Leuk dat je luistert naar dagvers, de dagelijkse podcast van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap. Ik ben Hanna. 

Vandaag lezen we Lucas 7:11-17 opnieuw, met bijzondere aandacht voor vers 16.

---

Daarna ging Jezus naar de stad Naïn. Zijn leerlingen en veel andere mensen gingen met hem mee. Toen ze bij de poort van de stad kwamen, liep er net een grote groep mensen de stad uit. Ze droegen een dode jongen. De moeder van de jongen liep mee. Ze had niemand meer. Haar man was al overleden, en nu was haar enige kind gestorven.
Toen de Heer de moeder zag, kreeg hij medelijden met haar en zei: ‘Huil maar niet.’ Daarna liep hij naar de dode jongen toe. De mensen die de jongen droegen, bleven staan. Jezus raakte het lichaam aan en zei: ‘Jongen, ik wil dat je opstaat.’ De jongen kwam overeind en begon te praten. Toen gaf Jezus hem weer aan zijn moeder.
Alle mensen waren diep onder de indruk. Ze dankten God en zeiden: ‘God heeft aan zijn volk gedacht. Hij heeft een machtige profeet naar ons toe gestuurd.’
Het nieuws over Jezus werd bekend in heel Judea en daarbuiten.

---

De mensen in Naïn prijzen God. Hij heeft het leven teruggegeven aan de jongen. Reden genoeg om Hem te loven. Maar hoe zit het met de andere moeders die hun kind hebben verloren? En de andere weduwen? Kunnen die ook meezingen? De daden die Jezus doet, zijn geweldig, maar ze zijn incidenteel. Ze veranderen de wereld niet. De jongen van Naïn is allang weer dood. Net als zoveel jongens en meisjes. Als Jezus niet meer doet dan de opwekking van deze jongen en nog een paar anderen, wat is Hij dan? Een groot profeet, zeggen de mensen. Inderdaad, Hij is te vergelijken met Elia, die ook incidenteel een dode opwekte. Maar de opwekking van de jongen van Naïn is meer dan een incident. Het gaat om iets anders. Het gaat om de vraag wie Jezus is. Aan het eind van het Lucas-evangelie zegt Jezus dat de mensen Hem niet begrepen hebben. Ze hebben niet door waar het werkelijk om gaat: dat de Christus moest lijden om zó in zijn glorie binnen te gaan (Lucas 24:26). Mensen willen een snelle oplossing waardoor alles meteen in orde komt. Jezus als helper in onoplosbare zaken. Een groot profeet. Een grote wonderdokter. Johannes heeft het in zijn evangelie ook over dat misverstand. Mensen lopen achter Jezus aan omdat Hij brood verschaft. Ze zien niet dat dat een teken is (Johannes 6:26). Tekenen zijn geen doel op zichzelf. Ze verwijzen naar iets anders. Dát hebben de mensen niet door. Ze willen te snel, te makkelijk, zonder te lijden. In een teken licht even iets op van wie Jezus is, maar het eigenlijke komt nog als Hij gekruisigd is en opstaat uit de dood. Eerst lijden. Eerst de dood. Eerst de ondergang van de wereld, voordat het vrederijk komt en het leven dat blijft. Zó is het koningschap van God gekomen. Ook voor de kinderen die niet werden opgewekt in dit leven. Ze worden opgewekt in het eeuwige leven. Dat is heel wat meer dan de jaren die de jongen van Naïn erbij kreeg.

Wat vind jij moeilijker: te geloven dat wonderen gebeuren, of te blijven geloven ondanks het feit dat ziekte en dood meestal het laatste woord hebben?