Leuk dat je luistert naar dagvers, de dagelijkse podcast van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap. Ik ben Dries. 

Vandaag lezen we Marcus 3:7-19.

Jezus en zijn leerlingen gingen terug naar het meer. Een grote groep mensen uit Galilea ging met hen mee. En er kwamen nog veel meer mensen. Ze kwamen niet alleen uit Judea en Jeruzalem, maar ook uit andere landen en steden. Al die mensen hadden over Jezus gehoord. Daarom kwamen ze naar hem toe.
Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Zorg dat er een boot klaarligt. Dan kan ik daar instappen als de mensen te veel dringen.’ En inderdaad, alle zieken waren aan het dringen om vooraan te kunnen staan. Ze wilden Jezus aanraken. Want het was bekend dat Jezus al heel veel zieken beter gemaakt had.
Mensen met een kwade geest lieten zich voor Jezus op de grond vallen. Dan riepen die kwade geesten: ‘Jij bent de Zoon van God!’ Maar Jezus zei streng tegen hen: ‘Je mag aan niemand vertellen wie ik ben.’
Toen ging Jezus een berg op. Hij riep twaalf mensen bij zich, en ze kwamen naar hem toe. Jezus noemde hen ‘apostelen’. Hij gaf hun de opdracht om met hem mee te gaan, en overal het goede nieuws te vertellen. Ook kregen ze de macht om kwade geesten uit mensen weg te jagen.
De eerste van die twaalf was Simon. Jezus noemde hem Petrus. Dan Jakobus en Johannes, twee broers. Hun vader was Zebedeüs. Jezus noemde hen Boanerges. Dat betekent: de donderaars. Verder Andreas, Filippus, Bartolomeüs, Matteüs, Tomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, Taddeüs, Simon Kananeüs en Judas Iskariot. Deze Judas Iskariot heeft later meegeholpen om Jezus gevangen te nemen.

---

Steeds meer mensen horen over Jezus en willen Hem horen en zien, zelfs aanraken. Hij vertelt over het goede nieuws en laat het mensen zelfs aan den lijve ervaren. Maar de mensenmassa wordt te groot, er dreigen mensen onder de voet gelopen te worden. Dan roept Jezus twaalf mensen bij zich, zij gaan samen met Hem het goede nieuws vertellen en mensen bevrijden van kwade geesten. Jezus noemt hen apostelen, dat betekent letterlijk: gezondenen. Behalve dat ze leerlingen (discipelen) zijn, krijgen deze mannen dus ook een opdracht: het goede nieuws verspreiden in woord en daad (zie ook in Marcus 6:7-13 en 6:30).

Hoe verspreid jij het goede nieuws?