Leuk dat je luistert naar dagvers, de dagelijkse podcast van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap. Ik ben Hanna. 

Vandaag lezen we Ezechiël 1:1-2:2 opnieuw, met bijzondere aandacht voor de manier waarop God zich aan Ezechiël laat zien.

Ezechiël, de zoon van Buzi, was een priester. Hij woonde in Babylonië bij het Kebar-kanaal, bij de mensen uit Juda. Die waren vijf jaar eerder gevangengenomen en naar Babylonië gebracht, samen met hun koning Jojachin.
Op een dag, toen Ezechiël dertig jaar oud was, voelde hij opeens de macht van de Heer. Het was toen de vijfde dag van de vierde maand. Ezechiël zag de hemel opengaan, en God liet hem in een droom allerlei dingen zien.
Nu volgt alles wat Ezechiël gezien heeft.
Ik zag een storm aankomen vanuit het noorden. En ik zag een grote, donkere wolk waar bliksem uit kwam. Er was ook een fel, flitsend vuur. En midden in het vuur was iets dat glansde als goud.
In het vuur zag ik vier dieren. Ze leken op mensen, maar elk dier had vier gezichten en vier vleugels. De dieren stonden rechtop. Hun voeten leken op de hoeven van een kalf, en ze glansden als koper. Onder hun vleugels waren handen te zien, onder elke vleugel één hand.
De dieren hadden aan elke kant een gezicht: voor, achter, links en rechts. Hun gezichten zagen er zo uit: Het gezicht aan de voorkant leek op het gezicht van een mens. Het gezicht aan de rechterkant leek op de kop van een leeuw. Het gezicht aan de linkerkant leek op de kop van een stier. En het gezicht aan de achterkant leek op de kop van een adelaar.
De dieren raakten elkaar met hun vleugels. Ze vormden samen een vierkant. Elk dier stond naar een andere kant toe gericht. Zo konden ze samen elke kant op bewegen, zonder dat ze zich hoefden om te draaien.
Elk dier had dus vier vleugels. Twee vleugels hielden ze omhoog, zodat die de vleugels raakten van de dieren ernaast. Met de andere twee vleugels bedekten ze hun lichaam.
De dieren gingen overal heen waar de geest van God hen bracht. Ze gingen steeds recht vooruit. Ze hoefden zich niet om te draaien als ze een andere kant op wilden gaan.
Tussen de dieren ging een vuur heen en weer. Het was een fel vuur, en er kwam bliksem uit. Het leek wel alsof de dieren in brand stonden.
De dieren flitsten heen en weer, zo snel als de bliksem.

Toen gingen de dieren vliegen. Ik hoorde het geluid van hun vleugels. Dat klonk als het bulderen van de zee, en als de stampende laarzen van soldaten. Het klonk als het lawaai van een grote groep mensen, en als de stem van de machtige God.
Daarna stonden de dieren weer stil. Ze lieten hun vleugels naar beneden hangen.
Opeens hoorde ik weer een geluid. Het kwam van boven de koepel. Ik zag daar iets schitteren. Het leek op een troon die gemaakt was van edelstenen. Op de troon zat iemand die eruitzag als een mens. Aan de bovenkant glansde zijn lichaam als goud, aan de onderkant gloeide het als vuur. Rondom hem was een schitterend licht. Dat licht had allerlei kleuren. Het zag eruit als een regenboog die in de wolken verschijnt.
Zo liet de Heer zich aan mij zien, stralend en machtig. Toen liet ik me neervallen op mijn knieën.
Daarna hoorde ik de stem van God.

Hij zei tegen mij: ‘Mensenkind, sta op! Dan zal ik tegen je spreken.’ En terwijl God dat zei, kwam zijn geest in mij. Ik kreeg de kracht om op te staan. En ik hoorde God spreken.

---

De meest indrukwekkende beelden in Ezechiëls herinnering waren waarschijnlijk die van de inval van de Babyloniërs in Jeruzalem. Tegenwoordig zouden we het een traumatische ervaring noemen: een ervaring die je op je grondvesten doet schudden, en die je elk moment van de dag (en vooral nacht) met je meedraagt. Maar wat Ezechiël hier overkomt, doet al die herinneringen verbleken. Storm, vuur en bliksem zijn wel vaker tekenen van Gods aanwezigheid. Maar de overweldigende manier waarop God zich aan Ezechiël laat zien, is ongekend. Bij de poging om zijn ervaring te beschrijven, lijkt hij over zijn eigen woorden te struikelen. Wie probeert de beelden na te tekenen, loopt al gauw tegen de grenzen van het menselijk voorstellingsvermogen aan. Waarom laat God zich op deze manier aan Ezechiël zien, en niet, zoals bijvoorbeeld aan Elia, in het fluisteren van een zachte bries (1 Koningen 19:12)? Was dat pastoraal gezien niet beter geweest, in de kwetsbare gemoedstoestand waarin Ezechiël zich waarschijnlijk bevond? Nee, dit visioen is precies wat Ezechiël nodig heeft, omdat het antwoord geeft op zijn meest dringende vragen. God laat zich niet in de tempel aan hem zien, zoals bij Jesaja, maar in een verschijning die totaal niet aan één plaats gebonden is – integendeel, het is een en al beweging. Bovendien straalt de verschijning een macht uit vergeleken waarbij het leger van een menselijke koning als Nebukadnessar er als een stelletje speelgoedsoldaatjes uitziet. God leek misschien afwezig, maar Hij is en blijft in controle van alles wat zich op de aarde en daarboven afspeelt – ook in de uithoek van het Babylonische Rijk waar Ezechiël op dat moment zijn dagen slijt.

God toont zich op de manier die de profeet nodig heeft. Hoe zou jij willen dat God zich vandaag aan je toont?