Leuk dat je luistert naar dagvers, de dagelijkse podcast van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap. Ik ben Hanna. 

Vandaag lezen we Lucas 7:11-17 opnieuw, met bijzondere aandacht voor vers 15.

----

Daarna ging Jezus naar de stad Naïn. Zijn leerlingen en veel andere mensen gingen met hem mee. Toen ze bij de poort van de stad kwamen, liep er net een grote groep mensen de stad uit. Ze droegen een dode jongen. De moeder van de jongen liep mee. Ze had niemand meer. Haar man was al overleden, en nu was haar enige kind gestorven.
Toen de Heer de moeder zag, kreeg hij medelijden met haar en zei: ‘Huil maar niet.’ Daarna liep hij naar de dode jongen toe. De mensen die de jongen droegen, bleven staan. Jezus raakte het lichaam aan en zei: ‘Jongen, ik wil dat je opstaat.’ De jongen kwam overeind en begon te praten. Toen gaf Jezus hem weer aan zijn moeder.
Alle mensen waren diep onder de indruk. Ze dankten God en zeiden: ‘God heeft aan zijn volk gedacht. Hij heeft een machtige profeet naar ons toe gestuurd.’
Het nieuws over Jezus werd bekend in heel Judea en daarbuiten.

----

De begrafenisstoet mag niet verdergaan. De dood mag niet verdergaan. ‘Jongen, Ik wil dat je opstaat.’ (vers 14) Wat hier gebeurt, kan niet: de jongen kwam overeind en begon te praten. Wanneer Jezus de jongen teruggeeft aan zijn moeder, trekken de omstanders snel hun conclusie: een groot profeet is opgestaan. Een nieuwe Elia. Dé nieuwe Elia, die in Israël werd verwacht. God komt zijn volk bevrijden. Wie gebonden waren in de schaduw van de dood mogen het licht zien. Het zindert van de associaties uit de profeten. Maar eerst is daar die weduwe. Zij heeft haar zoon teruggekregen. Ze waren al bij de poort, maar gaan nu de stad weer in. Naar huis – haar thuis, zijn thuis. Straks gaat hij naar zijn kamer, waar het bed nog net zo lag als toen de dood hem had getroffen. Straks gaat hij slapen, nadat ze het avondlied uit Psalm 4 hebben gezongen, en de dag is afgesloten met het gebed van overgave: ‘In uw handen beveel ik mijn geest.’ De dood is het zwijgen opgelegd. Monddood gemaakt. De levenden loven God. De weduwe, haar zoon, ieder die erbij was. ‘De heer beschermt de vreemdelingen, wezen en weduwen steunt Hij’ (Psalm 146:9). Zo zingt Israël. Het is waar wat God zijn volk heeft geleerd. Hij steunt weduwen, wezen en ook vreemdelingen. Hij staat aan hun kant. Daar vind je Hem. 

Herken je dat God zich vooral laat vinden bij mensen met verdriet?