Leuk dat je luistert naar dagvers, de dagelijkse podcast van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap. Ik ben Dries. 

Vandaag lezen we Jeremia 1:9-16

Toen stak de Heer zijn hand uit en hij raakte mijn mond aan. Hij zei tegen mij: ‘Ik leg mijn woorden in jouw mond. Vanaf nu heb jij macht over alle landen en volken. Je hebt de macht om volken weg te halen uit hun land, en om alles af te breken, te vernietigen en kapot te maken. Maar je hebt ook de macht om volken terug te laten gaan naar hun land, en om alles weer op te bouwen.’
De Heer vroeg aan mij: ‘Wat zie je daar, Jeremia?’ Ik zei: ‘Ik zie een bloeiende tak.’ En de Heer zei: ‘Dat heb je goed gezien. De bloemen van die tak zijn uitgekomen. Zo zal ook alles wat ik zeg, uitkomen.’
Opnieuw vroeg de Heer aan mij: ‘Wat zie je daar?’ Ik zei: ‘Ik zie in het verre noorden een hete pan op een vuur. Die pan kookt over!’ Toen zei de Heer tegen mij: ‘Uit het noorden komt een ramp voor alle mensen in het land. Want ik haal de legers van alle volken uit het noorden hiernaartoe. Ze zullen de poorten en de muren van Jeruzalem aanvallen, en ze zullen alle andere steden in Juda veroveren.
Zo zal ik de inwoners van Juda straffen voor het kwaad dat ze gedaan hebben. Want ze hebben mij verlaten. Ze zijn andere goden gaan vereren, ze knielen voor beelden die ze zelf gemaakt hebben.’

---

Bij de roeping van Jeremia tot profeet wordt Gods opdracht niet alleen voelbaar gemaakt (God raakt zijn mond aan), maar ook zichtbaar. Zo viel het oog van de nieuwe profeet op iets in zijn omgeving, waaraan God een boodschap verbindt. In vers 11 ziet Jeremia een bloeiende tak. De bloemen van die tak zijn uitgekomen. Zo zal ook alles wat ik zeg, uitkomen, zegt de Heer. Ik leg jou woorden in de mond die kunnen vernietigen en kapot maken, maar ook woorden van herstel en een nieuw begin. In vers 13 ziet Jeremia in het verre noorden een hete pan op een vuur, die overkookt. De betekenis die God hieraan geeft, is dat de vijanden van Juda uit het noorden zullen komen. De Assyriërs kwamen uit deze richting, evenals later de Babyloniërs, die een eind zouden maken aan de staat Juda en de stad Jeruzalem zouden veroveren. Nu, bij een aankondiging van oordeel en onheil wordt in de Bijbel altijd een reden gegeven. In Jeremia 7:5-9 staat een uitvoerige opsomming van de zonden van het volk. Deze opsomming komt neer op een ernstige overtreding van alle tien geboden, zowel tegenover de naaste als tegenover God. Ook al hebben de inwoners van Juda God verlaten, God verbreekt van zijn kant het verbond niet. Vele hoofdstukken later (in Jeremia 30-33) klinken er hoopvolle woorden die een nieuwe toekomst inluiden. Ik, de Heer, zeg: Er komt een nieuwe tijd! Ik zal ervoor zorgen dat het weer goed gaat met mijn volk.’

Het volk van Israël moest boete doen en zich opnieuw tot God bekeren. Is er iets waarvan jij afstand wilt doen in deze veertigdagentijd?