Leuk dat je luistert naar dagvers, de dagelijkse podcast van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap. Ik ben Hanna. 

Vandaag lezen we Handelingen 7:1-16.

De hogepriester vroeg: ‘Is dat waar?’ Stefanus antwoordde: ‘Broeders, vaders van ons volk, luister naar wat ik u te zeggen heb. Toen onze voorvader Abraham nog in Mesopotamië woonde, voordat hij zich in Charan vestigde, verscheen God in al zijn luister aan hem en zei: “Trek weg uit je land, verlaat je familie, en ga naar het land dat Ik je zal wijzen.” Toen trok Abraham weg uit het land van de Chaldeeën en vestigde zich in Charan. Na de dood van zijn vader bracht God hem naar dit land, waar u nu woont. Hij gaf hem hier zelfs niet het kleinste stuk grond in eigendom, maar beloofde wel dat hij en zijn nakomelingen het eens in bezit zouden krijgen, ook al had hij toen nog geen zoon. God zei tegen Abraham dat zijn nakomelingen vierhonderd jaar in een vreemd land zouden wonen, waar ze in slavernij zouden leven en slecht behandeld zouden worden. “Maar,” zo luidden Gods woorden, “het volk dat ze als slaaf zullen dienen, zal Ik straffen, en daarna zullen ze wegtrekken en Mij vereren op de heilige plaats.” God sloot met Abraham het verbond van de besnijdenis, en daarom besneed Abraham zijn zoon Isaak, acht dagen na diens geboorte, en Isaak deed hetzelfde met Jakob, en Jakob met de twaalf stamvaders.
Omdat de stamvaders jaloers waren op Jozef, verkochten ze hem als slaaf aan de Egyptenaren. Maar God beschermde hem en redde hem uit alle nood door hem in de gunst te laten komen bij de farao, de koning van Egypte, die hem wegens zijn wijsheid belastte met de leiding over Egypte en over zijn hele hofhouding. Er brak echter een grote hongersnood uit in Egypte en Kanaän, die veel ellende veroorzaakte, zodat onze voorouders niets meer te eten hadden. Toen Jakob hoorde dat er graan was in Egypte, stuurde hij onze voorouders daar voor de eerste keer heen. Tijdens hun tweede bezoek onthulde Jozef aan zijn broers wie hij was, waarna zijn afkomst ook aan de farao bekend werd. Jozef liet zijn vader Jakob overkomen met zijn hele familie van vijfenzeventig mensen. Jakob vertrok naar Egypte en stierf daar, evenals onze voorouders; ze werden overgebracht naar Sichem en bijgezet in het graf dat Abraham van de zonen van Chamor uit Sichem had gekocht.
Naarmate de tijd naderde dat Gods belofte aan Abraham in vervulling zou gaan, nam het volk in Egypte in aantal toe en werd het steeds groter,

----

Een paar mensen willen dat Stefanus zijn mond houdt over Jezus en beschuldigen hem. Ze vinden dat hij slechte dingen zegt over de wet van Mozes en over de tempel van God. De mensen die Stefanus beschuldigen zijn vrijgelaten slaven (6:9), maar ze zijn niet werkelijk vrij: ze kunnen niet in de waarheid geloven. Stefanus houdt vervolgens een toespraak (bijna heel Handelingen 7) over de geschiedenis van het volk van God. Daarin noemt hij dat God al tegen Abraham zei dat het volk als slaven in een vreemd land zou wonen. Stefanus vertelt ook dat Jozef werd verkocht als slaaf. Zo sluit hij aan bij de achtergrond van de mensen die met hem discussieren.  

Als jij anderen over God vertelt, hoe probeer jij dan aan te sluiten bij hun levensverhaal en achtergrond?