Leuk dat je luistert naar dagvers, de dagelijkse podcast van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap. Ik ben Dries.
Vandaag lezen we Marcus 3:20-35.
Jezus en de leerlingen gingen weer naar huis. Maar ze kregen niet eens de kans om rustig te eten. Want er waren alweer heel veel mensen naar Jezus toe gekomen. Ook de familie van Jezus hoorde wat er allemaal gebeurde. Ze gingen op weg om hem met zich mee te nemen. Want ze dachten: Hij is gek geworden.
Intussen waren er wetsleraren gekomen uit Jeruzalem. Ze zeiden: ‘Die Jezus heeft Satan in zich. Jezus kan kwade geesten wegjagen omdat Satan hem helpt. Want Satan is de leider van de kwade geesten.’
Maar Jezus riep die wetsleraren bij zich. Hij zei: ‘Satan kan toch niet zichzelf wegjagen?’ Hij legde het uit met een paar voorbeelden. Hij zei: ‘Als een land oorlog voert tegen zichzelf, dan blijft er van dat land niets over. En als er binnen een familie ruzie is, dan valt die familie uit elkaar. Met Satan is het net zo. Als Satan tegen zichzelf vecht, dan blijft hij niet bestaan, dan blijft er niets van hem over.’
Jezus gaf nog een voorbeeld. Hij zei: ‘Het huis van een sterke man kun je niet zomaar leegroven. Je moet eerst die man vastbinden. Pas dan kun je zijn huis leeghalen.’
Toen zei Jezus: ‘Luister goed naar mijn woorden: Alles wat de mensen verkeerd doen, wil God vergeven. Zelfs als mensen God beledigen, zal hij hen vergeven. Maar als iemand de heilige Geest beledigt, krijgt hij geen vergeving. Zo iemand blijft altijd schuldig. Die fout is niet goed te maken.’ Jezus zei dat, omdat de wetsleraren hadden gezegd: ‘Jezus heeft een kwade geest in zich.’
Intussen waren de moeder en de broers van Jezus aangekomen bij het huis waar Jezus was. Ze bleven buiten staan en stuurden iemand naar binnen om hem te roepen. Binnen zaten alle mensen om Jezus heen. Ze gaven het bericht aan hem door: ‘Uw moeder en uw broers staan buiten. Ze zijn naar u op zoek.’
Maar Jezus antwoordde: ‘Wie is mijn moeder? En wie zijn mijn broers?’ Hij keek de mensen aan die om hem heen zaten. En hij zei: ‘Hier zit mijn moeder. Hier zitten mijn broers. Want iedereen die doet wat God wil, die is mijn broer, mijn zus en mijn moeder.’
---
De familieleden van Jezus dachten dat Hij gek geworden was. Nu komen ze Hem ophalen. Jezus maakt meteen duidelijk wat voor Hem belangrijk is: doen wat God wil. Hij noemt de mensen die de wil van God doen zijn echte familie. Dat is bijzonder: Jezus zegt dat zijn eigen moeder en broers zijn familie niet meer zijn. Dat zegt Hij uit liefde, want als ze Hem volgen, zullen ze pas écht familie zijn.
Wat vind je ervan dat Jezus zijn familie buiten laat staan? Is er iets of iemand waar je meer om geeft dan om je familie?