Leuk dat je luistert naar dagvers, de dagelijkse podcast van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap. Ik ben Hanna. 

Vandaag sluiten we de veertigdagentijd af en lezen bij Matteüs 27:1-5 het vervolg op de ontmoeting tussen Judas en Jezus.

Toen het ochtend geworden was, namen alle priesters en leiders van het volk een besluit. Ze besloten dat Jezus gedood moest worden. Ze lieten hem vastbinden, namen hem mee en brachten hem bij Pilatus, de Romeinse bestuurder.
Judas, de man die Jezus uitgeleverd had, hoorde over het besluit om Jezus te doden. Toen kreeg hij spijt van wat hij gedaan had. Hij bracht de 30 zilveren munten terug naar de priesters en de leiders van het volk. Hij zei: ‘Ik heb iets slechts gedaan! Ik heb iemand uitgeleverd die onschuldig is. En nu wordt hij gedood!’ Maar de priesters en de leiders zeiden: ‘Dat is niet ons probleem. Zoek dat zelf maar uit.’
Toen gooide Judas de zilveren munten in de tempel en ging weg. Daarna maakte hij een eind aan zijn leven door zich op te hangen.

---

Judas heeft ingegrepen. Hij heeft Jezus overgeleverd aan de hogepriesters en de oudsten van het volk. Zij hebben Jezus uitgeleverd aan de Romeinse bestuurder Pilatus. Voor hen staat het vast: Jezus is des doods schuldig. Na veel vijven en zessen stemt Pilatus in. Jezus zal worden gekruisigd. Op een afstand volgt Judas de ontwikkelingen rondom Jezus. Hij heeft begrepen dat de zaak nu in handen van Pilatus is. Bij het paleis aangekomen slaat de schrik hem om het hart. Hij kan zijn ogen niet geloven. Jezus is ter dood veroordeeld. Het slaat bij hem in als een bom. Dit was nooit zijn bedoeling. Had hij Jezus maar niet overgeleverd! Hij kan de haren wel uit zijn hoofd trekken. Hoe heeft hij zo stom kunnen zijn? In zijn zak branden de dertig zilverlingen waarvoor hij Jezus heeft verkocht. Resoluut keert hij terug naar de tempel, het huis van God en van zijn grondpersoneel. Vol wroeging smijt hij de zilverlingen in de tempel. ‘Ik heb iets slechts gedaan! Ik heb iemand uitgeleverd die onschuldig is.’ (Matteüs 27:4), zo schreeuwt hij het uit. Hoopt hij vergeving te ontvangen van een van de hogepriesters? Het is tevergeefs, de geestelijken kunnen niets met Judas’ berouw. Ze zijn veel te blij dat ze eindelijk van Jezus af zijn. Zo laten ze Judas, een wanhopig mensenkind in geestelijke nood, aan zijn lot over. ‘Dat is niet ons probleem. Zoek dat zelf maar uit’ (Matteüs 27:4b). Het zullen je geestelijk leiders maar zijn. Naar wie moet Judas nu met zijn berouw? Jezus is onbereikbaar geworden als ter dood veroordeelde gevangene. De geestelijk leiders geven niet thuis. De relatie met de andere leerlingen van Jezus is stuk. Judas heeft niemand meer en stikt in zijn berouw. Hij ziet nog maar één uitweg. Voordat Jezus sterft, zal hij sterven. Berouw dat je niet kunt delen is verstikkend. Berouw moet gedeeld worden. Blijf er niet mee tobben, maar deel het met iemand. En vergeet nooit: God heeft een groot hart. Hij is veel barmhartiger dan je hart dat je aanklaagt! 

Petrus en Judas, twee leerlingen die enorm berouw hebben over de manier waarop zij met Jezus zijn omgegaan. Hoe zou een gesprek tussen hen eruitzien?