Leuk dat je luistert naar dagvers, de dagelijkse podcast van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap. Ik ben Dries.
Vandaag lezen we Jeremia 29:1-9.
Koning Nebukadnessar had veel mensen uit Jeruzalem als gevangenen meegenomen naar Babel. Dat waren: koning Jechonja met zijn moeder en zijn dienaren, de leiders van Juda en Jeruzalem en iedereen die werkte als timmerman of smid, en ook nog andere mensen.
De profeet Jeremia schreef hun een brief. De brief was bestemd voor de leiders, de priesters, de profeten en alle andere Judeeërs. De brief werd meegenomen door Elasa, de zoon van Safan, en door Gemarja, de zoon van Chilkia. Zij waren boodschappers van koning Sedekia. Ze gingen namens hem naar koning Nebukadnessar van Babylonië.
In de brief stond het volgende: ‘Luister, Judeeërs in Babel. Dit zegt de machtige Heer, de God van Israël: ‘Ik heb jullie als gevangenen naar Babel laten brengen. Ik wil dat jullie daar huizen bouwen om in te wonen. En dat jullie daar het land gaan bewerken, zodat jullie van de opbrengst kunnen leven. Ik wil dat jullie trouwen en kinderen krijgen. En zorg ervoor dat ook je kinderen trouwen, zodat ook zij weer kinderen krijgen. Laat jullie groep niet kleiner worden, maar juist groter.
Bid tot de Heer voor Babel, de stad waar jullie naartoe gebracht zijn. Doe er je best voor dat het goed gaat met die stad. Want als het goed gaat met Babel, dan gaat het ook goed met jullie!’
De machtige Heer, de God van Israël, zegt: ‘Laat je niet bedriegen door jullie profeten en waarzeggers. Luister niet naar de dromen waarover ze jullie vertellen. Want ze doen alsof ze namens mij spreken, maar dat is een leugen. Ik heb hen niet gestuurd!’
---
Veel inwoners van Jeruzalem, met name de leiders en vakmensen, zijn tegen hun wil in meegenomen naar een vreemd land: Babylonië. Gevangen en ontvoerd. Het zou heel logisch zijn als zij wrok koesterden tegen de bevolking daar, wiens koning hen dit aandeed. Maar Jeremia schrijft een brief, dat niet de koning, maar God zelf hen als gevangenen daarheen heeft laten brengen met een plan en een doel. Daarom mogen zij juist meewerken aan en bidden voor de bloei van de stad.
Door wiens getuigenis ben jij in God gaan geloven?