Leuk dat je luistert naar dagvers, de dagelijkse podcast van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap. Ik ben Hanna.
Het vierde Bijbelverhaal van de veertigdagentijd waarin een ontmoeting centraal staat, vinden we in het begin van het boek Ezechiël. Vandaag lezen we Ezechiël 1:1-14 en 1:24-2:2.
Ezechiël, de zoon van Buzi, was een priester. Hij woonde in Babylonië bij het Kebar-kanaal, bij de mensen uit Juda. Die waren vijf jaar eerder gevangengenomen en naar Babylonië gebracht, samen met hun koning Jojachin.
Op een dag, toen Ezechiël dertig jaar oud was, voelde hij opeens de macht van de Heer. Het was toen de vijfde dag van de vierde maand. Ezechiël zag de hemel opengaan, en God liet hem in een droom allerlei dingen zien.
Nu volgt alles wat Ezechiël gezien heeft.
Ik zag een storm aankomen vanuit het noorden. En ik zag een grote, donkere wolk waar bliksem uit kwam. Er was ook een fel, flitsend vuur. En midden in het vuur was iets dat glansde als goud.
In het vuur zag ik vier dieren. Ze leken op mensen, maar elk dier had vier gezichten en vier vleugels. De dieren stonden rechtop. Hun voeten leken op de hoeven van een kalf, en ze glansden als koper. Onder hun vleugels waren handen te zien, onder elke vleugel één hand.
De dieren hadden aan elke kant een gezicht: voor, achter, links en rechts. Hun gezichten zagen er zo uit: Het gezicht aan de voorkant leek op het gezicht van een mens. Het gezicht aan de rechterkant leek op de kop van een leeuw. Het gezicht aan de linkerkant leek op de kop van een stier. En het gezicht aan de achterkant leek op de kop van een adelaar.
De dieren raakten elkaar met hun vleugels. Ze vormden samen een vierkant. Elk dier stond naar een andere kant toe gericht. Zo konden ze samen elke kant op bewegen, zonder dat ze zich hoefden om te draaien.
Elk dier had dus vier vleugels. Twee vleugels hielden ze omhoog, zodat die de vleugels raakten van de dieren ernaast. Met de andere twee vleugels bedekten ze hun lichaam.
De dieren gingen overal heen waar de geest van God hen bracht. Ze gingen steeds recht vooruit. Ze hoefden zich niet om te draaien als ze een andere kant op wilden gaan.
Tussen de dieren ging een vuur heen en weer. Het was een fel vuur, en er kwam bliksem uit. Het leek wel alsof de dieren in brand stonden.
De dieren flitsten heen en weer, zo snel als de bliksem.
Toen gingen de dieren vliegen. Ik hoorde het geluid van hun vleugels. Dat klonk als het bulderen van de zee, en als de stampende laarzen van soldaten. Het klonk als het lawaai van een grote groep mensen, en als de stem van de machtige God.
Daarna stonden de dieren weer stil. Ze lieten hun vleugels naar beneden hangen.
Opeens hoorde ik weer een geluid. Het kwam van boven de koepel. Ik zag daar iets schitteren. Het leek op een troon die gemaakt was van edelstenen. Op de troon zat iemand die eruitzag als een mens. Aan de bovenkant glansde zijn lichaam als goud, aan de onderkant gloeide het als vuur. Rondom hem was een schitterend licht. Dat licht had allerlei kleuren. Het zag eruit als een regenboog die in de wolken verschijnt.
Zo liet de Heer zich aan mij zien, stralend en machtig. Toen liet ik me neervallen op mijn knieën.
Daarna hoorde ik de stem van God.
Hij zei tegen mij: ‘Mensenkind, sta op! Dan zal ik tegen je spreken.’ En terwijl God dat zei, kwam zijn geest in mij. Ik kreeg de kracht om op te staan. En ik hoorde God spreken.
--
Ezechiël is niet de meest geliefde profeet. De visioenen in het eerste deel van zijn boek zijn vaak vervreemdend en alleen de meest toegewijde meetkunde-liefhebber zal de uitvoerige beschrijving van de nieuwe tempel in de laatste hoofdstukken inspirerend vinden. Maar hier, aan het begin van zijn boek, lezen we iets dat voor Ezechiël en zijn eerste luisteraars gevoeld zal hebben alsof iemand na een lange nacht ineens het licht aandoet. De hemel gaat open! Op dat moment in de geschiedenis hangt de toekomst van Jeruzalem, Juda en het koningshuis van David aan een zijden draadje. De Babylonische koning Nebukadnessar heeft de opstandige houding van koning Jojakim afgestraft door zijn zoon en opvolger Jojachin in ballingschap te voeren, samen met de politieke, militaire en religieuze leiders. De tempel en het paleis zijn leeggeroofd, en als de nieuwe koning, Sedekia, op verkeerde ideeën komt, zal het voorgoed afgelopen zijn met het volk van Israël. Als priester is Ezechiël meegenomen tijdens die eerste veldtocht van Nebukadnessar. En waar is God? Die lijkt oneindig ver weg. Geografisch: als er nog iets van eredienst plaatsvindt in de tempel, dan heeft Ezechiël daar aan het Kebarkanaal, op honderden kilometers van Jeruzalem, helemaal niets aan. Maar ook geestelijk: het lijkt erop dat God eindelijk zijn waarschuwingen heeft waargemaakt en het volk aan zijn lot heeft overgelaten. Maar dan … gaat de hemel open. God laat weer van zich horen, op een plek en in een situatie waar niemand dat verwacht had. Wat Hij te zeggen heeft, is niet bepaald zoete koek, ook al smaakt het daar wel naar (Ezechiël 3:3). Maar Hij spreekt! Dat is meer dan Ezechiël had verwacht, en voldoende voor nu.
God laat van zich horen, op een plek en in een situatie waar niemand dat verwacht had. Herken jij zo’n situatie in je eigen leven?