Leuk dat je luistert naar dagvers, de dagelijkse podcast van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap. Ik ben Hanna. 

Het achtste Bijbelverhaal van de veertigdagentijd waarin een ontmoeting centraal staat, vinden we in Psalm 84. De komende vier dagen zoomen we telkens met de overweging in op een ander deel van het verhaal.  

---

Een lied van de Korachieten. Voor de zangleider. Op de wijs van het lied ‘De vrouw uit de stad Gat’.
Ik houd van uw huis, machtige Heer!
Ik verlang naar uw tempel, levende God.
Met heel mijn hart wil ik bij u zijn.

Machtige Heer, mijn koning, mijn God,
zelfs mussen wonen in uw tempel.
Zwaluwen maken een nest bij uw altaar,
ze zorgen er voor hun jongen.
Gelukkig zijn mensen die wonen in uw huis,
want zij kunnen u altijd danken.

Gelukkig zijn mensen die verlangen naar u,
want bij u vinden ze kracht.
Als ze door droge velden lopen,
worden die groen en fris.
Uw regen laat alles weer groeien.
Ze worden steeds sterker,
ze gaan door tot ze in Sion zijn.
Daar zullen ze u ontmoeten, God.
Heer, machtige God, hoor mijn gebed.
God van Jakob, luister naar mij!
God, bescherm ons toch,
en zorg goed voor uw koning.

Ik ben liever één dag in uw tempel
dan duizend dagen ergens anders.
Ik ben liever buiten bij de deur van uw huis
dan binnen bij slechte mensen.

Heer, onze God,
u leidt ons, u beschermt ons.
U bent goed voor ons,
u maakt ons sterk.
U geeft ons geluk
als wij leven zoals u dat wilt.
Machtige Heer,
gelukkig zijn mensen die vertrouwen op u!

---

Psalm 84 is een lied van iemand die heel sterk verlangt naar God. In het oude Israël was er een plek waar je God kon ontmoeten: de tempel. Elke Israëliet uit die tijd wist dat God niet te vangen is in een gebouw. Toch was de tempel voor hen de plek waar ze God konden ontmoeten. God had immers beloofd dat Hij te midden van zijn volk zou wonen (Exodus 25:8). Israël moest een heiligdom maken als woonplaats voor de Eeuwige. In dat heiligdom moest altijd een lamp blijven branden, een Or Tamid, een altijddurend licht, als teken van Gods aanwezigheid. De psalm is vermoedelijk geschreven in een tijd dat de dichter niet in de gelegenheid was om naar de tempel te gaan. Het verlangen naar God zit diep. Dat proef je uit de woorden in vers 3: ‘Van verlangen smacht mijn ziel naar de voorhoven van de HEER. Mijn hart en mijn lijf roepen om de levende God.’ Alles in de dichter hunkert naar een ontmoeting. Het valt op dat de dichter verlangt naar de lévende God. Hij of zij wil tekenen zien dat God actief is; hij verlangt ernaar een woord van God te horen, een antwoord op een gebed. Dat God zich niet onbetuigd laat. We leven in een cultuur waarin God steeds meer aan de zijlijn van ons leven is komen te staan. Het kost ons soms moeite om iets van God te ervaren. Hoe zit het met ons verlangen? Is er iets van die hunkering naar de levende God? En: waar zullen we Hem dan kunnen vinden? 

Op welke plek(ken) vind jij God?