Leuk dat je luistert naar dagvers, de dagelijkse podcast van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap. Ik ben Hanna.
Vandaag lezen we een stukje verder in het ontmoetingsverhaal van Ezechiël met God. We lezen 2:3-3:3.
God, de Heer, zei tegen mij: ‘Mensenkind, ik wil jou naar de Israëlieten sturen. Naar dat ongehoorzame volk dat tegen mij in opstand gekomen is. De Israëlieten hebben zich tegen mij verzet, net zoals hun voorouders. Ook hun kinderen zijn ongehoorzaam en eigenwijs. Daarom stuur ik jou naar hen toe. Jij moet namens mij tegen hen spreken.
Misschien willen de Israëlieten niet naar je luisteren. Want ze blijven zich maar tegen mij verzetten. Toch moeten ze weten dat er een profeet bij hen geweest is.
En jij, mensenkind, je hoeft niet bang voor hen te zijn. Zelfs als ze dreigende woorden spreken, en zelfs als ze je kwaad willen doen, hoef je geen angst te hebben. Wees niet bang voor hen, ook al verzetten ze zich.
Zeg tegen hen wat ik aan jou verteld heb. Misschien luisteren ze wel, maar misschien ook niet. Want ze zijn erg ongehoorzaam.
Mensenkind, luister goed naar mij. Wees niet zo ongehoorzaam als de Israëlieten. Doe wat ik je zeg: doe je mond wijd open, en eet wat ik aan je geef.’
Toen zag ik dat er een hand naar mij uitgestoken werd. In die hand lag een boek. Het boek ging open. Ik zag dat het helemaal volgeschreven was. Het stond vol met droevige liederen.
God zei tegen mij: ‘Mensenkind, eet dit boek op. En ga dan naar de Israëlieten en spreek tegen hen.’
Ik deed mijn mond open, en God legde het boek in mijn mond. Toen zei God: ‘Mensenkind, eet dit boek op, vul je buik ermee.’ Ik at het boek op. Het smaakte zo zoet als honing.
---
‘Het stond vol met droevige liederen.’ Dat is volgens Ezechiël 2:10 de inhoud van de rol die Ezechiël moet opeten. Zo’n boodschap wil je niet lezen, en al helemaal niet verinnerlijken door hem op te eten. Toch smaakt hij zoet als honing. Hoe zit dat? Misschien heeft het te maken met het gezegde ‘zachte heelmeesters maken stinkende wonden’. Decennialang hadden profeten verkondigd dat het wel mee zou vallen met de dreiging van de Babyloniërs. ‘Dit is de tempel van de HEER,’ hadden ze geroepen (Jeremia 7:4). Met andere woorden: we zijn veilig, want God zal zijn tempel toch altijd beschermen? Maar helaas: Decennialang hebben de inwoners van Jeruzalem vooral comfortfood voorgeschoteld gekregen. En de wonden in de relatie met God etterden maar door. Onder een deken van uitbundige offers en theatraal vasten tierden de afgodendienst en het onrecht welig. Daarmee moet het eens voor altijd afgelopen zijn. Het is tijd voor andere kost! En daarom moet Ezechiël deze boekrol vol klaagliederen en gesteun opeten. Hij moet één worden met de boodschap die hij moet verkondigen. Niet alleen zijn hoofd, maar zijn hele lijf moet erdoor gevuld worden. Later zal hij de opdracht krijgen om die boodschap op allerlei manieren uit te beelden: door langer dan een jaar op z’n zij te liggen (Ezechiël 4:4-6), zijn brood op rundermest te bakken (4:15) en zijn haar af te scheren (5:1-4). Plaatsvervangend voor het hele volk ondergaat hij zo een voorafschaduwing van wat er gaat gebeuren als zij zich niet bekeren. Onheilsprofeet, klokkenluider – het zijn geen droombanen waar je op zou solliciteren. Maar waar zouden we zijn zonder mensen die, ongeacht de nare gevolgen voor henzelf, de vinger op de zere plek leggen? Die ons wakker schudden, ons het comfortfood uit handen slaan en ons degelijke kost voorzetten? En die ons juist daardoor een inkijkje geven in de hemelse werkelijkheid van een God die niet in woorden te vangen is?
Herken je een Ezechiël in mensen van vandaag?