat die liefde dan concreet betekent. Is dit geen theologisch equivalent van wat wij eerder tegenkwamen in de rechtszaal? Namelijk het criterium van Evolving Standards of Decency. Dat kwamen we tegen aflevering 3. De uitleg van de wet, ook van de grondwet, die moet je leggen ook naast de vooruitgang die er is, het maatschappelijk inzicht. Dat stijgt, dat beter wordt als het gaat om allerlei morele kwesties. Misschien ligt de oplossing erin dat Augustines die twee criteria, die twee regels, wel bij elkaar houdt. En dat pleit er ook voor Augustines. Als je naar hem kijkt vanuit het kader van het originalisme. Hij is in ieder geval de eerste om toe te geven dat hij de meetlat niet zelf ontwikkelt. Maar dat die meetlat. Die waterpas die regel van het geloof hem juist draagt. En hij staat er bovenop. Net als zijn moeder trouwens. Bedankt voor het luisteren. Laat gerust uw reactie achter en graag tot de volgende keer.